auteur: Harm Tilman
De grensvervaging tussen stad en landschap, de veranderingen in betekenissen en het complexer worden van de relaties tussen beide, nopen de ontwerpdisciplines tot het ontwikkelen van nieuwe concepten. Om de overeenkomst tussen vorm, functie en bezigheden te herstellen moet een brug worden geslagen tussen het territorium waarin we leven en de plekken waarop we wonen. Concepten die van betekenis zijn voor de gebruikers van het landschap en hun beleving ervan worden daarbij steeds belangrijker.
Harm Tilman
Vorm geven aan complexe relaties in het landschap
Uitkijkpaviljoen met park door Observatorium bij de Vinexwijk Nieuw Terbregge langs de A20, 2001. Foto Observatorium
Een stedelijk of ruraal landschap krijgt vorm als mensen zich er vestigen, er hun activiteiten ontplooien en de mogelijkheden uitbuiten die de grond en het land hun biedt. Landschappen maken ontwikkelingen door en ondergaan veranderingen die voor een deel door mensen zijn gemaakt. Grenzen transformeren een amorfe omgeving in een menselijk landschap en maken de ordening en organisatie van de ruimte zichtbaar.1 Lange tijd konden in dit landschap scherpe grenzen worden getrokken tussen stad en platteland. Sociologen repten in dit verband van het urbaan-landelijke continuüm.
Door de vele veranderingen die het landschap heeft ondergaan is dit onderscheid steeds minder duidelijk. Het traditionele boerenbedrijf maakte plaats voor landbouw op moderne leest, waarvan de opbrengsten worden verwerkt in agrarische fabrieken. Wonen en werken op het platteland vallen niet meer noodzakelijk samen. Als gevolg hiervan veranderde het landschap op vele plaatsen. Bovendien vonden in Nederland sinds de jaren vijftig en zestig op grote schaal ruilverkavelingen plaats. Het landschap werd daarbij ingericht op de schaal van de mechanische bewerking van het land.
Een tweede grote verandering van het Nederlandse landschap is veroorzaakt door de aanleg van railinfrastructuur en nadien van autowegen. Daardoor konden grotere delen van het land opeens een niet-agrarische bestemming krijgen. Een deel van het rurale landschap kwam hiermee vrij voor stedelijk gebruik. Mensen gingen buiten de stad wonen, de bedrijvigheid volgde en weldra kwamen buiten de traditionele stedelijke begrenzingen nieuwe concentraties van winkels en voorzieningen tot stand.
Landschap op drift
Met de opkomst van de nieuwe netwerken twintig jaar gelden is het Nederlandse landschap pas echt onherkenbaar veranderd.2 Wat daarvoor nog exclusief tot de stad behoorde, komt nu verspreid voor in de omgeving van de stad en verder weg gelegen gemeenten. Grote delen van het landschap die twintig jaar geleden nog een agrarische bestemming hadden, staan nu ten dienste van de stedelingen. Verder zijn de steden deel gaan uitmaken van grotere regio´s waarin ze zich steeds minder onderscheiden. Weliswaar is de stad nog altijd een broedplaats voor culturele vernieuwing en informeel gedrag, maar de groeiende mobiliteit belemmert het ontstaan van compacte stedelijke gebieden. Juist daardoor spelen veel activiteiten en subculturen zich buiten de grenzen van de traditionele stad af.
Tot slot valt de stad niet langer meer samen met de productie. Enkele jaren geleden besloot Philips zijn hoofdkantoor naar Amsterdam te verplaatsen. Toen de minister president van Nederland zich daarover beklaagde antwoordde de topman van het bedrijf dat deze blij moest zijn dat Philips zijn hoofdkantoor niet naar Londen of Singapore had verplaatst. Philips valt al lang niet meer samen met Eindhoven. Zo valt ook de Rotterdamse haven niet meer samen met de stad. De stad verliest zijn magneetfunctie. De suburbanisatie heeft plaats gemaakt voor de-urbanisatie. Door het gecombineerde effect van deze drie ontwikkelingen zijn de steden in Nederland op drift geraakt.
Ook kwam de klad in de ruimtelijke ordening van ons land. Geconstateerd kan worden, dat ze minder programmeerbaar en minder beheersbaar is geworden. De verklaring hiervoor is vrij eenvoudig. In 1992 besloot de Nederlandse overheid tot een grootschalige privatisering van sectoren die voorheen tot de overheidszorg werden gerekend. De volkshuisvesting bijvoorbeeld werd tot op dat moment gekenmerkt door overvloedige stelsels van subsidies en een sterke koppeling met de wetgeving op het gebied van ruimtelijke ordening. Daardoor speelde ze lange tijd een doorslaggevende rol in de vraag waar nieuwe wijken werden gebouwd en op welke manier mensen gingen wonen. Door de privatisering van deze sector laten thans de krachten, die de stedelijke ontwikkelingen sturen, zich steeds minder in een ruimtelijke orde dwingen.
Twintig jaar geleden kon de stad nog als een afgesloten nederzetting worden gekarakteriseerd. Het was duidelijk waar de stad begon en waar ze ophield. Maar wie nu van Rotterdam naar Amsterdam reist ziet dat dit niet meer het geval is. Wat eens een prachtige afwisseling van bebouwde en landelijke gebieden bood, is nu een continu verstedelijkt grondgebied. De stad is overal en daarmee nergens meer. De stad in de klassieke zin van het woord, als afgesloten nederzetting, is vervangen door een stelsel van uiteenlopende territoria. De architectuurhistoricus Reyner Banham beschreef Los Angeles ooit als een stelsel van ecologieën.3 In deze stad bleken vier verschillende nederzettingspatronen voor te komen, die nauw verband houden met de landschappelijke ondergrond. Deze observatie gaat in toenemende mate op voor de Nederlandse situatie. De grenzen van steden zijn weliswaar bestuurlijke aangelegenheden, maar hebben maatschappelijk gezien al lang geen betekenis meer.
Stad en landschap zijn opgenomen in een schijnbaar doelloze ontwikkeling en in processen die geen organische dimensie meer kennen. Daardoor verliezen ze hun symbolische waarde. Dit betekent echter niet dat de ruimte nog slechts indifferent en homogeen kan zijn of dat de stad geen dichtheid meer kan krijgen. Op dit punt is de rol van de ontwerpende disciplines van groot belang. Zij hebben de paradoxale opgave om plekken te ontwerpen die eigen zijn aan het leven in deze tijd dat zich in het stedelijke en rurale landschap afspeelt.
Plekken als levendige verbindingen
In de stad en op het land verkeren we, maar verblijven we ook. Er is een grote vraag naar mobiliteit, maar ook naar veiligheid. We willen overal naar toe kunnen, als dat maar niet gebeurt over een traject dat door onze eigen achtertuin loopt. Ontwerpen betekent altijd vormgeven aan deze tegenstellingen. De hedendaagse stad kenmerkt zich door onophoudelijke stromen van mensen, activiteiten en informatie. De opgave is daarmee het vormen van plekken die een pauze vormen in het voortdurende veranderende, poststedelijke en -rurale landschap en die een ontsnapping bieden aan de stress van de hedendaagse samenleving.
Om tegemoet te komen aan het verlangen naar veiligheid en leefbaarheid worden in het landschap afgesloten enclaves gemaakt. Door deze te thematiseren onderscheiden ze zich van andere identiteiten die gecreëerd worden in het gebalkaniseerde, poststedelijke en –landelijke landschap. Het hedendaagse bestaan wordt ‘bevroren’ in afgesloten ruimtes. Deze strategie is ontwikkeld in amusementsparken, zoals Disneyland en de Efteling. Ze is op grote schaal toegepast in vakantiedorpen, natuurgebieden, golfbanen, recreatieterreinen en pretparken.4 Een andere toepassing heeft betrekking op de Vinexwijken. Het eendimensionale karakter ervan vormt tegelijk ook het probleem. Gek genoeg beantwoorden deze themaparken nog het meest aan de definitie die de Franse antropoloog Marc Augé aan ‘non-places’ gaf. Non-places zijn gebieden zonder geschiedenis en betekenis, optimaal afgestemd op de nomadische mens.5
Het Nederlandse Belvedèrebeleid is hierop een reactie. Dit in 2001 aangenomen beleid vertegenwoordigt een nationaal pleidooi om cultuurhistorische waarden te betrekken in ruimtelijke ontwikkelingen. Doel is “niet nostalgisch de tijd stil te zetten of terug te grijpen naar het verleden, maar de historie een plek te geven in de wereld van vandaag, in een doorlopende ontwikkeling.???6 Opvallend hierbij is dat het landschap niet gezien wordt als wat het is, met zijn eigen unieke karakter, maar als een landschap in ontwikkeling. Belvedère richt zich expliciet op “de historisch gegroeide identiteit die onlosmakelijk is verbonden met die ene plek of streek???. Identiteit is echter slechts een optisch effect van de krachten die in een bepaalde omgeving aan het werk zijn.
In de traditionele stad en op het platteland bestond een overeenkomst tussen vorm, functies en bezigheden. Zowel de balkanisering van het landschap als het Belvedèrebeleid zijn te beschouwen als evenzoveel pogingen om deze overeenkomst terug te vinden. Nadeel van het Belvedèrebeleid is, dat het leidt tot de zoektocht naar en de inpassing van historische sporen in ontwikkelingen. De enclaves voorzien omgekeerd de stad niet van nieuwe energie, maar slorpen deze juist op en verbruiken haar. De inzet zou juist moeten zijn om bruggen te slaan tussen het territorium waarin we leven en de plekken waar we wonen. “We moeten gebouwen en plekken ‘uitvinden’ die niet de oude segmentaties van het stedelijke leven reproduceren, maar levendige verbindingen vormen.???7
Nieuwe strategieën
De huidige pluraliteit van cultuur en samenleving maakt het moeilijk zo niet onmogelijk om een enkelvoudige ervaring te creëren. Betekenis kan alleen ontstaan door de manier waarop het landschap in het verloop van de tijd wordt gebruikt. Wat ontwerpers kunnen doen is dit gebruik aanmoedigen waardoor betekenis zal ontstaan. Ze moeten zich daarom richten op het voorzien in plezierige ervaringen.
Volgens Edward Relph kunnen plekken niet teruggewonnen worden op basis van de ‘grote visies’ van ontwerpers, omdat deze kwetsbaar zijn voor manipulatie door de ‘instant omgevingmachine’.8 Deze megamachine bestaat uit ideologieën, economische belangen, instituties en ontwikkelaars, planning- en ontwerpmethodologieën, grote organisaties en communicatiesystemen en technieken. Ze wordt gevoed door geld en een ongebreideld geloof in vooruitgang en groei. Plekken, landschappen, gebouwen en steden worden door deze megamachine op dezelfde manier behandeld als alle andere economische resources.
Om dit te doorbreken zou volgens Relph van binnenuit moeten worden gewerkt. Door zorgvuldig na te denken over het karakter van plekken en de manieren waarop nieuwe plekken kunnen worden gemaakt, kan de specificiteit van plekken worden herwonnen, Relph is van mening, dat betekenisvolle landschappen alleen kunnen ontstaan “door de betrokkenheid en inspanning van mensen die in dit landschap wonen en werken.??? Het landschap drukt niet meer de tegenstelling tussen natuur en cultuur uit, maar is opgenomen in een ruimer veld van relaties, dat grote mogelijkheden biedt. Een betekenisvol landschap ontstaat alleen door de accumulatie van alledaagse ervaringen. Betekenis wordt opgevat als een complexe reeks van gelaagde relaties.
Het landschap is een uitgestrekt veld dat relaties aangaat met samenleving, milieu en artefacten. De taak van ontwerpers is daarmee tweevoudig. Ze zullen hun werk moeten plaatsen in dit uitgestrekte veld. Daarnaast moeten ze het landschap op een zodanige manier ordenen dat de uiteenlopende invloeden erop tot uitdrukking worden gebracht. Hierbij spelen ideeën en concepten een rol die van betekenis zijn voor de gebruikers van het landschap en hun beleving ervan.
Reconfiguratie
De klassieke strategie van ordening is de reconfiguratie van de vorm van het landschap. Een goed voorbeeld hiervan is de Duindoornstad die Adriaan Geuze in 1995 voor de kust van Zuid-Holland ontwierp en die nog altijd actueel is.9 Tussen Hoek van Holland en Scheveningen is een nieuwe stad geprojecteerd die zich onderscheidt door haar grote landschappelijke kwaliteiten. Met deze kwaliteiten corresponderen uiteenlopende woonmilieus. Deze kuststad is te beschouwen als een groot kunstwerk. Voor de kust wordt een 160 meter breed kunstduin opgeworpen waarachter een 17 kilometer lang artificieel meer ontstaat. Een in het zuidelijke deel geplande 80 meter hoge zandheuvel verwaait in de wind en laat een duingebied met onbekende contouren ontstaan. Met de uitzaaiing van duindoorn neemt het proces van invasie en opvolging vervolgens zijn aanvang. Door de verschillende landschappelijke condities en door de aansluitingen op het vasteland kunnen zich uiteenlopende culturen ontwikkelen.
Ook het project Watergoed Kop van Overijssel dat Herman de Vries in 1999 maakte, speelt over een langere periode en is voor een breed publiek interessant. Opgave was de uitbreiding van de natuurgebieden de Wieden en de Weerribben in het Noordoosten van Overijssel. Samen met de landschapsarchitect Kees Kloosterman maakte De Vries een voorstel voor de herinrichting van een polder van agrarische bestemming tot moerasbos. In dit proces zal naarmate de natuur haar voltooiing bereikt, de kunst steeds meer terugtreden om uiteindelijk geheel te verdwijnen. Het voorstel bestaat uit een verdeling van het gebied in terrassen op basis van een eenvoudig blokkenpatroon. Deze terrassen liggen op verschillende hoogte en geven zo aanleiding tot verschillende ecologieën (riet, veen, moerasbos). Ze worden afgewisseld met sloten die deels bevaarbaar zijn en die samen een waterlabyrint vormen. Op deze manier ontstaat een watergoed, bestaande uit waterlanen, watertuinen en vijvers, afgewisseld met natte rietlanden, hooilanden en moerasbossen.
Reframing
Onder invloed van landschapkunstenaars zijn strategieën opgekomen waarin minimale interventies voorop staan.
Betekenis ontstaat door de ‘reframing’ van de manier waarop we een bijzondere setting ervaren.10 Een voorbeeld hiervan is de mobiele ‘bioscoop’ die Job Koelewijn in Ooststellingwerf construeerde.(zie elders in dit nummer) Deze kreeg een plek bij een T-kruising op het platteland ten zuiden van Oosterwolde. Het interieur is een verduisterde zaal waarin men zicht heeft op een oplichtend scherm dat bij nader inzien een venster op het landschap is. Door dit venster krijgen de toeschouwers een ander beeld van de alledaagse werkelijkheid.
Een ander voorbeeld ligt langs de A20 ter hoogte van het Terbregse Plein, een van de drukste knooppunten van Nederland. Ter bescherming van de Vinexwijk Nieuw Terbregge ligt een geluidswal van 2,5 kilometer. Deze marge van de snelweg is door Stichting het Observatorium opnieuw ingericht als een park. In dit park is dwars op de geluidswal een paviljoen geplaatst, dat een brug slaat tussen de nieuwe wijk en de snelweg. Op deze wijze komt een verbinding tot stand tussen de wereld waarin wordt gewoond (nieuwbouwwijk) en de wereld van het leven (de snelweg). Op het kunstwerk dat is gemaakt van vangrails, is een stalen constructie geplaatst die een uitkijkpunt over de omgeving vormt. Omgekeerd is vanaf de snelweg een deel van het paviljoen te zien, aangevuld met een reliëf van gestapelde brokken asfalt. Deze vormen de overblijfselen van een toegangsweg ten tijde van de bouw.
Hergebruik
Tot slot zijn er strategieën die betekenis proberen mogelijk te maken door middel van hergebruik. Een goed voorbeeld is het project van Sjaak Langenberg voor de polder Mastenbroek bij Zwolle.(zie elders in dit nummer) De ongekende weidsheid van het gebied vormt het unieke karakter van de polder. Het aardige is dat Langenberg ook oog heeft voor de bedrijvigheid van de boeren in dit gebied. Volgens hem is de opvolgingsproblematiek een veel grotere bedreiging dan de uitbreidingsplannen van de omliggende gemeenten. Door te zinspelen op de uitbreiding van de polder (in plaats van de stad) vindt een mooie omkering plaats. Ze daagt de bewoners van de polder uit om over hun eigen horizon heen te kijken. Mastenbroek zou in de hoogte kunnen uitbreiden. Een gestapeld landschap is al lang geen utopie meer.
Het ontwerpen en bouwen van een huis voor een gezin met een tuin is in Nederland een gecompliceerd thema geworden. Deze huizen worden afwisselend als een aantasting van het landschap of als een nastrevenswaardig doel in het kader van het ‘wilde wonen’ gezien. In sommige landsdelen is het echter nog een authentieke aangelegenheid die weinig van doen heeft met de gepropageerde burgerlijke droom van een eigen woning met een tuin. Met de nadruk op wisselende zichtlijnen en looproutes creëerde NAT Architecten in Breezand een dynamische bedrijfswoning. Om het schaalverschil tussen schuur en huis op te lossen, liet NAT de daklijn van beide in elkaar overlopen. In de woning zelf is het gevoel van eindeloosheid van de omgeving opgelost door het landschap te verinnerlijken in de vorm van een patio. Op deze wijze is de nabijheid van de woning afgestemd op de uitgestrektheid van de streek.
De stad en de regio zijn altijd beschouwd als passief en zonder enige weerstand, als het tegendeel van de actieve ontwerper. Het Groningse bureau Onix beschouwt de stad en de streek juist als actief en daarmee een aansporing voor de ontwerper. Het al bestaande dwingt ontwerpers om te handelen, te vernieuwen en naar nieuwe wegen te zoeken. Het bestaande is hierbij zowel het potentieel als het basismateriaal, zowel het uitgangspunt van het leven als het product en het effect ervan.11
Onix benadert de ontwerpvraagstukken van stad en regio door de nadruk te leggen op improvisatie, zodat kan worden omgegaan met het onverwachte. Door nieuwe woonprogramma’s in de regio te confronteren met lokale omstandigheden, kunnen “hyperspecifieke transformaties van het nu??? ontstaan. Een goed voorbeeld hiervan is de schuur van Onix voor een in Drente gevestigd modebedrijf. Het uitgangspunt van Onix is het lokale, maar in combinatie met het globale. Door nieuwe verbanden aan te gaan met de omgeving, kan de woningbouw weer het resultaat worden van improvisatie en creativiteit. Aldus ontstaan er plekken die nieuw ontstane verbindingen zichtbaar maken en daarmee vorm en betekenis geven aan gelaagde relaties in het complexe veld van het hedendaagse landschap.
1. John Brinckerhoff Jackson, Landscape in sight, Edited by Helen Lefkowitz Horowitz, Yale University Press, New Haven and London, 1997.
2. Harm Tilman, ‘Stad en netwerk. Verschijning en verdwijning van de stedelijke ruimte’, Oase, nr. 23, 1989, pp 2-9.
3. Reyner Banham, Los Angeles. The Architecture of Four Ecologies, Allen Lane, London, 1971.
4. Tracy Metz, Pret! Leisure en landschap, NAi Uitgevers, Rotterdam 2002.
5. Marc Augé, Non-lieux. Introduction à une anthropologie de la surmodernité, Seuil, 1992
6. ‘Ruimtelijk vernieuwen met identiteit’, ROM Special Belvedere, december 2002.
7. Massimo Cacciari, ‘Nomadi in prigione’, Casabella, nr. 705, oktober 2002, p 4-7.
8. Edward Relph, The Modern Urban Landscape, The John Hopkins University Press, Baltimore, 1987.
9. Aan Duindoornstad werkten mee: Adriaan Geuze, Edzo Bindels, Rene Marey, Arno de Vries, Guido Marseille en Erik Overdiep.
10. In de jaren zestig maakte kunstenaar Robert Smithson een tocht naar de industriestad Passaic in de staat New Jersey. De bruggen, pompen en leidingen die hij fotografeerde, krijgen de betekenis van monumenten.
Zie: ‘A Tour of the Monuments of Passaic, New Jersey’, in: The Writings of Robert Smithson, Edited by Nancy Holt, New York University Press, pp 52-57.
11. Elizabeth Grosz, ‘Notes on the thing’, Perspecta 33, The MIT Press, 2002, pp 78-79.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte













