kunstenaar: Ingo Vetter, Nils Norman, Dan Peterman
opdrachtgever: SKOR
Als onderdeel van het onderzoek ‘The world is my playground’ van Döll - Atelier voor Bouwkunst en architectuurhistoricus Liane Lefaivre (dat medio april 2005 wordt afgerond) organiseerde SKOR in december 2004 een workshop. Doel van de workshop was om verschillende deskundigen en kunstenaars hun onderzoeken te laten presenteren naar de stedenbouwkundige potenties van speelterreinen. Naoorlogse moderne woonwijken in Nederland, zoals de Bijlmer en Hoogvliet, zijn dringend aan renovatie toe. De betekenis en de mogelijkheden van restruimtes worden in Hoogvliet als case study onderzocht. Tot de deelnemers van de workshop behoorden rechtsfilosoof Gijs van Oenen, ecoloog Matthijs Schouten en beeldend kunstenaars Ingo Vetter (DLD), Dan Peterman (VS) en Nils Norman (VK). Samen met bestuurders, de organisatoren van Playgrounds en van de workshop gingen zij op pad in Hoogvliet en besteedden zij een middag aan het bespreken van elkaars standpunten.
Ingo Vetter
,
Nils Norman
,
Dan Peterman
Workshop Playgrounds Hoogvliet
Nils Norman, Monster Adventure Playground
Verslag van een workshop over Speelterreinen in Hoogvliet
Een groot deel van de Nederlandse woningvoorraad bevindt zich in de grootschalige, snelgebouwde moderne woonwijken van kort na de Tweede Wereldoorlog en is inmiddels aan massale vernieuwing toe. Zo'n grootschalige renovatie van naoorlogse woonwijken dwingt tot bezinning over het gebruik van de openbare ruimte. De aanpak van de wijk Hoogvliet in Rotterdam is daarvan een goed voorbeeld. Het is een van de eerste projecten waar SKOR bij betrokken is.(1)
Architectuurhistorica Liane Lefaivre (Delft en Wenen) en Döll - Atelier voor Bouwkunst (Rotterdam) vroegen SKOR een bijdrage te leveren aan hun onderzoek ‘The world is my playground’. Dit onderzoek brengt theorie en praktijk samen in een scenario voor de ontwikkeling van een speelnetwerk. Het project benadert de speelplaats vanuit een stedenbouwkundig perspectief en heeft tot doel de speelplaats als ontwerpopgave hoog op de agenda te zetten. Hoogvliet was een van hun case studies.
De bijdrage van SKOR bestond uit een workshop, die op 13 en 14 december 2004 plaatsvond. Een gezelschap met uiteenlopende expertises werd uitgenodigd om ideeën aan te dragen voor de verschillende functies en potenties van de open ruimte in het algemeen en van speelterreinen in het bijzonder. Tot de deelnemers van de workshop behoorden rechtsfilosoof Gijs van Oenen (Universiteit Rotterdam), ecoloog Matthijs Schouten (Universiteit Wageningen) en beeldend kunstenaars Dan Peterman (Chicago), Ingo Vetter (Berlijn) en Nils Norman (Londen). Samen met bestuurders en functionarissen uit Hoogvliet, onderzoekers van Playgrounds en medewerkers van SKOR trokken ze de parken en de negen wijken van Hoogvliet in en namen ze deel aan een ronde tafel gesprek.(2)
Een historisch voorbeeld voor de inpassing van speelterreinen in stedenbouwkundige plannen is gegeven door Aldo van Eyck, Jacoba Mulder en Cornelis van Eesteren in de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam. Speelterreinen vormden in hun ogen een netwerk dat door het stedelijk netwerk heen is geweven. Liane Lefaivre en Henk Döll onderzoeken of het paradigma van Aldo van Eyck c.s. nog relevantie heeft. In de stedenbouwkundige praktijk is het inplannen en ontwerpen van speelterreinen weliswaar nooit een serieus onderwerp, toch zouden speelterreinen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het sociale leven. Het is dan ook belangrijk om speelterreinen niet alleen te zien als plekken voor kinderen. Je zou de betekenis ervan juist ruimer op moeten vatten en een veel groter deel van de bevolking bij het ontwikkelen ervan betrekken. Op dit moment wordt elke vrijkomende plek door investeerders zoals woningbouwverenigingen en projectontwikkelaars volgepland. Er is nauwelijks nog ruimte voor privé-initiatieven van mensen van kleine organisaties. Juist omdat alles zo tot in details gepland en vormgegeven wordt, is het uiterst moeilijk om goed in te kunnen spelen op de werkelijke behoeftes van de gebruikers.
Hoogvliet kampt met werkloosheid, verpaupering, vergrijzing en sociale en etnische segregatie. Tegelijkertijd is het naoorlogse woningbestand niet meer toegesneden op de behoeften van nu: klein, primitief, gehorig, geen c.v., geen lift, geen woonkeukens enzovoorts.
Een grote maar onderontwikkelde kwaliteit van Hoogvliet is wel de ruime aanleg. De oeverbossen langs de rivier zijn ecologisch bijzonder en prachtig. Maar de overmaat aan openbare ruimte tussen de woonblokken, vooral bestaand uit monotone grasvelden en suffe struikjes, wordt nu ervaren als leeg en saai. Al die grasvlakten met struikjes nodigen niet uit tot een levendig en gevarieerd gebruik. Ze zijn destijds al aangelegd met krappe budgetten. De laatste jaren wordt bovendien steeds meer bezuinigd op het onderhoud. De gemeenten en de woningcorporaties die ze beheren hebben er eigenlijk niet genoeg geld voor en de bewoners kunnen er in de huidige staat niet veel mee. Toch zou een volledige privatisering geen recht doen aan de wensen en de mogelijkheden van de bewoners. Terwijl verouderde en krappe portieketagewoningen in rap tempo worden vervangen door ruimere en beter uitgeruste appartementen en eengezinshuizen in laagbouw, blijft het denken over gebruik en inrichting van de open ruimte nog een onontgonnen terrein. De kernvraag die aan de genodigden werd gesteld, luidt dan ook: “Welke rol zou het speelterrein bij de ontwikkeling van de publieke ruimte van Hoogvliet kunnen spelen?�
De kunstenaar Nils Norman deed recentelijk onderzoek naar wat hij zelf noemt ‘adventure playgrounds’. Dat zijn speelterreinen waar veel ruimte is voor een onverwacht gebruik. Hij dook daarvoor in de geschiedenis en schetste een ontwikkeling van speelterreinen sinds eind jaren dertig. Zo hield de Deense landschapsarchitect Sorensen bewust lege plekken vrij in zijn buurt- en landschapsontwerpen. Deze zogeheten ‘playscapes’ werden door kinderen spontaan in gebruik genomen. Vervolgens begon men in Denemarken bewust ‘adventure playgrounds’ aan te leggen. Door kinderen werden deze ‘s zomers opgebouwd en in de winterperiode weer verlaten.
In de laatmodernistische stedenbouw ontstaan met name in Engeland en Duitsland speelterreinen, die door kinderen zelf ontworpen en ingericht werden. Door toenemende verantwoordelijkheidskwesties en regelgeving wordt het echter steeds moeilijker kinderen een rol in het ontwerp ervan te geven. Voor Norman hebben deze plekken vooral betekenis als ecologische niche. Vaak zijn het waardevolle habitats, die gedurende lange tijd nauwelijks veranderden. Slechts de omgeving wijzigde.
Een van de meest interessante dingen aan ‘adventure playgrounds’ is dat kinderen structuren bouwen zodat ze met de voeten van de grond kunnen blijven. Deze ‘catwalks’ bieden slechts een structuur aan om te spelen, ze schrijven niet voor hoe. Je kunt ze op allerlei manieren gebruiken. Daarnaast is het van belang dat er gegraven kan worden, vuurtje gestookt en met water gespeeld. Op deze manier ontstaat er een besef van ecologie en omgeving. Met name dit type plekken of ecologische zones, zoals hij ze noemt, laat zien dat kinderen uit zeer verschillende culturen en met een verschillende sociaal-economische achtergrond er gebruik van maken. Voor Norman is dit een extreem voorbeeld van publieke ruimte, maar wel een voorbeeld dat waardevolle elementen in zich draagt, die tot voorbeeld kunnen dienen voor het ontwerpen van nieuwe speelterreinen.
Ingo Vetter bestudeerde twee voorbeelden van plekken die ‘gekraakt’ werden en tot voorbeelden van spontane stedelijke agricultuur leidden. Een was een braakliggend stuk grond vlak bij de muur in Berlijn, dat al in 1971 werd gekraakt. Hier ontstond een soort kinderboerderij doordat omringende bewoners er kippen, geiten, varkens enz. gingen houden. De plek werd gebruikt door heel verschillende groepen op verschillende tijdstippen. Het onderhoud gebeurde door de gebruikers zelf.
Het andere voorbeeld is het vervallen en verlaten stadscentrum van Detroit. Slechts de allerarmsten bleven er wonen, de rijken trokken weg naar de buitenwijken nadat de auto-industrie ineenstortte en niemand meer de verantwoordelijkheid voor de binnenstad nam. Mensen begonnen de vrijvallende grond te gebruiken om er te zaaien en te oogsten, niet zozeer om te overleven maar als een symbolisch statement om te laten zien dat dit hun grond is en dat ze die gebruiken. Zo heeft een vrouw zich grond van de gemeenschap toegeëigend om er groenten en kruiden te kweken die nergens meer te verkrijgen zijn.
Deze beide voorbeelden dienen als referentie voor de inzending die Ingo Vetter maakte voor een prijsvraag in München. Gevraagd werd een publieke ruimte te ontwerpen in een wijk in München die door speculatie en gentrificatie is getransformeerd van een achterstandsbuurt tot een wijk voor mensen met geld. In deze publieke ruimte, die omringd wordt door dure koopflats, zou ruimte moeten zijn voor de resterende groep oorspronkelijke bewoners. Er werd onder meer gevraagd om de identiteit van die ruimte te bepalen.
Het paradoxale is echter dat mensen een publieke ruimte pas als prettig ervaren als deze door een homogene groep wordt gebruikt. Voor Ingo Vetter geldt dat een publieke ruimte daarentegen juist diversiteit zou moeten kennen en voor verschillende groepen toegankelijk moet zijn. Ze zou een informeel karakter moeten hebben, zodat allerlei gebeurtenissen en activiteiten hierdoor kunnen worden gestimuleerd. Immers, identiteit komt juist voort uit het botsen van allerlei betekenissen. Interventies die dit proberen te voorkomen moeten dus worden vermeden. Hij stelde dan ook voor om zoveel mogelijk de boel te laten zoals het was en slechts een frame te ontwerpen waarbinnen van alles mogelijk is. Een frame als een soort drager van steeds wisselende activiteiten en gebeurtenissen. Omdat dit voorstel veel geld zou besparen stelde hij voor het resterende bedrag te besteden aan het ontwikkelen van scenario’s die ideeën zouden genereren voor de buurt.
Ook voor Hoogvliet zou hij graag zien dat er geen fysieke producten worden ontwikkeld, die het gebruik vastzetten, maar dat er juist voorwaarden worden gecreëerd voor een bijzonder en onverwacht gebruik. Hoogvliet wordt omringd door ruige rivierbossen. Hij pleit ervoor deze te laten zoals ze zijn. Daar geen avonturenspeelplaatsen of wat dan ook inrichten. Die zijn beter op hun plaats in de ongedifferentieerde open groene ruimtes tussen de bebouwing. Zulke ruimtes zou hij beschikbaar willen stellen voor verschillende groepen om ze te gebruiken en te verbijzonderen. Die ruimtes zouden juist meer verdicht moeten worden.
Dan Peterman is vooral geïnteresseerd in organische processen in de stedelijke samenleving, minder in het geïsoleerde begrip speelterrein. Hij leeft al geruime tijd in Chicago op de grens van een welvarende middenstandsbuurt en een achterstandsbuurt. De universiteit van Chicago ligt hier als een geïsoleerde enclave naast. Na zijn studententijd aan de kunstenfaculteit van de Universiteit van Chicago sloot hij zich aan bij een groep die allerlei interventies deed om de buurt en het buurtleven te verbeteren. Hij was onder meer betrokken bij het opzetten van winkels met gerecycled materiaal. Zo ontstond een fietswinkel waar kinderen uit de buurt onderdelen konden verkrijgen voor het bouwen van hun eigen fiets. Een braakliggend terrein werd later weer zodanig bewerkt dat er met de fiets kon worden gecrost. Peterman is vooral geïnteresseerd in de condities die allerlei processen op gang brengen en deze op hun buurt weer toevoegen aan de bestaande lokale complexiteit. Bij deze interventies wordt steeds gebruik gemaakt van de beschikbare bronnen en de bestaande voorwaarden. Er wordt geen tijdsspanne vastgesteld, evenmin worden de uitkomsten tevoren vastgelegd om juist mogelijkheden voor experiment te creëren. Peterman probeert zo alternatieve modellen te vinden voor het ontwikkelen en stimuleren van organische processen in plaats van planmatige processen, waarbij alles al tevoren is vastgelegd. Zijn project 'standard kiosk' (zie afbeelding) kwam tot stand i.s.m. MCA Chicago en het Chicago Park District.
Volgens ecoloog Matthijs Schouten, die naast ecologisch onderzoek ook onderzoek deed naar de perceptie van landschap, zijn er in hoofdzaak twee typen landschap te onderscheiden: het natuurlijke landschap en het semi-natuurlijke landschap. Tot het eerste type behoort de ‘wilde’ natuur, het tweede is het (agri-)cultuurlandschap. Hij zou aan beide typen de Nietzscheaanse tweedeling van het Dionysische en Apollinische willen koppelen. Het eerste is natuurlijk en kent geen oriëntatie in ruimte en tijd. Het tweede type is semi-natuurlijk, ontstaan door interactie met de mens. Dit type zorgt voor ervaringen van harmonie, sereniteit en kent oriëntatie in ruimte en tijd; de betrekking tussen de geomorfologie en de bewoningsgeschiedenis is voorstelbaar, het landschap is leesbaar als een boek.
Het oeverbos dat Hoogvliet omringt, refereert volgens hem aan het Dionysische landschap, het oude dorpscentrum, ooit een vissershaven, aan het Apollinische met zijn herkenbare, door mensenhanden aangeraakte topografie, de dijk, de kerk, het wegenpatroon. In Hoogvliet onderscheidt hij nog een derde type, namelijk het rationele landschap. De naoorlogse woningbouw is ontworpen op de tekentafel en direct omgezet in de realiteit. Dit kent geen historische groei, is ‘plaatsloos’ en hij zou het dan ook willen kwalificeren als het rationele landschap. In de grote naoorlogse aanleg van Hoogvliet ontbreekt het Apollinische landschap, terwijl mensen juist grote waardering hebben voor dit type landschap. Slechts een klein percentage heeft waardering voor het Dionysische. Voor het rationele landschap zijn nog minder liefhebbers.
Matthijs Schouten stelt dan ook voor om de vele groene open ruimtes, die nauwelijks gebruikt worden als publieke ruimte, beter te benutten en daar nieuwe ervaringen te laten ontstaan. Hierbij zou gebruik gemaakt moeten worden van de geomorfologie zodat het landschap weer leesbaar wordt. Bijvoorbeeld zandspeelplaatsen op de hoger gelegen zanderige gronden en waterspeelplekken op de lager gelegen veenachtige gronden. De speelplaatsen zouden moeten worden ingezet om de natuur weer terug te brengen in het culturele domein. Nu dreigt steeds vaker natuur in getto’s te worden ondergebracht waardoor kinderen nauwelijks nog een verbinding hebben met natuur. Behalve de natuur, zou ook de oriëntatie op plaats en tijd, de betrekkingen tussen de geomorfologie en de bewoningsgeschiedenis, weer terug gebracht moeten worden.
Filosoof Gijs van Oenen is het niet eens met het uitgangspunt van Johan Huizinga’s Homo Ludens, dat hij een ouderwets en saai boek vindt. Volgens hem hebben mensen geen essentiële behoefte aan spel. Spel zou je juist als een bijzondere karakteristiek moeten zien, die oplossing kan bieden voor bepaalde vragen en problemen in de hedendaagse maatschappij. Nieuw Babylon, dat de homo ludens gedachte van Huizinga tot uitgangspunt heeft, vindt hij dan ook een goed voorbeeld van een slecht idee. De kunstenaar Constant onderscheidt op basis van Huizinga’s boek twee sferen, namelijk die van de productie van noodzakelijkheden en van het vrije leven, de ontspanning. Deze scheiding is volgens Gijs van Oenen uiterst problematisch als er geen verbinding is tussen beide sferen. In de stadsplanning van de jaren zestig en zeventig heeft de scheiding van werken, wonen en vrije tijd diep ingegrepen. Publieke en private functies werden uitgesplitst en gescheiden en letterlijk op verschillende niveaus uitgewerkt. De Bijlmer is daarvan een beroemd voorbeeld, maar ook in Hoogvliet zie je deze disconnectie van verschillende sferen terug. Volgens Gijs van Oenen moet je het spel niet als het hoogste niveau zien, maar juist als een mogelijkheid om verschillende niveaus met elkaar te verbinden, als een bemiddeling tussen publieke en private aspecten van het leven.
Sinds de jaren zeventig zijn mensen veel individualistischer geworden, ze vormen geen eenduidige gemeenschap meer, ze zijn autistisch en gedragen zich als zodanig. Van Oenen onderscheidt drie typen gedrag, die gerelateerd zijn aan hoe mensen zichzelf in de publieke ruimte zien.
1. Nimby (not in my backyard): Je bent niet geïnvolveerd. Er bestaat waardering voor publieke zaken, maar je kan de negatieve gevolgen ervan voor je zelf niet accepteren. Het is allemaal best zolang het jezelf niet hindert.
2. Capsulair (zie Lieven de Cauter, De Capsulaire Samenleving, NAi Uitgevers): Mensen trekken zich terug uit de publieke ruimte en handelen alsof ze er eigenlijk niet zijn. Bijvoorbeeld iemand met een walkman op in de trein.
3. Interpassief: Je neemt notitie van je omgeving, maar bent tegelijkertijd verbonden met je persoonlijke leven. Bijvoorbeeld de mobiele beller in de trein. Je bent je bewust van het publieke leven, maar omdat je in verbinding staat met je privé-leven heb (en wil) je geen interactie.
Deze drie verschijnselen hebben de publieke ruimte ingrijpend veranderd. In een netwerksamenleving maak je deel uit van verschillende domeinen tegelijkertijd. Gijs van Oenen pleit voor een soort overgangsruimten, ‘playgrounds’, die informeel zijn en die een verbinding kunnen maken tussen het publieke en het private leven. Hij stelt een soort do-it-yourself-omgeving voor, waar die verbindingen gemaakt kunnen worden. Deze verbindingen zouden er niet alleen op fysiek niveau maar ook op virtueel niveau moeten zijn. Laat die verbindingen zien. Het maken ervan is een vorm van spel.
Noot 1. Eerder heeft SKOR in het kader van de wijkverbetering al een bijdrage geleverd aan het scholenproject van WIMBY, eveneens in Hoogvliet.
Noot 2. Aan de workshop namen de volgende personen deel: Jacqueline Cornelissen, Henk Döll, Alijd van Doorn, Ineke van Dort, Govert Grosfeld, Peter Hoogvliet, Wilma Kempinga, Liane Lefaivre, Suzanne van Loen, Nils Norman, Gijs van Oenen, Dan Peterman, Matthijs Schouten, Ingo Vetter.
Nagekomen e-mail van Ingo Vetter op 8 maart 2005.
Beste Govert en Colette,
De bijeenkomst in Hoogvliet heeft al weer twee maanden geleden plaats gevonden. Ik wilde jullie steeds toch nog wat commentaar sturen en voordat ik weer met lopende projecten verder ga, wil ik jullie een en ander schrijven:
Ik was erg blij met jullie invitatie voor het Hoogvliet project omdat het zo goed aansluit bij mijn belangstelling voor een nieuwe manier van omgaan met stedelijke gemeenschappen. De laatste jaren ben ik erg in beslag genomen door onderzoek naar planning in postindustriële en/of krimpende steden. Hierbij is planning niet gebaseerd op stedelijke uitbreiding ten behoeve van economische groei. De planning focust zich alleen nog op de winstmogelijkheden van investeerders. Vanuit een neoliberale visie bekeken, waarbij de bewoner nog slechts als consument wordt gezien, betekent dit dat ontwikkeling zich beperkt tot het creëren van mogelijkheden om te consumeren, oftewel eilandjes van winst maken, zelfs onder de slechtste omstandigheden. Tegenwoordig accepteert de economie sociale ongelijkheid tenminste zolang deze geen gewelddadige relletjes veroorzaakt (en zelfs dan nog). Armoede wordt gezien als een natuurlijk gegeven van de maatschappij. De arme inwoners worden zelfs gezien als betere consumenten omdat zij niets te sparen hebben, het kapitaal is voortdurend in beweging.
In sociaal progressieve zin zou eigenlijk de gemeenschap zelf het kernbelang moeten zijn. Hoe kan deze zich ontwikkelen als de arbeidsmarkt in elkaar stort en investeerders vertrekken. Voor de officiële overheid en de economie is het een nachtmerrie om modernistische structuren ineen te zien storten en te zien hoe informele, spontane en zelforganiserende initiatieven de stad overnemen. Ik zou graag dit probleem positiever willen benaderen en de aandacht richten op de soevereiniteit van de buurten. Ik organiseer momenteel een conferentie in Berlijn waar ik dit fenomeen “Kiezism� noem(van Kiez dat buurt betekent en dat uit het slavisch komt waar het dorp betekent). Dit houdt ondermeer het teruggeven van verantwoordelijkheid aan de buurten in, met name wat betreft het ruimte- en grondgebruik. Naast de sterk geformaliseerde sferen van private, publieke en werkruimtes, is er behoefte aan een vierde type: “to reclaim the common� (het terugwinnen van het gemeenschappelijke) zoals de Amerikaanse ‘community gardening’ activist Karl Linn het noemde. Hiermee wordt een gemeenschappelijk eigendom bedoeld dat een bepaalde groep mensen mag gebruiken. Het model is afkomstig uit de tijd van ‘farming societies’ (landbouwverenigingen), toen de gemeentelijke overheden de armen land gaven om in hun levensbehoeften te voorzien. Ik wil niet zeggen dat landbouw de oplossing is voor eigentijdse stedelijke problematieken, maar de ‘meenten’ of de gemeenschappelijke gronden zouden een bruikbaar instrument kunnen zijn om ruimte weer terug te veroveren binnen bestaande steden.
De situatie in Hoogvliet is interessant omdat het een woongebied is in de buurt van sterk vercommercialiseerde stadscentra. Aanvankelijk was de buitenwijk gebouwd voor de arbeiders van de nabij gelegen industrieën. In de loop der tijd werd Hoogvliet steeds meer een restplek voor goedkope huisvesting. Ik kan de reconstructieplannen van de twee woningbouwverenigingen alleen maar zien als pogingen om onder de gegeven omstandigheden hun verdiensten veilig te stellen. Met andere woorden: een achterhaald naoorlogs model wordt vervangen door een hedendaags model dat zich op de particuliere markt richt. Deze aanpak houdt nauwelijks rekening met de huidige bewoners en de opmerking van Jacqueline Cornelissen (wethouder van de deelgemeente Hoogvliet) dat de meeste van hen stedelijke nomaden zijn die steeds naar plekken zullen verhuizen die goedkoper zijn, is dan ook erg cynisch. Door de samenstelling van de bevolking van Hoogvliet te veranderen, wordt de wijk homogener en vergelijkbaar met een VINEX-wijk, maar de gewenste identiteit zal zo niet worden gevormd. Het playground-concept van Liane Lefaivre en Henk Doll is een mooie aanpak, maar zelfs zij waren verbijsterd door de plannen van de ontwikkelaars. Met deze plannen worden de speelterreinen nauwelijks meer dan betere versies van de bestaande. Ik betwijfel of de speelterreinen wel een begin kunnen zijn van een nieuwe benadering van de publieke ruimte en van het gemeenschapsleven als niet anders over openbare ruimte en de betekenis daarvan wordt nagedacht.
Tijdens de bijeenkomst had ik het over een bufferzone tussen de private en de publieke sfeer, een plek waar mensen zelf verantwoordelijkheid kunnen nemen voor een afgebakend gebied en waar zij hun eigen interesses kunnen laten gelden. Hiermee bedoel ik niet dat openbare ruimte geprivatiseerd moet worden, maar dat hier mogelijkheden geboden worden voor een gemeenschappelijk gebruik. Ik denk hierbij aan de bezorgdheid van Gijs van Oenen over het vinden van oplossingen voor problemen die voortkomen uit de huidige interpassiviteit en aan het idee van Matthijs Schouten om het arcadische landschap in de stad terug te brengen. Ook Nils Normans voorbeelden van avontuurlijke speelterreinen of Dan Petermans kiosken om stadsruimten in beslag te nemen, laten de noodzaak zien van een nieuw kader. Als de modernistische notie van openbare ruimte buiten gebruik begint te raken en wij op zoek zijn “naar een nieuw publiek domein�, zoals Arnold Reijndorp en Maarten Hajer het noemen, dan moeten we ons weer focussen op locale situaties en kunnen met name de woongebieden een nieuwe importantie krijgen. Daarom zou het mijn voorstel zijn om de speelterreinengedachte onderdeel te laten zijn van een groter en omvattender concept dat gemeenschappelijke gronden opnieuw vestigt. Dit zal verder moeten worden uitgewerkt en ik zie een spannende uitdaging in het motiveren van bewoners voor een dergelijk soort publieke betrokkenheid. Sommige van mijn ervaringen met krimpende steden lieten zien dat het betrekken en motiveren van bewoners een sterk en succesvol instrument is.
Deze gedachten en ideeën zijn beïnvloed door de huidige situatie in Berlijn waar 500 ha grond binnen de stadsgrenzen verlaten zijn en waar particulieren en overheden over alternatief gebruik van de ruimte discussiëren. Hoewel deze situatie erg verschilt met die in Nederland, hoop ik toch dat jullie van mijn ideeën gebruik kunnen maken en ik zie uit naar de volgende stap in het project.
Hartelijke groet,
Ingo Vetter
en redactie: SKOR, Govert Grosfeld en Liesbeth Melis, 18 maart 2005
'The world is my playground' wordt mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van het Stimuleringsfonds voor Architectuur.
Zie ook www.speelwereld.nl en www.dollab.nl (klik ‘werk’ en ‘playgrounds’)
Stichting Kunst en Openbare Ruimte

















