auteur: Benzakour
Mohammed Benzakour was één van de acht wandelaars die in 2002 een verkenningstocht maakten door het recreatiegebied De Krabbeplas. Benzakour legde zijn observaties vast in een verhaal, waarin hij tevens de toekomstige mogelijkheden schetst. Case Study krabbeplas is een project in opdracht van SKOR en de gemeente Vlaardingen. In dit project wordt het huidige functioneren en de betekenis van recreatiegebieden in deze tijd onderzocht.
Mohammed Benzakour
Een brief
Wee de mens door wiens toedoen het bos zucht en de bergen wenen,
Selma Lagerlöf, schrijfster van o.a. ‘Nils Holgersons wonderbaarlijke reis door Zweden’
Geachte burgemeester Stam, beste burgers van Vlaardingen,
U kent hem vast wel, dat oude gezegde: ‘God schiep de aarde, de Hollanders bepaalden de richting.’ Veelzeggend. Maar die richting, hoe nobel soms ook bedoeld, blijkt niet altijd de weg naar Rome, of beter: naar Toscane, te zijn.
De natuur in Nederland staat onder hevige druk. Met het huidige ‘asfalt-kabinet’ zal die druk hoge toppen bereiken. Het naturelle moet hoe langer hoe meer wijken voor het surrogaat, het authentieke voor het kunstmatige en staal en metaal overwoekeren steeds meer het frisgroene landschap. Ga maar na: zelfs als je midden op de Veluwe loopt, en de oren spitst kun je ieder kwartier een auto of vliegtuig in de verte horen ronken.
Maar het blijft niet bij lawaai alleen. Planten en dieren die vroeger gemeengoed waren, zijn vandaag de dag een zeldzaamheid of in het geheel uitgestorven. Denkt u maar aan de Laatste Otter, die onlangs ergens in het Naardermeer, geloof ik, werd gesignaleerd. Algemene oorzaken zijn uiteraard de bevolkingsdichtheid en de haast compromisloze focus op productie, welvaart en consumptie. De trefwoorden zijn bekend: verdroging, verzuring, vermesting, versnippering en, niet op de laatste plaats: verlies van stilte en duisternis. We staan er nauwelijks bij stil, maar wie kent nog een plekje in Nederland met Totale Duisternis? Of Volledige Stilte? We lijken niet meer te kunnen functioneren zonder lawaai en licht. Of nog erger: we zijn er onbewust, ongewild verslaafd aan geworden. Zonder lawaai of licht worden we onrustig, weten ons geen raad. Bij elke ‘leegte’ grijpen we naar de cd-speler of de mobiele telefoon. We raken in paniek als het licht uitvalt. Hoe jammerlijk, hoe armoedig! Want wie weten wil waartoe duisternis kan dienen zou eens de maan moeten zien opkomen in een stikdonker woestijnlandschap. Die enorme uitdijende gele bal aan een roetzwart firmament, tegen een totaal lege achtergrond, niet verstoord door lantaarns of helverlichte torenflats; wie dat nooit heeft meegemaakt heeft de maan nog gezien.
En wie kent nog de heilzame werking van stilte? Ikzelf heb het afgelopen zomer ervaren, en eerlijk gezegd voor het eerst in mijn kortstondig bestaan; in de Spaanse Sahara, Marokko. En jawel, ik moet toegeven: stilte is een eeuwige hymne, zoals de hooggeleerde priester Antoine Bodar eens schreef. Stilte is de lofzang, waardoor alle bomen ruisen en alle vogels zingen. Zij paart zich aan vrede en gerechtigdheid, liefde en zuiverheid. Zij is bespiegeling die veel zwijgt en weinig spreekt. Zij is schoonheid, niet aangetast door lawaai of neonlicht. Zij is overvloed aan licht op de dag, overvloed aan duisternis in de nacht. Zij is volheid die ledigheid geeft. Zij zoekt als gezellin de eenzaamheid die ruimte geeft en leven laat, die vriendschap voedt en trouw bewijst.
Wel, dit kleine inleidinkje is nodig, opdat u ongeveer weet waar ik sta.
Heren, afgaande op de grote stapel rapporten, notities, beschouwingen, plannen op mijn tafel bent u druk doende met de herinrichting van het gebied de Krabbeplas. Dat geeft de burger moed. Want niet alleen de inwoners van Vlaardingen zijn gebaat bij een schone en behaaglijke Krabbeplas. Een naargeestig of lelijk groengebied is deprimerend. Een mooi stukje natuur daarentegen spreekt tot de verbeelding, prikkelt de zinnen en zet aan tot denken. Maarten Luther zei niet voor niets ‘als morgen de wereld vergaat, plant ik vandaag nog een boom.’ In de vrije natuur komen de creatieve krachten van een samenleving samen. Bossen en landschappen zijn trekpleisters voor binnen- en buitenlanders. In de natuur gebeurt het. U bewijst dus eindeloos veel mensen een dienst door zich met overgave in te zetten voor een mooie en attractieve Krabbeplas.
Vraag is alleen: wat is mooi, wat is attractief? Wat wenst de moderne burger?
Aan mij heeft u gevraagd om een observatieverslag te maken van het gebied Krabbeplas en daarbij ook te kijken naar wat ‘kunst’ zou kunnen betekenen in zo’n gebied. Blijkbaar verwacht u dat ik aanstekelijke of nieuwe inzichten kan toevoegen aan hetgeen u en uw medewerkers al eerder hebben bedacht. Wel, ik hoop u niet teleur te stellen. Ik ben geen herbarist of bioloog, noch milieudeskundige of dierecoloog. Zelfs kun je erover twisten of ik een kunstenaar ben. Op z’n gunstigst ben ik een eenvoudige volksjongen, een gemiddelde natuurliefhebber, die toevallig zijn (grillige) zieleroerselen bij voorkeur aan het papier toevertrouwt. Welaan, hier volgen dan mijn hoogst particuliere impressies en reflecties, welks u hopelijk met een niet al te ernstig gemoed tot u zult nemen.
Wat betreft de kunst en haar rol in een natuurgebied kan ik kort zijn. Voor mij geldt: een goed natuurgebied is een kunstloos natuurgebied. Om misverstanden te voorkomen: ik ben geen kunsthater of cultuurbarbaar, integendeel: ik ben dol op de werken van Steen, Bosch, Reve, Hals en kompanen. Zelfs een kwibus als Mondriaan, wiens doeken volgens velen evengoed bij het grofvuil kunnen worden bijgezet, kan ik waarderen. Wél ben ik van mening dat de natuur an sich, in de meest zuivere zin, reeds als groot kunstwerk zou kunnen worden beschouwd én ervaren. God is een weergaloze kunstenaar die voortdurend exposities houdt. En door menselijke kunst temidden van een goddelijk kunstwerk te plaatsen, hoe goedbedoeld ook, wordt een op zichzelf uniek en onvervangbaar esthetisch-organisch systeem, hoe dan ook, verstoort. Ik zie mij hierbij gesteund door de treffende woorden van Bernardin de St. Piere: “Il n’y a point d’ouvrage de la nature, qui ne renforce son consert particulier, ou si l’on veut, son caractère naturel, par l’habitation de l’homme, et qui n’ajoute à son tour à l’habitation de l’homme quelque expression de grandeur, de gaieté, de terreur ou de majesté.�
(Vrijelijk vertaald: Er bestaat geen enkel werkstuk van de natuur dat in haar karakteristieke aard, of, zo men wil, haar natuurlijke karakter versterkt wordt door het bestaan van de mens, en dat op haar beurt aan het bestaan van de mens een bepaalde uitdrukking van grootsheid, vrolijkheid, verschrikking of verhevenheid toevoegt.)
Met andere woorden: puur natuur en pure kunst vullen elkaar niet aan, althans niet in versterkende, synergetische zin. Eerder verstoren ze mekaar. Een goed menselijk kunstwerk zou een duiding moeten zijn van de natuur om ons heen, en er is geen natuur die een duiding van zichzelf in haar midden zal kunnen verdragen. Tot zover de kunstparagraaf.
Op die bewuste dag, 9 juli 2002, scheen de zon opmerkelijk gul. Het was een fijne dag om de fiets te bestijgen. Tijdens de wandeling, en onder de inspirerende begeleiding van uw voortreffelijke gastheer - Hans van Buuren – en in gezelschap van de journaliste Adrianne de Koning, die daags na de tocht er een alleraardigst verslag van maakte in het RD, heb ik mijn gedachten laten varen over wat ‘mooi’ en ‘ontspannend’ is. Ofschoon men over deze adjectieven lang kan filosoferen was na afloop simpelweg mijn eerste indruk: ‘wat een fijn en rustig stukje natuur.’ Ik vond dat voor de gemiddelde stedeling, die dagelijks omringd is door gierend beton en staal, de Krabbeplas helemaal geen onaardige plek is. En dat vind ik nog steeds. Men hoort er geen trams, geen claxons en ook dringen er geen brute motoren je aan je op. Het is er verstild en kalm, en dat is wat waard. J. C. Bloem zou weliswaar meewarig zijn hoofd hebben geschud (“natuur is er voor tevredenen of legen�), maar wij wonen niet allen in de Dapperstraat, waar of niet? Afijn, met die tevreden gedachten ben ik na afloop, na de koffie en de ijsthee op het Golfclub-terrasje, huiswaarts gekeerd.
En toch. Toch was er iets wat aan mij bleef knagen. Iets had mij gestoord, en wat dat precies was besefte ik pas veel later, ergens in de Marokkaanse woestijn, liggend in mijn slaapzak, suizebollend van de muntthee en nobele gevoelens. Toen pas besefte ik dat men in de Krabbeplas bij praktisch alles bepaald heeft wát er mag groeien en wélke dieren er mogen leven; de Krabbeplas is een geheel naar mensenverstand ingericht stukje groen, en in die zin geenszins een natuurlandschap, doch veeleer een cultuurlandschap. Dit is uiteraard een bestuurlijke keuze, die verstandelijk en managementtechnisch vast te verdedigen is. Niettemin wens ik daar kanttekeningen bij te maken. Ik maak mij namelijk een beetje zorgen. Roep ik de Krabbeplas weer in mijn herinnering op, dan dwalen mijn gedachten onwillekeurig af naar de neerlands meest gerespecteerde kruidenier, Albert H., die altijd zegt op de kleintjes te letten maar er nooit bij zei wiens kleintjes, die liet zich eens ontvallen: ‘als je ergens begint te regelen, kun je niet meer ophouden.’
Structuren, voorschriften, regels, natuurlijk, ze zijn handig, zelfs vaak onontbeerlijk. Ware het niet dat de hedendaagse burger een beetje genoeg heeft van al die van bovenaf opgelegde, standaardiserende en onder daglichtlampen bedachte blauwdrukken. Als we ons realiseren dat vandaag de dag de behoefte om de dagelijkse beslommeringen te onvluchten groter is dan ooit, en dat de zelfbewuste fabrieksarbeider en kantoorklerk koortsachtig op zoek zijn naar elementen die van hem, na zijn vervreemdende, geestdodende werk, een heel mens maken, dan is er weinig fantasie voor nodig om te veronderstellen dat de anarchie van de Ongerepte Natuur de voorkeur verdient boven een met meters en passen ingericht stukje recreatieoord met asfaltweggetjes en plastic afvalbakken en waar noppes onkruid valt te bespeuren. (voor mij is onkruid geen onkruid. Onkruid is een plant waarvan de deugden nog niet zijn ontdekt). Zie maar hoe blij men is wanneer uitwijkplaatsen, refugia, worden ontdekt waar de oorspronkelijke flora, min of meer verscholen, gedijt. Het zijn die vergeten hoekjes, langs de dijk en berm, op ruige plaatsen waar de mens in toenemende mate graag vertoeft en er goed raad mee weet met zijn picknickmand.
Zeker, het verlangen de ‘dizzling world’ te ontvluchten neemt met de dag toe, en niet alleen uit nostalgische ingeving, maar uit pure levensbehoefte. Denkt u maar aan die enorme hausse rond ‘natural sounds’-CD’s. De geluiden van regenbuien in bossen, van watervallen, van kwetterende vogels in wouden, van kletterende golven en kolkende zeeën, die wil men in de huiskamer hebben. Denkt u ook aan de populariteit van een televisiekanaal als National Geographic Channel. En wat te denken van het veelbekeken VPRO-programma ‘Wolkers Achtertuin’ waarin de schrijver Jan Wolkers ons een luisterrijk kijkje gaf in de fantastische verborgen wereld van zijn over-verwilderde achtertuin op Texel.
Een pregnant voorbeeld waartoe het denken onder daglichtlampen kan leiden is deze. Ooit heeft een Vlaardingse bestuurder, wijs gemaakt door abstracte noties over ‘werken, recreëren en vervoeren in ruimtelijke structuren’, bedacht om een kunstenaar in te huren teneinde de Krabbeplas een artistieke cq. meetkundige draai te geven. Die kunstenaar liet zich dat geen twee keer vragen en al rap werd de Krabbeplas in cirkels, driehoeken en lijnen opgedeeld; vormen en structuren die misschien vanuit een Apache-helikopter kunnen worden opgemerkt maar die volledig voorbijgaan aan het oog van de gewone wandelaar. Zie, een typisch voorbeeld van ‘tekentafeldenken’ die haarfijn de kloof aanduidt tussen de rationaliteit van de daglichtlampkamer en de irrationaliteit van het leven.
Toen ik uw stukken las was er nog iets wat mij tegen de borst stuitte. Ergens las ik dat men voornemens is het gebied rond de surfplas (die voor regionaal verkeer te bereiken is dmv. het viaduct over de A20, via de noordelijke parallelweg) geschikt te maken voor commerciële ontwikkelingen. Dit nu betreur ik. Commercie betekent horeca, Coca-Cola, patatbakjes, reclameborden, drukte, rumoer, afval, en dat zou in mijn optiek het karakter van het gebied meer kwaad dan goed doen.
Wat mij verder opviel was dat de Krabbeplas totaal gespeend is van voedsel. Welnu, dat ervaar ik als een groot gemis. Ik ben geen holbewoner noch een overijverige consument maar ik vind oprecht dat ieder groengebied iets voedzaams in zich moet herbergen. Dit strookt ook met de essentie van natuur (natuur is afgeleid van nascer, dat geboren worden betekent).
En daarbij denk ik aan direct of indirect consumeerbare produkten. Wat is er heerlijker dan wandelend te happen in een zoetzure appel die je zojuist zelf hebt geplukt. Een dozijn of meer appel-, peren en pruimenbomen zou de Krabbeplas meer allure geven. Omringt door frambozen- en braambessenbosjes. Alleen al de geuren die vruchtenstruiken en vruchtenbomen verspreiden, hoe verkwikkend!
Voor wat betreft indirect consumeerbare producten denk ik onder andere aan fazanten. Die heb ik helaas niet gezien, ook geen patrijzen of everzwijntjes. En waarom kwam ik geen rondhuppelend konijn tegen? Diegenen die vrezen dat het groen in z’n geheel zal worden aangevreten door konijnen, daar zij als gekken paren, die wil ik troosten met de gedachte dat er rond de Plas vossen gesignaleerd zijn. Bovendien, die alom gevreesde konijnenplaag is iets van vroegere tijden. Het wilde konijn is een schaarse verschijning geworden, wier nijvere graaswerk node wordt gemist. (Er worden door terreinbeheerders hier en daar zelfs koeien ingezet uit gebrek aan beter, om het omhoogschietende gras, de braam en de kamperfoelie weg te grazen, maar dit terzijde) En wat is een heerlijker vossenmaal dan een sappige konijnenbout? Want honger zou de vos alleen maar de Plas uit jagen en dat zou een doodzonde zijn. Dus heren, zet wilde konijnen uit! De vos en het konijn houden elkaar ecologisch wel in stand. Bovendien: waar leven is, hoort ook sterven. Wat is een natuur zonder de Dood? Die is geen knip voor de neus waard. Het is goed voor de mens zo nu en dan een kadaver aan te treffen, al dan niet rottend. Ik trof trouwens sowieso weinig dieren aan in de Krabbeplas, laat staan kadavers. En al helemaal geen krabbetjes (Een Plas die zijn naam geen eer aandoet is natuurlijk een treurige zaak) Of zouden ze zich hebben verscholen? Dat is jammer want ik ken geen beter gezelschap dan dat van dieren. Zij stellen geen vragen en maken geen domme aanmerkingen, waar of niet?
Nu was er nóg iets kenmerkends aan de Krabbeplas. Er waren praktisch géén schuilplaatsen te vinden. Plekken waar men ongezien, onzichtbaar is, plekken waar men kan schuilen. Alles lag open en bloot. En dat is niet gek. Want de Krabbeplas blinkt uit in geordendheid. Helder gestroomlijnde structuren. En dat komt omdat ongemoeide natuurontwikkeling er nauwelijks een kans krijgt. Bij ordening en strakke structuren passen vanzelfsprekend geen plekken die beschutting geven. Behalve dat dat niet ‘natuurlijk’ is, is het ook jammer voor de wereld van Eros. Want wat zoekt men van oudsher in de natuur? Men zoekt er afzondering en privacy. Men doet dat alleen of met iemand van wie men houdt. Nu is het in de Krabbeplas al praktisch onmogelijk om er ongezien te flaneren, te eten en drinken. Maar nog erger: men kan er niet eens ongemerkt flirten en vrijen. Wie de borstjes beroert of het tongetje roert weet zich onmiddellijk betrapt, en hoe remmend werkt dat op het gemoed! Mensen, begrijp mij goed, ik ben geen schunnigerd die de jeugd zedenloos wil maken, maar ik kan u verzekeren dat er niets gaat boven Paren in het Groen. De bijtjes doen het en de ontwikkelde wormpje doen het ook. De sentimentele en hartstochtelijke meisjes en jongens in uw Haringstad begrijpen precies waar ik op doel. Natuur balsemt de ziel en brengt de harten bij elkaar. Het is iets van alle tijden, de romantici kunnen erover meepraten. Toen eens aan Poesjkin werd gevraagd waarom hij, in tegenstelling tot zijn tijdgenoten, zo weinig over de schoonheid van de natuur dichtte, antwoordde hij smalend: ‘ach, het is niet dat ik niet van de natuur houd of zo, maar er moet wel wat te neuken zijn.’
Dus: minder transparantie, meer ondoorzichtigheid! (de rest komt dan vanzelf)
Een ander groot voordeel van ongemoeide natuurontwikkeling is dat zich om en nabij de surfplas op termijn (ondiepe) moerassen zullen ontwikkelen. Hierdoor zal er veel riet en mattenbies groeien. Behalve een romantisch aanblik trekt een overdaad aan riet tal van soorten vogels aan. Zo zouden in het riet en bies vele grauwe ganzen kunnen broeden, die in de winter ongetwijfeld gezelschap zullen krijgen van de kol- en rietganzen, en hoogstwaarschijnlijk zullen ook aalscholvers, de purper- en blauwe reigers, de zwarte sternen en kiekendieven enthousiast aanschuiven. Op die manier gaat zo’n plas veel meer bruisen en krioelen hetgeen het ‘spirit- gehalte’ van de Plas ten goede zal komen.
Voorts viel mij op dat aanwezige bomen tamelijk jong zijn. Zij zijn allen jong geplant, vermoed ik. Nergens ontwaarde ik een oude eik of grote beukenboom. Overal zag ik kleine
(weliswaar frisse) boompjes. Dat pleit niet voor het natuurlijk aangezicht. Een stukje natuur is als een familiefoto. Daar hoort ook opa en oma bij. Bovendien wil ik erop attenderen dat bij verjonging van een bos (helaas soms noodzakelijk) het van cruciaal belang is dat erop wordt toegezien dat er genoeg oude bomen aanwezig blijven. Dit gelet op de aanwezigheid van vleermuizen en broedvogels.
Nog even tussen u en mij: men gaat er geloof ik prat op, maar eerlijkheidshalve vind ik dat dat surfen in de plas verboden zou moeten worden. Surfen jaagt vogels weg. Wie surfen wil moet maar naar Hoek van Holland, Scheveningen of de Haringvliet. Bovendien is surfen een puur aristocratische aangelegenheid waarvan we er al een hebben: die van de ruitjesbroekjes en ruitjesbloesjes doordesemde Golfclub, die bovendien, zag ik, ruim baan krijgt om alsmaar uit te breiden. Een doorn in mijn oog als u het mij vraagt. Ik zie het al voor me: pa en ma op de golfbaan en zoon op de surfplank. Heren, echte natuur nivelleert, maar de Krabbeplas eliteert!
Trouwens ook qua bezoekerspopulatie mag de Plas vele malen diverser, kleurrijker. Zo vertoefden er op die bewuste 9 juli, mijzelf niet meegerekend, louter (oudere) blanke dames & heren. Voor de liefhebbers van het soort een buitenkansje natuurlijk. Maar niettemin een selectief en homogeen gezelschap. Niet vreemd eigenlijk. Want hebt u wel eens een Surinamer zien golfen? En de Turk die surft moet nog geboren worden. En de Marokkaan die zich maaltijdloos in de natuur werpt bestaat evenmin. Het is u vast ook bekend dat Marokkanen, maar ook Surinamers en Turken, dolgraag barbecuen, niet in de tuin, maar in de vrije natuur. Echter vanweg de aanwezigheid van strikte brandveiligheidsregels is de Plas voor deze warmbloedige Bourgondische groepen al veel minder aantrekkelijk. Dus: hef die brandveiligheidregels onmiddellijk op, en laat het gekleurde volksdeel haar koteletjes en schapenniertjes in het groene gras grillen. Er zit hier nog een maatschappelijk voordeel aan vast ook. Want het Nederlandse stelletje zal zich, door de heerlijk walmende geuren aangetrokken, laten verleiden aan te schuiven (gastvrij als Turken en Marokkanen natuurlijk zijn) en ik verzeker u: integratie is een feit!
Nog een enkele opmerking van algemene aard en dan sluit ik af.
Ik ben ervan overtuigd dat met goede wil en gedegen kennis de mens in staat is om in harmonie met de groene ruimte te leven. Maar die kennis zal niet in eerste plaats gericht zijn op het kennen van veel planten- en dierennamen. Sommige verenigingen en instituten leggen zich vooral op die namenkennis toe. Het ware beter kennis te nemen van het wezen en de functie van plant en dier waar men in het dagelijks leven mee te maken heeft, om dan te ontdekken dat de mens niet heer maar deelgenoot is van de schepping. Ter voorbeeld: het maakt oneindig veel verschil of je een roodborstje hoort fluiten op een terrasje, of bij de avondschemering hoog in de eikenboom.
En hiermee, mijne heren, ben ik aan het eind gekomen van deze vluchtige uiteenzetting. Ik ben mij bewust u slechts gebrekkig te hebben ingelicht en dit was van aanvang af mijn bedoeling. Gelijk de priesters van Delphi de Perzen slechts zoveel vertelden als zij esoterisch verdragen konden en geen syllabe van het eigenlijke geheim verrieden, zo voel ook ik mij gebonden door heilige banden. Want: de eigenlijke natuurliefhebber, de eigenlijke homo naturalis, die schuilt natuurlijk in het binnenste van een berggrot of boomhut en houdt zich koest. Wij stadsmensen zitten de ganse dag achter onze zoemende computers, en denken de wereld daarbuiten de les te lezen. Het diepste geheim zal immers voor u en voor mij te allen tijde verborgen blijven. Er is dan ook geen gelegenheid tot het stellen van vragen. Ik heb gezegd. Meer zeg ik niet.
Het ga u allen goed!
Stichting Kunst en Openbare Ruimte













