Voorbij privacy
Nieuwe opvattingen over het private en publieke domein
Privacy is een recht dat de persoonlijke levenssfeer beschermt, dat niet alleen juridisch is vastgelegd, maar ook een politieke en sociale betekenis heeft. Het kan door individuen en groepen verschillend worden ervaren en nageleefd, afhankelijk van hun positie in de samenleving en de verlangens en belangen die daarmee gepaard gaan.
In Open 19 wordt het concept privacy vanuit verschillende perspectieven, met name juridische, sociologische, mediatheoretische en activistische, getoetst en heroverwogen. Niet zozeer het betreuren van het verlies van privacy staat centraal als wel de poging om vanuit de huidige situatie van ‘postprivacy’ zicht te krijgen op wat er gloort aan nieuwe subjectiviteiten en machtsconstructies.
Met bijdragen van Daniel Solove, Maurizio Lazzarato, Rudi Laermans, Armin Medosch, Felix Stalder, Joris van Hoboken, Oliver Leistert, Martijn de Waal, Rob van Kranenburg, Mark Shepard en Matthijs Bouw en fotograaf Gio Sumbadze.
Martijn de Waal, Nieuw gebruik van het mobiele telefoonnetwerk
Volgens mediaonderzoeker Martijn de Waal is ons denken over privacy aan herziening toe. Het toenemende gebruik van mobiele telefoonnetwerken genereert data die een belangrijke rol spelen bij civil society-projecten. Om op een zinvolle en rechtmatige wijze gebruik te kunnen blijven maken van deze data, is het noodzakelijk dat het besef groeit dat privacy zich niet uitsluitend beweegt tussen privé of openbaar, maar vele gradaties daartussen kent.
Tijdens de Notte Bianca 2007– een evenement in Rome, vergelijkbaar met de Nederlandse Museumnacht – plaatsten onderzoekers van het MIT Senseable City Lab op verschillende locaties in de stad een aantal grote schermen. Daarop projecteerden ze dynamische kaarten van de stad: lichtblauwe vlekken duidden op een hoge bezoekersdichtheid. Zo konden bezoekers van het evenement in één oogopslag zien bij welke musea het druk was, en hun route daarop afstemmen. Iets dat extra makkelijk werd gemaakt omdat de Romeinse stadsbussen via gele strepen op dezelfde kaart live te volgen waren. Dit project – ‘WikiCity Rome’ – lijkt een aardige gimmick. De onderzoekers hadden via een telecombedrijf toegang gekregen tot de – geanonimiseerde – locatiedata van mobiele telefoongebruikers. De gegevens van individuele telefoons werden bij elkaar gevoegd, en op basis daarvan stelde een algoritme een – fraai vormgegeven – real-time-kaart van nachtelijk Rome samen.1
Maar ‘WikiCity Rome’ is meer dan een gimmick. Het project maakt gebruik van een belangrijke verschuiving in de functionaliteit van de mobiele telefoon. Die is niet meer alleen een communicatiemiddel. Steeds vaker is hij ook een sensor die gegevens over ons en onze omgeving verzamelt.2 Locatie, beelden en geluiden kunnen worden opgenomen en gedeeld met vrienden, collega’s, maatschappelijke instituties of zelfs met onbekende anderen. Dit nieuwe gebruik van mobiele telefoons kan grote maatschappelijke gevolgen hebben. Maar deze ontwikkeling leidt ook tot vragen over privacy. Wie heeft er toegang tot al die data die we verzamelen? Van wie zijn die data eigenlijk? Van ons? Van het telefoonbedrijf? Of zouden deze – uiteraard geanonimiseerde gegevens – een collectief goed moeten zijn? Mag een overheid in tijden van hoge nood onze gangen nagaan? En wat is dan precies hoge nood?
Voor de Amerikaanse burgerrechtenorganisatie The Electric Frontier Foundation (EFF) zijn de ontwikkelingen voldoende reden om een nieuwe categorie op het gebied van privacy in te voeren: ‘locational privacy’. Kunnen we ons straks nog door de stad bewegen, zonder dat de plekken waar we komen systematisch worden opgeslagen in allerlei databases?3 De ontwikkelingen zijn zo vergaand dat het de vraag is of ons traditionele idee van privacy nog wel houdbaar is. De discussie gaat niet alleen meer over het recht om in het privéleven anoniem te kunnen handelen, zonder dat de staat of werkgever meekijkt. In veel gevallen zullen mensen juist gegevens over hun privéleven vrijwillig openbaar willen maken. Dat kan namelijk ook bepaalde voordelen opleveren, zowel voor het individu als voor de samenleving als geheel. Maar onder welke voorwaarden gebeurt dit precies? Welke mogelijkheden biedt de technologie om gegevens te delen of af te schermen? In dit artikel wil ik eerst een aantal voorbeelden geven van de manier waarop het gebruik van de mobiele telefoon als sensor ingrijpt op het maatschappelijk leven. Daarna zal ik ingaan op de consequenties hiervan voor het debat over privacy en technologie.
Wetenschappelijk onderzoek: een nieuwe vorm van demografie?
Onderzoekers in uiteenlopende disciplines zijn zeer enthousiast over de mobiele telefoon als middel voor het verzamelen van data. Eindelijk, zo verzuchten ze, kunnen we nu het gedrag van een complete populatie in kaart brengen in plaats van achteraf enkele steekproeven te nemen. En dat ook nog eens in real time. ‘Reality Mining’ wordt de nieuwe discipline wel genoemd waarin verschillende datastromen worden gecombineerd om grip te krijgen op complexe sociale processen. Sociale wetenschappers spreken geregeld licht euforisch over deze nieuwe mogelijkheden. Neem bijvoorbeeld Alex Pentland van het MIT Medialab: ‘By using data from mobile phones (...) we can create a “gods eye” view of how the people in organizations interact, and even “see” the rhythms of interaction for everyone in a city.’4 Dat geeft niet alleen een beter inzicht in sociale processen, claimt Pentland. Deze nieuwe manier van meten heeft ook een grotere voorspellende waarde. Traditionele demografie, stelt hij, is een slechte voorspeller van gedrag. Hoe oud iemand is, waar hij woont en zelfs zijn inkomen is interessante informatie, maar zegt weinig over hoe die persoon zich in de toekomst zal gedragen. Pas als je zijn daadwerkelijke gedrag kunt analyseren, kun je dat – binnen bepaalde marges – gaan voorspellen. Pentland: ‘The fact that mobile phones have GPS means that we can leap beyond demographics directly to measuring behaviour. Where do people eat? Work? Hang out? How does word of mouth spread? Analysis of travel patterns using mobile phone GPS data, for instance, allows discovery of the independent subgroups within a city.’5
Op dit moment wordt de mobiele telefoon al op dergelijke wijze gebruikt bij gezondheidsonderzoek. In Kenia worden mobiele telefoondata gebruikt om besmettingshaarden van malaria te lokaliseren. Andere wetenschappers hebben algoritmes ontwikkeld waarmee – opnieuw in door mobiele telefoongebruik gegenereerde data – gedragspatronen herkend kunnen worden die wijzen op de uitbraak van een cholera-epidemie. In de Dominicaanse Republiek wordt op soortgelijke wijze onderzoek gedaan naar de verspreiding van HIV.6
Ook stadsplanners zijn enthousiast over deze nieuwe manier van kennis verzamelen. Zo volgde het Britse project ‘Cityware’ bezoekers van stadscentra met behulp van bluetooth technologie op hun mobiele telefoon.7 Ook hier zijn de verwachtingen vaak hooggespannen. Anthony Townsend, onderzoeker op het gebied van technologie, bijvoorbeeld, beziet de opkomst van genetwerkte sensors als een ontwikkeling die vergelijkbaar is met de opkomst van de luchtfotografie. Dat was voor stadsplanners een revolutionaire mediatechnologie: voor het eerst konden ze van bovenaf de stad als geheel waarnemen. En als luchtfotografie het skelet van de stad blootlegt, dan krijgen we nu zicht op het zenuwnetwerk van de stad. Voor het eerst in de geschiedenis kunnen we live allerlei sociale interacties in de stad waarnemen, klinkt het vaak optimistisch.
Dergelijke vooruitzichten kunnen wel wat relativering gebruiken. Alhoewel deze methodes van data verzamelen zeker tot nieuwe inzichten kunnen leiden, ontbreekt in het debat nog wel de vraag wat voor kennis dit nu precies oplevert. Data zijn niet hetzelfde als kennis, en vooralsnog zijn de data vooral kwantitatief van karakter. Onderzoekers weten nu hoeveel mensen zich wanneer waar bevinden, waar ze vandaan komen en waar ze naartoe gaan. Maar meer kwalitatieve aspecten – waarom bewegen mensen zich zoals ze doen, en hoe ervaren ze dat? – blijven doorgaans nog buiten beeld.
Citizen Science
In bovenstaande voorbeelden verzamelen wetenschappers van bovenaf grote hoeveelheden data om sociale processen te analyseren. Maar de mobiele telefoon kan ook gebruikt worden om van onderaf, op het initiatief van de gebruikers zelf, data te verzamelen. ‘Biketastic’, een project gericht op fietsers in de notoire autostad Los Angeles dat is opgezet door het Center for Embedded Networked Sensing, is hier een voorbeeld van. Dit onderzoekscentrum van de University of California Los Angeles heeft een app (een klein programmaatje) voor mobiele telefoons ontwikkeld, waarmee fietsers gegevens over hun fietstochten door de stad verzamelen en met elkaar delen. De app meet de locatie, afstand en snelheid van de fietsroute, maar ook het comfort. Met de microfoon wordt het lawaai van het overige verkeer gemeten, via de accelerometer kan worden vastgesteld of de fietser lekker door kon rijden, of steeds moest stoppen en weer optrekken. De geografische gegevens kunnen vervolgens weer gekoppeld worden aan externe databases: hoe zit het met de luchtvervuiling op de route? En wat is er bekend over de verkeersveiligheid? Door de gegevens van verschillende fietsers en externe databases te combineren, ontstaat na verloop van tijd ook een fietskaart van Los Angeles waarop je de meest aangename, veilige, schone of snelste route kunt plannen.8
Vergelijkbaar is een aantal ‘Citizen Science’-projecten, waarin ‘burgers’ de sensorcapaciteit van de mobiele telefoon gebruiken om gericht samen te werken. Eric Paulos deed onderzoek naar campagnes waarbij buurtbewoners met behulp van mobiele sensors luchtkwaliteit in kaart brachten. Dergelijke campagnes hadden veel positieve effecten. Zo nam het bewustzijn van deelnemers over de problematiek van de luchtkwaliteit toe en verbeterde bij soortgelijke projecten de betrokkenheid bij de lokale politiek.9 Maar er zijn ook negatieve kanten: hoe betrouwbaar zijn de data die wordt verzameld precies? Kan iemand ook de uitkomst beïnvloeden, bijvoorbeeld door zijn sensor steeds bij de uitlaat van een auto te houden?10
Gepersonaliseerde locatieve diensten
Tot slot kan het gebruik van de mobiele telefoon als sensor ook voor individuele gebruikers voordelen opleveren. De mobiele telefoon maakt het mogelijk gegevens over je eigen leven automatisch te registreren. Diensten als Google Lattitude of Bliin plotten je bewegingen door de stad op een kaart. Jijzelf staat altijd in het centrum, eromheen je vrienden die dezelfde dienst aan hebben staan en hun gegevens vrijwillig met je delen. Andere diensten zoals het Amerikaanse Yelp centreren de kaart ook rond de positie van de gebruiker en plaatsen vervolgens ballonnetjes voor de dichtstbijzijnde pizzeria, opticien, geldautomaat, taxi of andere zoekopdracht. Daarbij maken bedrijven als Sensenetworks weer analyses van je ruimtelijk gedrag en gebruiken die om je allerlei diensten aan te raden.
Christophe Aguiton, Dominique Cardon en Zbigniew Smoreda – onderzoekers bij Orange Labs, de R&D-afdeling van France Telecom – noemen dit fenomeen ‘Living Maps’. Kaarten zijn geen statische representatie meer van een geografische werkelijkheid, maar een dynamische weergave van sociale activiteiten. Op de lange termijn kan de opkomst van dergelijke kaarten tot een culturele verschuiving leiden. Ons sociale leven bestaat nu nog grotendeels uit het maken van afspraken die we in onze agenda schrijven. Maar op termijn zou een map of opportunites wel eens een veel aantrekkelijker idee kunnen zijn. Wie even niets te doen heeft, kijkt simpelweg op zijn gepersonaliseerde kaart. Wie is er nu in de buurt om wat mee af te spreken? Wat is er nu te doen op redelijke afstand van waar ik ben?11
Critici wijzen erop dat dit grote gevolgen kan hebben voor de stedelijke samenleving. Is er nog wel ruimte voor toevallige ontmoetingen met het onbekende? Worden we ‘mensen zonder eigenschappen’ die slaafs de aanbevelingen van onze ‘slimme’ systemen opvolgen? Dit zijn relevante en zinvolle discussies, waar ik in dit artikel niet verder op in wil gaan. Liever ga ik in het tweede deel van dit artikel in op de notie van privacy die met deze nieuwe technologieën op het spel staat.12
Wie is eigenaar?
Hoe verhoudt de opkomst van de mobiele telefoon als sensor zich tot ons denken over privacy? In academische kringen tekent zich een voorzichtige consensus af: gebruikers moeten eigenaar zijn van hun eigen data. Als je op welke manier dan ook gegevens genereert, bijvoorbeeld via de sensors in je mobiele telefoon, moeten gebruikers zelf toegang krijgen tot die data, die zelf uit kunnen wissen, beveiligd op kunnen slaan, en bepalen wat ermee gaat gebeuren. Alleen bij hoge uitzondering zou de staat toegang moeten krijgen tot dergelijke databases.13 Een dergelijke opvatting zou wel tot nieuwe vormen van ongelijkheid kunnen leiden. Persoonsgegevens zijn zeer aantrekkelijke data voor commerciële partijen, en sommige critici vermoeden dat het aantrekkelijk gemaakt zal worden je persoonlijke data te verkopen. Wie zijn gegevens niet wil delen met commerciële partijen, moet dan bijvoorbeeld meer betalen voor een mobiele telefoonabonnement.14
Wat betekent ‘data-eigendom’ precies voor de analyse van gegevens op geaggregeerd niveau? Mogen wetenschappers data alleen verzamelen als telefoongebruikers daar toestemming voor geven? En is die toestemming ook nodig als de gegevens alleen worden gebruikt voor het in kaart brengen van groepsgedrag? Dan gaan de individuele data immers op in het groepsprofiel en is een link met individueel gedrag niet meer te maken. Maar wie mag dit soort gegevens dan verzamelen, en onder welke voorwaarden? Moeten telefoonbedrijven hier bijvoorbeeld aan meewerken?
Erin Keneally en Kimberly Claffy – onderzoekers aan UC San Diego – houden een pleidooi voor regulering die rekening houdt met de positieve kanten van het delen van data. De huidige regelgeving is niet altijd even duidelijk over wat er nu wel en wat nu niet mag. Veel partijen reageren daardoor defensief op de vraag om data te delen. Ze lopen liever geen risico, want het debat over privacy loopt snel hoog op. Het idee van privacy als absoluut recht op bescherming van persoonsgegevens legt het al snel af tegen de mogelijke maatschappelijke opbrengsten van het delen van data – zoals bijvoorbeeld in de hierboven genoemde voorbeelden op het terrein van de gezondheidszorg. Zij roepen onderzoekers en de telecomindustrie op om een nieuw protocol te ontwikkelen dat het delen van data mogelijk moet maken en tegelijkertijd de risico’s op het misbruik van gevoelige informatie moet beperken.
Nathan Eagle vergelijkt de opkomst van reality mining met grootschalige medische onderzoeken. Ook daar wordt uiterst privacygevoelige informatie opgeslagen in databases. Vandaar dat er strikte regels zijn voor het gebruik van dergelijke databases: alleen professionals hebben toegang tot de data en moeten zich bovendien registreren wanneer ze de databases willen gebruiken. Eagle stelt daarom dat dergelijke protocollen er ook snel zouden moeten komen voor het gebruiken van sensordata van mobiele telefoons.
Organisaties als het Nederlandse Bits of Freedom maken zich zorgen over de ontwikkelingen. Gegevens die anoniem zijn opgeslagen, waarschuwt de organisatie, blijven dat niet altijd. ‘Er worden steeds betere technologieën ontwikkeld om anonieme gegevens te de-anonimiseren. Wat nu misschien nog geen ‘persoonsgegeven’ is, kan dat binnenkort wel worden.’15 De onderzoekers Aguiton, Cardon en Smoreda beamen dit. Het is in het verleden al vaker voorgekomen dat nieuwe technologieën het mogelijk maakten om anonieme gegevens toch te herleiden tot specifieke gebruikers.16
De EFF stelt daarom voor cryptografie te gebruiken om systemen te ontwerpen waarbij sensordata wel gebruikt kunnen worden, maar niet hoeven te worden opgeslagen. Dat is technisch enigszins omslachtig, maar wel mogelijk: ‘But we need to ensure that systems aren't being built right at the zero-privacy, everything-is-recorded end of that spectrum, simply because that's the path of easiest implementation.’17
De wens om data te delen
Het idee van de EFF sterke cryptografie te gebruiken, kan gevoelige persoonlijke sensordata beschermen. Bij een systeem als het rekeningrijden zou dat bijvoorbeeld goed van pas kunnen komen. Maar er zijn ook situaties waarin gebruikers hun data juist wel willen delen, zij het niet per se altijd en met iedereen.
In het dagelijkse leven is privacy een complexe en vooral ook dynamische onderhandeling tussen verschillende partijen, stellen de onderzoekers Paul Dourish en Leysia Palen. In sociale situaties is het niet zozeer angst voor misbruik van gegevens door de staat die een rol speelt. Eerder spelen alledaagse bezorgdheden een rol. Mensen willen niet in verlegenheid gebracht worden. Ze willen hun autoriteit of zeggenschap op een bepaald gebied doen gelden. En ze willen graag zelf de controle houden over hun eigen leven. Hierdoor kennen we op verschillende momenten een verschillende behoefte aan privacy.
In sociale situaties is het vaak van belang jezelf juist wel kenbaar te maken. Als je je gezag op een bepaald terrein te gelde wilt maken, moet je de bijbehorende insignes kunnen tonen. Met behulp van allerlei tekens – variërend van woordkeuze tot begroetingsrituelen – geven we signalen af waarmee anderen onze sociale status of herkomst kunnen herleiden. Soms geven we graag onze mening, of hebben we er baat bij te laten weten wie we zijn. Hoeveel we precies prijs willen geven, hangt af van de inschatting die we van de situatie maken. Wie is precies het publiek? Wat verwachten, hopen of vrezen we van de situatie? Privacy is met andere woorden een kwestie van ‘identiteitsmanagement’, waarbij we aan verschillende publieken in verschillende situaties andere elementen van onszelf laten zien, dan wel voor ons houden.
Het belangrijkste punt van Palen en Dourish is dat het gebruik van de mobiele telefoon als sensor, gecombineerd met de opslag van gegevens in databases, de paramaters van deze privacyonderhandeling verandert. De situaties waarin we ons bevinden zijn van oorsprong ruimtelijk en temporeel. Ze zijn begrensd, bijvoorbeeld door de vier muren van een kamer, en hebben een bepaalde duur. Beide factoren spelen een belangrijke rol in de inschattingen die we maken. We kunnen zien wie er aanwezig is en wie niet – en wie ons dus op een eventuele faux pas aan zou kunnen spreken.
Wanneer we via automatische sensoren ons gedrag in allerlei situaties registreren en delen met anderen – bijvoorbeeld via sociale netwerken – verandert dat de aard van de situatie. Opeens zijn ruimte, tijd en het aanwezige publiek niet meer begrensd, maar is de registratie van de situatie ook vanuit andere plaatsen en tijden op te vragen. Maar kan dat publiek de originele context van de situatie wel goed duiden? Of misschien had je wel heel anders gehandeld als je wist dat het publiek zich zou verbreden.
Onderzoekster Danah Boyd beschreef hoe deze ontwikkeling tot allerlei misverstanden kan leiden. Als expert op het gebied van sociale netwerken werd ze benaderd door de toelatingscommissie van een vooraanstaande universiteit. Zij hadden een aanmelding gekregen van een student uit South Central LA. In zijn motivatiebrief schreef hij dat hij zich graag wilde ontworstelen aan de daar heersende bendecultuur. Maar toen de commissie zijn pagina op het sociale netwerk Myspace bekeek, zagen ze daar juist allerlei symbolen die het bendeleven verheerlijkten. Werden ze nu in de maling genomen? Boyd wees het commissielid erop dat er ook nog een andere mogelijkheid was. De Myspace-pagina van de sollicitant was bedoeld voor zijn klas- en buurtgenoten, niet voor de toelatingscommissie. En in zijn buurt is de sociale druk om ergens bij te horen zo hoog, dat de jongeman waarschijnlijk niet anders kon dan de insignes van het bendeleven op zijn Myspace-pagina posten.18
Op soortgelijke wijze ontstond een kleine rel rond de website Facebook. Ook daar kunnen gebruikers vrijwillig een log bijhouden van hun activiteiten, hobby’s en andere wetenswaardigheden. Aanvankelijk kon dat alleen op de eigen pagina. Maar op een dag veranderde Facebook de opzet van de site. Alle berichten die gebruikers op hun eigen pagina plaatsten, werden automatisch gepubliceerd op de pagina’s van al hun ‘vrienden’. De redenatie van Facebook was dat vrienden hiermee beter op de hoogte konden blijven van elkaars activiteiten. Bovendien was de informatie toch al openbaar gemaakt door de gebruikers op hun eigen pagina?
Facebook deed niet zo veel meer dan het publiceren van wat al openbaar was. Maar veel Facebook-gebruikers dachten daar anders over. Zij zagen een genuanceerd verschil tussen iets openbaar maken op de eigen pagina, waarvoor anderen moeite moeten doen om die te bezoeken, en het automatisch distribueren van die gegevens.19 Opnieuw draaide het om inschattingen van het publiek die gebruikers maken bij het bepalen van wat ze wel of niet openbaar maken. De informatie werd nu weliswaar verspreid onder vrienden, maar ook daarbinnen waren weer nuanceverschillen. Sommige vrienden waren misschien wel lastige collega’s die men niet voor het hoofd wilde stoten door hun ‘vriendschapsverzoek’ te weigeren. Aan familieleden laat je weer andere dingen zien dan aan jaarclubgenoten. Facebook maakt het niet mogelijk dat onderscheid te maken.
Privacy als design-criterium
Bij het Center for Embedded Networked Sensing – het eerder genoemde onderzoekslab achter het fietsproject in LA – vinden ze dat privacy daarom een belangrijke verantwoordelijkheid is voor ontwerpers. Er zou een systeem moeten komen dat gebruikers de mogelijkheid geeft om zelf te bepalen welke data ze onder welke omstandigheden voor welke duur met wie willen delen.20 Daarom is het van belang dat ontwerpers systemen ontwikkelen die data begrijpelijk visualiseren en meteen inzichtelijk maken wat voor consequenties bepaalde settings kunnen hebben.
Zelf maakt het CENS van een dergelijke toepassing gebruik bij hun Personal Environmental Impact Report (PEIR)-project. Hier worden opnieuw met behulp van de mobiele telefoon data verzameld. Deze data wordt vervolgens omgerekend tot een carbon footprint en tegelijkertijd gecombineerd met databases over lokale luchtvervuiling. Gebruikers leren zo hoeveel ze bijdragen aan de luchtvervuiling, maar ook aan hoeveel vervuiling ze worden blootgesteld. Gebruikers kunnen in een logfile precies zien hoe het systeem met hun data omgaat: welke data worden er wanneer geregistreerd, geupload en met wie gedeeld? Eric Paulos beargumenteert daarnaast dat in dergelijke interfaces ook duidelijk gemaakt moet worden hoe betrouwbaar (collectief verzamelde) gegevens zijn. Het is belangrijk dat gebruikers niet blind elke datastroom vertrouwen, maar zich er altijd bewust van zijn dat data gemanipuleerd kunnen zijn, of simpelweg niet zorgvuldig verzameld.21
Aguiton e.a. gaan nog een stap verder. Niet alleen moeten gebruikers inzicht kunnen krijgen in de manier waarop er data over hun worden verzameld. Ze moeten die data ook kunnen manipuleren. Gebruikers hebben het recht tegen het systeem te liegen over hun actuele verblijfsplaats om zo hun privacy te beschermen, zo stellen zij.22
Bovengenoemde voorbeelden laten zien dat ons denken over privacy aan herziening toe is. Door mobiele telefoons verzamelde sensordata kunnen een belangrijke maatschappelijke rol spelen, bijvoorbeeld op het vlak van de volksgezondheid. Dergelijke data kunnen – zoals in citizen science-voorbeelden – een rol spelen bij civil society-projecten. En sommigen zullen het als een verrijking van hun leven ervaren data te delen met anderen.
Betrokken partijen signaleren daarbij dat veel van de huidige regulering tekortschiet. Enerzijds moet er aandacht komen voor de positieve kanten van het anoniem delen van data. Tegelijkertijd moet ook het besef groeien dat privacy geen binaire kwestie is waarbij iets ofwel volledig openbaar is dan wel volkomen privé. Daartussen liggen vele gradaties waarmee in het ontwerp van nieuwe technologieën lang niet altijd rekening wordt gehouden. Ook aanbieders van bijvoorbeeld locatiediensten en sociale netwerken zouden daarom gestimuleerd moeten worden om de vele nuances van privacy in het alledaagse leven een plek te geven in hun diensten.
1. Zie senseable.mit.edu/wikicity/rome/ voor een projectoverzicht en, voor een uitgebreide onderbouwing van het project, Francesco Calabrese, Kristian Kloeckl en Carlo Ratti, 'WikiCity: Real-Time Location-Sensitive Tools for the City', in: Marcus Foth (red.), Handbook of Research on Urban Informatics: The Practice and Promise of the Real-Time City (Londen/Hershey/PA: Information Science Reference, 2009).
2. Zie bijvoorbeeld Eric Paulos, die stelt dat er sprake is van een ‘important new shift in mobile phone usage – from communication tool to “networked mobile personal measurement instrument”.’ Eric Paulos, 'Designing for Doubt: Citizen Science and the Challenge of Change', lezing conferentie 'Engaging Data', Cambridge/MA, Senseable City Lab, 2009. senseable.mit.edu/engagingdata/program.html
3. www.eff.org/wp/locational-privacy
4. web.media.mit.edu/~sandy/.
5. Alex Pentland, 'Reality Mining of Mobile Communications', The Global Information Technology Report 2008-2009. World Economic Forum, 2009.
6. Zie Nathan Eagle, 'Engineering a Common Good: Fair Use of Aggregated, Anonymized Behavioral Data', lezing conferentie 'Engaging Data', Cambridge/MA, Senseable City Lab, 2009.
7. www.cityware.org.uk
8. Zie research.cens.ucla.edu en biketastic.com/
9. Eric Paulos, op. cit. (zie noot 2). Zie ook Jason Corburn, Street Science: Community Knowledge and Environmental Health Justice (Cambridge/MA: MIT Press, 2005).
10. Eric Paulos, ibidem.
11. Christophe Aguiton, Dominique Cardon en Zbigniew Smoreda, 'Living Maps: New Data, New Uses, New Problems', lezing conferentie 'Engaging Data’, Cambridge/MA, Senseable City Lab, 2009. Zie ook recente lezingen van Antoine Picon en Nanna Verhoeff waarin zij respectievelijk beschrijven hoe digitale kaarten te begrijpen zijn als ‘media events’, dan wel als ‘performance of space’ in plaats van slechts een ‘systematische geografische representatie’. www.themobilecity.nl/2008/01/22/mediacity-conference-weimar-the-design-of-urban-situations/ en networkcultures.org/wpmu/urbanscreens/2009/12/05/nanna-verhoeff-mobile-digital-cartography-from-representation-to-performance-of-space/
12. Zie onder meer Marc Shepard en Adam Greenfield, Urban Computing and Its Discontents (New York: The Architectural League of New York, 2007); Jerome E. Dobson en Peter Fischer, 'Geoslavery', in: IEEE Technology and Society Magazine, Spring 2003.
13. Pentland, op. cit. (zie noot 4).
14. Eagle, op. cit. (zie noot 6).
15. www.bof.nl/2009/12/18/hoe-anoniem-zijn-anonieme-gegevens-eigenlijk/
16. Aguiton, c.s., op. cit. (zie noot 11).
17. www.eff.org/wp/locational-privacy
18. Danah Boyd, 'Do you See What I See?: Visibility of Practices through Social Media', LeWeb, Parijs, 2009.
19. Danah Boyd, 'Facebook's Privacy Trainwreck: Exposure, Invasion, and Social Convergence', in: Convergence, jrg. 14, nr. 1 (2008), pp. 13-20.
20. Katie Shilton, 'Four Billion Little Brothers? Privacy, Mobile Phones, and Ubiquitous Data Collection', in: Queue, jrg. 7, nr. 7 (2009).
21. Paulos, op. cit. (zie noot 2).
22. Aguiton, c.s., op. cit. (zie noot 11).
Stichting Kunst en Openbare Ruimte