auteur: Gestel
Volgens Tom van Gestel, artistiek leider bij SKOR en voorheen hoofd van het Praktijkbureau voor Beeldende Kunstopdrachten, is het realiseren van kunstprojecten in psychogeriatrische verpleeghuizen een uiterst moeilijke opgave. Van de kunstenaar wordt een grote mate aan betrokkenheid verlangd bij deze moeilijk toegankelijke groep bewoners. Desondanks worden binnen deze institutionele context wel degelijk interessante kunstwerken gerealiseerd, die onze zelfgenoegzame maatschappij een spiegel voor kunnen houden.
Tom van Gestel
Kunst in de vergeethoek
Still uit de film « Leonie » van Lieven Debrauwer, 12 minuten, 1996. Productie Gateway Film, België. Foto Chris Walraed
Sinds 1984 bestaat er een regeling die het mogelijk maakt kunstprojecten te realiseren bij nieuwbouw van instellingen voor volksgezondheid. Het toenmalige Praktijkbureau, de voorganger van SKOR, werd met de uitvoering van die regeling belast en was daar aanvankelijk niet zo blij mee. In tegenstelling tot de zogenaamde voorbeeldprojecten ging het hier om een geregelde vorm van kunst die bepaalde automatismen inhield in altijd maar weer dezelfde soort situaties. In het begin was er dan ook zeker sprake van veel vallen en opstaan en de resultaten werden met een zekere schroom naar buiten gebracht. Typerend was dat de afdeling volksgezondheid apart werd vermeld in de geïllustreerde jaarverslagen. Eerst de ‘belangrijkere’ voorbeeldprojecten en dan, na een rode kruiskruisje, de rest. De goede voorbeelden, die binnen deze regeling tot stand waren gekomen, functioneerden echter steeds vaker als referentiekader voor toekomstige projecten, waardoor de kwaliteit aanzienlijk toenam en de scheiding in de jaaroverzichten verviel.
Kunst in de volksgezondheid slaat behalve op kunst in een regulier ziekenhuis, waar relatief kort verblijf genezing moet bewerkstelligen onder supervisie van de geneesheer, ook op kunst in psychiatrische klinieken, op kunst in instellingen voor tbs, verslavingsklinieken, instellingen voor verstandelijk en lichamelijk gehandicapten en verpleeghuizen. Over die laatste categorie -en dan vooral over in psychogeriatrie gespecialiseerde verpleeghuizen- gaat het in dit nummer.
Het zijn plekken waar je pas in de laatste plaats aan kunst denkt. De architectuur is meestal kleinschalig en paviljoenachtig van opzet. Dierbare snuisterijen vullen iedere lege plek, rolstoelen versperren de weg en een merkwaardig geurmengsel van groentesoep en urine beïnvloedt iedere zintuiglijke waarneming. De niet geluchte huiskamer van je grootmoeder herhaalt zich tot in het oneindige. Het zijn de fysieke condities waarin het kunstwerk moet functioneren. Maar voor wie is dat kunstwerk eigenlijk bedoeld, er van uit gaande dat kunst gemaakt wordt om bekeken te worden en een publiek verlangt? In verpleeghuizen zijn drie publieksgroepen te onderscheiden. In de eerste plaats natuurlijk de bewoners. Vaak zijn dat dementerende bejaarden wier herinnering zich richt op prille jeugdbelevenissen die een leven lang zijn meegedragen. Daarover orakelen zij, moeilijk verstaanbaar en meestal onbegrijpelijk voor personeel en bezoekers. Het zijn boodschappen uit een ver verleden waarvan de betekenis verloren is gegaan. ‘Ik zit met mijn knieën in het zand’, huilt een bejaarde vrouw die denkt dat zij zich in een eindeloos aardappelveld bevindt als zij voorover van haar stoel is gevallen. Dan is er het personeel, meestal onderbezet en overbelast. Het heeft de handen vol aan de verzorging van mensen van wie het de achtergronden amper kent. De verzorgers delen op een intieme manier lief en leed en zijn zich er van bewust dat de relatie altijd eindigt met de dood die vaak nog een handje geholpen moet worden. Het bezoek vormt de derde groep en bestaat uit
kinderen, verwanten of vrienden van de bewoners, die meestal schuin naar de klok kijken of een verantwoord aantal bezoekminuten al is verstreken of die totaal ontdaan zijn omdat de stille hoop op vooruitgang weer verpletterend de grond is ingeboord.
Institutionele context
Kunst wordt beheerst door allerlei krachten die de status van een kunstenaar en zijn kunst beïnvloeden. Die krachten zijn sterk op elkaar gericht en in zichzelf gekeerd. Steeds vaker hebben kunstenaars de behoefte die beslotenheid te doorbreken en hun eigen ego te relativeren. Zij voelen zich betrokken en hebben oprechte belangstelling voor de lotgevallen van het individu.
Ze treden op als intermediair tussen de gevestigde, beschaafde, welvarende, onbekommerde, zelfgenoegzame en kritiekloze maatschappij en de keerzijde daarvan. Voor kunst in verpleeghuizen heb je juist betrokken kunstenaars nodig met interesse voor menselijk lief en leed. Op de laatste Documenta in Kassel, toch wel zo’n beetje hét internationale platform van de kunst, werd zoveel betrokkenheid getoond dat daarmee gemakkelijk de totale vergrijzing van de westerse bevolking zou kunnen worden bediend. Met uitzondering van één kunstwerk werd die maatschappelijke betrokkenheid echter getoond binnen de veilige muren van de tentoonstelling, een totaal andere context dus dan die van het verpleeghuis. Dat is de plek, die voor buitenstaanders vooral het beeld oproept van poep en pies, van radeloosheid en verwarring. Voor de kunstenaar lijkt er weinig eer aan te behalen. De gemiddelde museumdirecteur, curator of kunstcriticus zal niet snel beroepshalve een verpleeghuis betreden. Dat doet hij om zijn vader of moeder te bezoeken of te zijner tijd omdat hij zelf aan de beurt is.
Desondanks is het verpleeghuis de plek waar liefde, leven en dood op een intensieve manier wordt beleden en dat zijn nu juist de thema’s waar de kunst door de eeuwen heen het meeste houvast aan had. Er zou gemakkelijk een boekenkast kunnen worden gevuld met respectabele werken die de ouderdom en het verval van de menselijke waardigheden beschrijven.
Soms zijn ze direct geïnspireerd door de situaties in tehuizen, zoals de documentaire van Ireen van Ditshuyzen «Vergeten» (KRO/1994), soms zijn ze gericht op naaste verwanten, zoals de roman «Hersenschimmen» van J.Bernlef (Querido,1986) of de film «Leonie» van Lieven Debrauwer (Gateway, 1996) en soms zijn ze betrokken op de persoon van de schrijver zelf. Niet zelden zonder humor wordt de betrekkelijkheid van het bestaan weer gegeven en wat is er bevredigender dan een voormalig dictator te laten eindigen in een gruwelijk bejaardenoord waar hij op zijn beurt geterroriseerd wordt door totaal onverschillig personeel, zoals in «Het handboek van de Inquisiteurs» door Antonio Lobo Antunes (1996): ‘“Braaf hoor meneer mooi plasje mooi plasje heel braaf�’(…) ‘de verpleegsters hielden mijn paar haarstrengen tegen “stilzitten� plakten de pleister op mijn voorhoofd met een wraakzuchtige klap en trokken de touwen aan om mijn handen, mijn buik, mijn voeten. “Al word je pimpelpaars je komt hier niet uit�’. (pag. 330)
Een schrijver heeft anders dan de beeldend kunstenaar weinig van doen met de institutionele context waarbinnen de laatste, zeker in het kader van dit nummer, moet werken. Zonder een gemotiveerde en geïnteresseerde opdrachtgever is elke poging tot het realiseren van een kunstwerk gedoemd te mislukken, ondanks het talent en de betrokkenheid van de kunstenaar. Zoals die keer dat een gemotiveerde kunstenares met haar werk het onderbewuste van de bewoners wilde beroeren. Met een zorgvuldig gemaakt model en een schriftelijke uiteenzetting waar zij nachten op had zitten ploeteren werd zij te woord gestaan door zes in het zwart geklede schriftgeleerden die haar ontwerp geen blik waard gunden. Zij stortten zich daarentegen op haar tekstbijdrage, speurend naar voor hun geloofsopvatting stuitende passages, terwijl een delegatie van het personeel met vertrouwen in dit werk moest wachten op de gang.
Het tegenovergestelde komt gelukkig vaker voor, ook al loopt het wel eens uit de hand. Een te enthousiaste omarming van de kunstenaar, bijvoorbeeld, leidde tot een elektromechanisch kunstwerk dat totale paniek zaaide onder de demente bewoners. Of de destructieve neigingen van de behulpzame patiënt-assistent van de kunstenaar, die ertoe leidden dat de met veel liefde en met behulp van patiënten vervaardigde keramische ornamenten al spoedig na oplevering in gruzelementen op de grond lagen. Hij had grote twijfels aan de kwaliteit van zijn bijdrage en in onbewaakte ogenblikken gaf hij uiting aan zijn intensief toegenomen faalangst.
Verwachtingen
Zo beschouwd kan hedendaagse kunst inderdaad op gespannen voet staan met de belevingswereld van ouderen in een verpleeghuis. De in dit nummer geselecteerde kunstprojecten laten echter zien dat het ook heel vaak goed gaat en dat de werken wel degelijk zinvol kunnen zijn in de context van de psychogeriatrie. Aan kunst zijn tot op heden geen geneeskundige krachten toegekend, evenmin kunnen met kunst de wachtlijsten en het personeelstekort worden bestreden. Er wordt wel beweerd dat kunst betekenis verleent aan de situatie waarvoor zij is bestemd of dat kunst een andere kijk op de werkelijkheid biedt. Als de lokale werkelijkheid in een verpleeghuis zo verpletterend is, wat kan kunst daar dan nog doen? Het is zonder meer lastig om in een verpleeghuis een werk te realiseren dat recht doet aan de situatie in het tehuis èn van betekenis is binnen de kunst zelf. Fascinatie voor het subjectieve denken van demente bewoners van een verpleeghuis is een eerste vereiste voor een kunstenaar om tot een goed werk te komen.
Daar moet je zin in hebben en moed voor kunnen opbrengen. In tegenstelling tot de literatuur, die deze subjectiviteit de wereld in wil brengen en zo van binnen naar buiten werkt, wordt in feite van de kunstenaar verlangd dat hij juist van buiten naar binnen werkt. Dat is minder bevredigend want van een demente bejaarde hoef je geen schouderklopje te verwachten. Met minder hoog gestelde ambities ten aanzien van de intrinsieke betekenis van de kunst kan wellicht de sfeer in een verpleeghuis worden verbeterd of kan
zo nu en dan de zelfgenoegzame maatschappij een spiegel worden voorgehouden.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte













