Op voorstel van SKOR werd aan filosoof, beeldend kunstenaar en bioloog Herman de Vries gevraagd een plan te maken voor een gebied grenzend aan de Weerribben in de Kop van Overijssel, dat weer terug gegeven zou worden aan de natuur en onderdeel zou worden van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). In samenwerking met landschapsarchitect Kees Kloosterman werkte Herman de Vries vanaf 1993 tot heden aan het project Watergoed Kop van Overijssel.1 De Vries ontwikkelde voor dit gebied een ontwerpmethode die een artistiek maar niet subjectief alternatief biedt voor de eenzijdige technocratische aanpak die de ecologen over het algemeen hanteren.
Herman de Vries en het ontwerp voor een nieuw natuurgebied
Natuurervaring is volgens de kunstenaar, veldbiologisch onderzoeker en filosoof Herman de Vries een voor het leven essentiële waarde. Als je moet kiezen is ruimte voor individuele, directe natuurervaring belangrijker dan ruimte voor collectieve of sportieve recreatie, zoals pretparkbezoek, wedstrijdzwemmen, motorcrossen of jetskiën. Nederlanders hebben weinig natuur tot hun beschikking. Ongerept natuurlandschap is er al helemaal niet meer. Oude cultuurlandschappen hadden ooit nog veel natuur te bieden, maar zijn ernstig aangetast door de invoering van kunstmest, prikkeldraad, ruilverkavelingen, ontginningen, autowegen, beeknormalisaties, diepe bemaling, luchtverontreiniging, bio-industrie, overbemesting, oprukkende verstedelijking, industrie en infrastructuur. Voor natuurervaringen in het landschap zijn we meer en meer aangewezen op natuurmonumenten en landschapsparken, beschermde restanten van oude cultuurlandschappen, maar ook op nieuwe natuurlandschappen, waar (weer) natuurlijke ontwikkeling plaatsvindt, al of niet aangelegd door natuurontwikkelaars.
Het oude boerenbedrijf, waarmee ecologisch waardevolle landschappen in stand werden gehouden, bestaat niet meer. Met uitgebreide prijsgaranties, subsidies en andere vormen van overheidsprotectie is een nieuwe industriële landbouw op poten gezet die echter – uit de hand gelopen – inmiddels voor een groot deel ook op instorten staat. De enige teelt die floreert is die van sierbloemen en -planten. Nu nog is tweederde van alle grond (20000/33000 km2) in gebruik als agrarisch productieland om 2 % van ons binnenlands product te produceren, tegen ééntiende voor stedelijk en industrieel gebruik (330/33000 km2), waar meer dan 90% van het binnenlands product geproduceerd wordt door de mensen die ook in meerderheid binnen diezelfde ruimte moeten wonen. Te voorzien is dat het agrarisch gebruik zal krimpen en dat de behoefte aan ruimte voor stedelijk gebruik zal toenemen. Bij die laatste behoefte moet zeker ook de behoefte aan natuur gerekend worden. Meer ruimte voor natuur, liefst dichtbij de grote agglomeraties, hoort bij stedelijke vernieuwing. Het voormalig agrarische landschap biedt ruimte en kan ingericht worden voor natuur en natuurervaring. Als tien procent van het agrarisch areaal wordt ‘gerenatureerd’ levert dat 100 procent meer natuurgebied op.
Onze grootste agglomeraties liggen aan de uitgestrekte laagveenlandschappen tussen de grote rivieren en de duinkust. In al die laagveengebieden zijn de veehouderij en de waterhuishouding problematisch en is de behoefte aan waterberging en natuurrecreatie groot. Geen wonder dat daar overal gestudeerd wordt op projecten waarin terugtrekkende landbouw, nieuwe ruimte voor water, natuurontwikkeling en natuurrecreatie gecombineerd worden. Projectontwikkelaars worden erbij gehaald om met lucratieve bungalowparken en jachthavens de kosten van de natuur voor iedereen te drukken.
Een belangrijk aspect van de nieuwe natuur is de toegankelijkheid. In het voormalige agrarische productielandschap was het oude kleinschalige stelsel van voetpaden en vaarwegen uitgewist door achtereenvolgende ruilverkavelingen, normalisaties en mechanisering. Voor de nieuwe natuurrecreatie zal het landschap opnieuw worden opengelegd, niet overal en altijd, maar in principe wel zoveel mogelijk. Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer stellen hun terreinen al zo veel mogelijk open.
Experimenteel onderzoek
Ontwerpen voor nieuwe kunstmatige natuur was ooit het gebruikelijke werkterrein van tuin- en landschapsarchitecten. Tegenwoordig wordt het opgeëist door de ecologen als strategie om technocratisch gedefinieerde natuurdoeltypen te verkrijgen. Als ontwerpopgave lijkt het uit de kunst, de tuinkunst en de landschapsarchitectuur grotendeels verdwenen te zijn. Omdat er nog maar weinig nieuwe natuurgebieden zijn ontworpen, heeft iedere opgave op dit gebied nog het karakter van een experiment, een praktijkonderzoek. Eén experimenteel ontwerponderzoek is dat van Herman de Vries voor een nieuw natuurgebied in de Kop van Overijssel. Het ligt weliswaar wat verder af van de grote agglomeraties van de Randstad maar het zou kunnen dienen als model voor ontwerpopgaven die ook in de veengebieden langs de Randstad spelen.
Zoals op veel plaatsen werd ook het laagveen in Noordwest-Overijssel laat in de Middeleeuwen voor de landbouw ontgonnen, eerst voor akkerbouw, later veeteelt. Op erg drassige delen werden riet en wilgen geteeld. Voor de afwatering zijn weteringen gegraven om dwars daarop lange smalle opstrekkende kavels te ontginnen, die van elkaar gescheiden werden door evenwijdige kavelsloten. Zo ontstond het typische, rechtlijnige veenweidelandschap. Nadat in de late Middeleeuwen de bossen waren gekapt, werd de verwerking van veen tot turf economisch interessant, zelfs als die ten koste ging van de veehouderij. Het oude ontginningslandschap is grotendeels afgegraven, maar het ontginningspatroon van de weteringen, de opstrekkende kavels en de parallelle kavelsloten bleef herkenbaar. Smalle stroken land bleven gespaard om te dienen als legakkers voor de opgebaggerde veenspecie die op hopen te drogen werd gelegd. Toen vanaf de jaren dertig in de vorige eeuw de turfwinning werd stopgezet omdat steenkool en steenkoolgas de brandstofvoorziening hadden overgenomen, bleef een landschap over van brede met water gevulde turfgaten (petgaten) afgewisseld met smalle legakkers, en van rietlanden op stukken die nog niet waren uitgeveend en die nog dienden voor rietteelt. Dit landschap lag te wachten op een nieuwe rationele herontginning met een zeer diepe ontwatering die opnieuw landbouw mogelijk zou maken, nu op een nieuwe diep gelegen zanderige bodem. Deze herontginning is in de eerste helft van de twintigste eeuw ter hand genomen. Alleen waar ze nog niet voltooid is zijn de overblijfselen van de oude turfwinning te zien: de langgerekte petgaten, soms nog steeds gescheiden door de oude legakkers die nu vol ruige begroeiing staan, en soms door de golfslag tot brede meren verenigd. In Noordwest Overijssel is dat het geval bij De Weerribben en De Wieden. Doordat ze gespaard werden voor herontginning hebben beide gebieden zich in enkele decennia kunnen ontwikkelen tot waardevolle natuurgebieden en internationaal hooggewaardeerde beschermde wetlands, laagveenmoerassen. Ze behoren inmiddels officieel tot de ecologisch waardevolle landschappen die moeten worden beschermd tegen alle oprukkende gevaren. Daartoe is de Ecologische Hoofd Structuur in het leven geroepen, een stelsel van maatregelen dat ecologisch belangrijke gebieden beschermt en versterkt, onder andere door zogenaamde verbindingszones, waar schadelijke activiteit wordt geweerd en zelfs nieuwe natuur wordt aangelegd.2
Samengaan van kunst, wetenschap en filosofie
De provincie Overijssel, Staatsbosbeheer en de Dienst Landelijk Gebied zijn samen met de lagere overheden verantwoordelijk voor de aanleg van een ecologische verbindingszone tussen de laagveenmoerassen van Noordwest-Overijssel en Zuidoost-Friesland. Namens de provincie werd door de Stichting Kunst en Cultuur Overijssel aan Herman de Vries opdracht gegeven om in overleg met landschapsarchitect Kees Kloosterman en andere deskundigen een studie te verrichten naar de inbreng die hij als kunstenaar zou kunnen leveren bij wat genoemd werd de ‘landschappelijke renaturering’ (beheerste natuurontwikkeling) van het gebied. Twee laaggelegen stukken landbouwpolder, grenzend aan De Weerribben en samen 300 ha. groot, zijn aangewezen als proefgebied. In 1998 bracht hij een rapport uit waarin enkele overwegingen die hem hebben geleid zijn opgenomen evenals schetsen en suggesties voor de ruimtelijke inrichting.
De Vries begint zijn rapport met overwegingen over de geldigheid van een kunstopdracht voor een nieuw natuurgebied, dus over de opdrachtgeving: “in natuur, in een natuurlandschap mogen we niet meer ingrijpen, tenzij om het te behouden tegen invloeden van buiten (dat is dan weer cultuur).(…) kunst in natuur is volkomen overbodig! natuur is zichzelf genoeg en moet ons ook genoeg zijn. met kunst kunnen we natuur niet rijker maken of verbeteren.(…) in een cultuurlandschap kan men ingrijpen... (…) hoe meer het landschap verstoord is, hoe meer het kunst gebruiken kan... (…) oude (…) cultuurlandschappen moeten beschermd worden (…) kunst die hier ingrijpt mag geen vreemd obstakel voor het oog zijn, maar moet de samenhang zoeken. (…) in een cultuurlandschap weer natuurlijke bestanddelen te ontwikkelen is voor mij kunstzinnige handeling(...).
Zijn benadering voor de ‘renaturering’ van een stuk cultuurgrond is filosofisch èn wetenschappelijk. Het ontwerp vat hij op als een werk van kunst waarin aspecten van wetenschap en filosofie zijn geïntegreerd. Eerst zal de filosofie van de opgave worden overwogen en vervolgens zal kennis van kunst, esthetiek, ecologie en cultuurtechniek worden ingezet. Naarmate de natuur haar voltooiing zal bereiken (over vele decennia) zal het kunstwerk langzamerhand verdwijnen en onzichtbaar worden, uitgevaagd door de natuur, die uiteindelijk vooral uit moerasbos, elzenbroekbos, zal bestaan, ecologisch rijk, landschappelijk aansluitend bij de aanliggende natuurgebieden, wel met een eigen maar niet storend contrasterend karakter. Ligt de eerste functie van het gebied in natuurbescherming, als tweede ziet hij de uitbreiding van mogelijkheden van op natuurbeleving gerichte recreatie. Over het belang daarvan stelt hij: “de natuur is onze primaire werkelijkheid. Het begrip natuur is wel (…) omschreven als (…): de ons omgevende wereld in haar wetmatige veranderingen en met haar gehele inhoud, namelijk voorzover ze nog onveranderd staat tegenover de invloed van de mensen, daarom ook in tegenstelling tot cultuur en kunst(…) het is van groot fysiek, psychologisch en cultureel belang voor de bewoners van een hoogontwikkeld, modern gebied als nederland, met een zeer hoge bevolkingsdichtheid, dat een voor ieder toegankelijke natuur voor directe ervaring beschikbaar is. Zonder deze eigen ervaring van de primaire werkelijkheid lijden we een groot verlies aan kennis en worden we afgesneden van de wortels van onze existentie(…). Vervolgens constateert de Vries dat natuur in Nederland uitsluitend kan bestaan dankzij beheer, cultuurlijk bepaald ingrijpen in de werkelijkheid. Dat is wel noodzakelijk, en we moeten er desnoods andere belangen voor opzij zetten, we zijn nu eenmaal met veel te veel mensen aangewezen op een veel te klein restje natuur, maar het is niet ideaal. Eigenlijk zou natuur niet beheerd moeten worden, maar met rust gelaten moeten worden en voor zich zelf kunnen bestaan. Ook dat gegeven, het besef dat natuur er al is en al volmaakt is zonder onze bemoeienis, is van belang voor onze relatie met natuur. De Vries zal daarom ook voorstellen om bepaalde gedeelten van het nieuwe natuurgebied en trouwens ook in het bestaande natuurgebied van De Weerribben, niet voor publiek toegankelijk te maken, ook niet voor wetenschappelijk onderzoek.
Na deze overwegingen omtrent de opdracht formuleert Herman de Vries zijn uitgangspunten voor de vormgeving. Hij wil met het nieuwe natuurgebied de aanzet geven voor een groot waterpark, een ‘watergoed’ met waterlanen en waterlabyrinten, als (het begin van een) verbinding tussen de beschermde landschappen van de Weerribben en de nabijgelegen Wieden. Dat wat begint als een kunstwerk dat de renaturering van een landschap teweegbrengt, zal zichzelf op de lange duur laten wegvagen door de natuur zelf. Deze gedachte is geïnspireerd op het idee van de zen-tuin, maar geldt tegelijk als kritiek op de kunstmatigheid van de zen-tuin. Die kan immers haar eigen ideaal van asymmetrie, eenvoud, spontaneïteit en vrijheid van formalismen toch niet zo volmaakt verwezenlijken als de natuur zelf. Het Watergoed is nog geen zuivere natuur, het is nog cultuurnatuur, maar zuivere natuur is wel een ideaal waar we naar kunnen streven (ook dat is cultuur). Het Watergoed zou op de duur de hele Kop van Overijssel moeten omvatten en uitgroeien tot meer dan een lokale uitbreiding van De Weerribben: het moet ook een devies worden voor een nieuwe culturele grondhouding ten aanzien van de natuur.
Onconventioneel
De kunstmatigheid van het Watergoed wordt geaccentueerd door een rechthoekig rasterpatroon waarmee het gebied wordt verdeeld in vierkante blokken en een rechthoekig stelsel van sloten en watergangen. De maaswijdte van het raster is afgeleid van de kavelbreedte in de bestaande polder, ongeveer veertig meter, voor de blokken om praktische redenen verdubbeld tot tachtig meter. Deze kunstmatigheid van het patroon wijkt niet veel af van de kunstmatige patronen in de aangrenzende polders en in de Weerribben, overeenkomstig De vries’ adagium dat kunst in een oud cultuurlandschap niet te veel moet contrasteren. Zij wijkt echter wel sterk af van de conventionele manier waarmee door ecologen de indeling van nieuwe natuurlandschappen wordt ontworpen en waarbij zij de contouren in de natuurlijke ondergrond als uitgangspunt nemen. De blokken krijgen verschillende hoogten, hetgeen wenselijk is om bij een stijgend polderpeil een variatie van natuurontwikkelingen en verlandingsprocessen (de vorming van nieuw laagveen) op gang te brengen. Stijgend polderpeil wil zeggen dat de kunstmatige, drie meter verlaagde waterstand in de polder langzamerhand omhoog gebracht zal worden naar een meer natuurlijk, hoger peil, dichter bij dat van De Weerribben. Helemaal stoppen met bemaling kan voorlopig niet, want dan zou al snel een groot diep meer ontstaan waar de verlanding en de variatie in natuurontwikkelingen in geen decennia merkbaar zouden zijn. De verschillende hoogtetrappen voor de blokken zijn op ecologische gronden vastgelegd. Het zijn er negen, van zestig centimeter boven tot anderhalve meter onder het waterpeil. Daar wordt een afwisseling van nat schraalgrasland, rietland en ruigte, rietcultuur, laagveenmoeras en zoetwatergemeenschap mee beoogd. Zo worden in ambtelijke termen, niet die van Herman de Vries, de verschillende ‘natuurdoeltypen’ benoemd. Rietteelt is hiertussen de enige vorm van commerciële landbouw, toegelaten omdat hij dicht bij de natuur staat en karakteristiek is voor dit landschap. Om deze variatie in natuurontwikkeling gelijkmatig te verspreiden over het gebied past De Vries een objectiverende toevalsmethode toe. Met die methode, ontleend aan een handboek voor veldbiologisch onderzoek, wordt voor ieder blok de hoogtetrap bepaald, zonder dat de persoonlijke omstandigheden of smaak van de onderzoeker, hier de kunstenaar Herman de Vries, een rol spelen.
In zijn onderzoekingen als kunstenaar ontdekte De Vries dat de methode bij een voldoende aantal elementen, minimaal twintig, altijd een esthetisch bevredigend resultaat oplevert. Het Watergoed telt honderden blokken als elementen van de esthetische compositie. Zijn keus voor een objectiverende methode licht hij toe door te stellen dat hij in zijn beeldende werk niets anders wil scheppen dan de werkelijkheid. Kunst is wat hem betreft te definiëren als “een ervaarbare bijdrage tot bewustzijn of tot bewustwordingsprocessen en hoeft als zodanig dus niet gebonden te zijn aan haar eigen geschiedenis of aan die van de maker. Omdat de werkelijkheid, die wij voortdurend in haar onderdelen ervaren, in haar geheel te groot is om te ervaren, schept hij als kunstenaar een klein deel van de werkelijkheid, maar wel een deel waarin het geheel te herkennen is. Objectivering is geen doel op zich maar een middel om het persoonlijke (niet het menselijke) uit te bannen uit het werk, om te voorkomen dat dat de inhoud van het werk zou gaan bepalen en een openheid en vrijheid van ervaring in de weg zou staan. Objectivering is ook geen abstractie, het gaat om de concrete werkelijkheid. Zijn werk is concreet en objectief. Dat maakt het ook ervaarbaar over langere periodes en voor grote groepen van de bevolking, onafhankelijk van een veranderbare context of van al of niet beschikbare kennis.
Eveneens met behulp van de toevalsmethode wordt tussen de blokken een labyrint van watergangen en sloten ontworpen, dat door de toevalsverdeling van aanstromend kwelwater de variatie in natuur nog vermeerdert en dat toegankelijk is voor kleine boten, via een schutsluis en een overtoom vanuit De Weerribben en vanuit de wetering waar de middeleeuwse ontginning ooit mee begonnen was. Voor wandelaars wordt over de hogere delen een aantal paden aangelegd, voorzien van vlonders om natte delen over te steken. Voor bezoekers die een paar dagen achtereen in het gebied willen verblijven zijn een paar woonboten beschikbaar. Het artificiële karakter van het watergoed wordt op subtiele wijze geaccentueerd met kleine bijzondere elementen als een eilandje met elzen, een waterlelievijver ter gedachtenis van de Duitse natuuronderzoeker en filosoof Gustav Theodor Fechner. Een bestaande verhoging in het terrein wordt beplant met eik en meidoorn, en een oude boerderij langs de wetering komt in een eigen poldertje te liggen.
Bij een latere doorwerking van het ontwerp is het hoogteverloop in het gebied, dat ca. 1 meter bedraagt en waar eerst geen rekening mee was gehouden, nog verdisconteerd. Het gebied werd daartoe verdeeld in een aantal hoogteklassen. Aan iedere hoogteklasse werd een deel van de negen hoogtetrappen toegekend, namelijk dat deel dat het meest geschikt was om de (ambtelijk gestelde) natuurdoeltypen te realiseren. Binnen iedere hoogteklasse werd de toevalsmethode toegepast om het betreffende deel van de hoogtetrappen (in de bodemhoogten) aselect toe te kennen aan de blokken. Dat bleek geen merkbare aantasting van de esthetische kwaliteit op te leveren. Voordelen waren minder kosten van grondverzet en een betere score voor het behalen van de ‘natuurdoelen’. Op deze punten bleek het aangepaste ontwerp de vergelijking met een conventionele aanleg voor natuurontwikkeling te kunnen doorstaan.
Na een filosofische doorwerking van de opdrachtgeving is De Vries tot een ontwerpmethode en een schets voor een ontwerp, dus tot een vormgeving gekomen die bij uitstek geschikt was voor de opgave: objectief en concreet, gericht op natuurontwikkeling, natuurervaring en bewustwording van natuur en cultuur. Een panel van ambtenaren en deskundigen op het gebied van cultuurtechniek, landschapsecologie, landschapsarchitectuur en beeldende kunst gaf op esthetische en artistieke gronden de voorkeur aan de aanpak van De Vries boven die van een conventionele natuurontwikkeling. Met deze aanbeveling ligt het plan nu voor nadere bestudering bij de provincie.
Govert Grosfeld
1. Watergoed kop van Overijssel, door Herman de Vries, uitgave Esselink Stichting en Mondriaan Stichting, Zwolle en Amsterdam, 1999.
2. Het project maakt deel uit van het Strategisch Groen project van het Ministerie van landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van het Gebiedsgericht Beleid Noordwest-Overijssel van de provincie.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte













