Nattigheid
De zee likt aan het land. Het land bedijkt zich.
Het land wil scheiden, de zee wil mengen: slikken en gorsen, slufters en moerassen. De zee zuigt aan de dijken, slurpt van stranden, wiegt het land in zeearmen en riviermondingen.
Wij staan aan de kant van het land, willen het water bedwingen. Het water laat zich bedoen, maar niet beheersen. Wij laten niet over ons lopen, niet door rivieren en niet door de vloed. Dammen, sluizen en keringen, er is van alles geprobeerd en het werkt voor een tijd, onze tijd, misschien tot in het zevende geslacht, maar niet tot in het zeventigste of het zevenhonderdste geslacht. Eens wordt alles weer overspoeld, zoals het ook ooit eens is drooggevallen of drooggemalen.
Wie dan leeft, wie dan zorgt. Wie dan verdrinkt, zal dan verwijten…
Nu is het nu, en nu moet het droog blijven.
De Zeeuwse stormvloed is gewroken, het water gestraft. Langs de zee is daar een gedenkteken geplaatst- de kustlijn is streng gecorrigeerd met torenhoge, verticale structuren die verwijtend uit het water naar de hemel omhoogrijzen om een almacht (een wrekende god, een nalatige gezagsdrager?) rekenschap te vragen van de nietsontziende verwoesting die de stormvloed daar ooit heeft aangericht en waarvoor Rijkswaterstaat met dit 'Deltawerk' een memento heeft willen oprichten.
Met dit monument wordt de mens door het beton gewroken; met elk getij wordt het water als in een rituele boetedoening gedwongen door de poorten en de gangen van deze monumentale structuur te gaan, om in de achterliggende bekkens stil en brak tot bezinning te komen zonder dat van vergiffenis ooit sprake kan zijn in deze nooit aflatende loutering.
Het water kruipt door en sluipt door, maar het houdt nooit op.
De mensen willen zekerheid, het mag in geen tien, geen honderd, nee, in geen duizend jaar opnieuw gebeuren. De rivieren moeten gezeglijk binnen hun oevers blijven, de regens dienen ophouden bij het eerste teken van de weerstatistiek, de getijden hebben zich te houden aan de verzekeringspolis.
De rivierloop wordt rechtgetrokken, de walletjes, dijkjes, bosschages, heggetjes en hagen zijn weggewalst bij de verkaveling. Niets kan het water nog vasthouden, het moet dadelijk doorstromen over de vlakke, rechte akkers. De beek meandert niet meer maar loopt linea recta de rivierbedding in. De sloot is van alle stremmende groeisels leeggedregd en loost meteen op de vaart die rechtstreeks naar de boezem wordt uitgemalen. Vrij baan voor het water dat stromen kan, als het maar wegstroomt. Zo komen de rivieren uit het hooggebergte aangeraast, zonder dat nog iets hun vaart belemmert, tot ze als een wal van water het laagland bereiken. De uiterwaarden lopen vol, de bekkens lopen vol. Een volgende watersnood dreigt.
Het water loopt de kelders in, de straten staan blank, de akkers lopen onder. Dat was niet afgesproken. De bewoners hebben recht op droge voeten, dat is hun grondrecht. Zij eisen terstond genoegdoening, niet van de goden, niet eens van hun elementen, maar van de autoriteiten. Dat treft, die kunnen nog wel een vergoeding missen en een voorziening treffen. Dijken worden verhoogd, bouwgronden hoger opgespoten, waterkerende, vochtwerende wanden en vloeren geplaatst. Dat helpt, voor een jaar, voor vijf jaar, de bewoners voelen zich al veel beter, voelen zich veilig in hun vergeten van de vorige keer. Het zal zo'n vaart niet lopen. Dan staat ineens het water weer hoog en slaat opnieuw de verontwaardiging toe. Men eist terstond en nu meteen hogere dijken, steviger wallen, grotere sluizen. De gemeenschap moet dat betalen. Uit de openbare kas voor de eeuwige strijd tegen het water.
Moet het water zich voegen naar mensen of moeten de mensen zich schikken naar het water? Die vraag heeft geen zin, want het water antwoordt niet en de mensen preken dus voor hun beurt. Misschien moeten de mensen toch wat meegaander worden en het water meer op zijn beloop laten. Als niet alle overlast te voorkomen is, dan kan misschien de schade beperkt worden.
Dat begint al met bouwen en wonen. Mensen wonen liefst dichtbij het water, maar willen vooral niet dat het water hun te na komt. Liefst zouden ze op hoge terpen wonen, die hun voor alle eeuwigheid droog houden. Als dat niet kan moet de hele woonwijk als een middeleeuwse veste door dijken worden omringd.
Ze willen tot elke prijs het water weren en keren, maar ze zouden ook mee kunnen geven. Amfibisch wonen is dat genoemd, in het water en op het land, als salamanders en kikvorsen, of menselijkerwijs, in landingsvaartuigen. Woonboten liggen dicht aan de kant, ze stijgen en dalen met de waterspiegel en passen zich bij het water aan. Maar bij eens stormvloed raken ze al te gauw op drift.
Huizen kunnen ook boven het water staan. Op palen. Overal ter wereld, waar water en land elkaar raken hebben mensen hun huizen op palen gebouwd. Ook in Nederland staan paalwoningen, in Helmond en Rotterdam precies op de plekken waar ze niet nodig zijn, midden in de stad waar het water alleen nog in leidingen en putten, goten en riolen beweegt. De strandpaviljoens staan op palen en precies om de goede redenen: omdat het strand bij springtij overstroomt. De staruimte eronder is vergeten en blijft ongebruikt. Er slingeren verrotte strandstoelen, kinderen spelen er verstoppertje en 's nachts weten verliefde paartjes elkaar daar te vinden.
Goed beschouwd zijn de meeste huizen in Nederland paalwoningen, met palen onderheid tot op de eerste zandlaag. Ze hoeven alleen nog maar te worden uitgegraven, ontdaan van het onderliggende zand, en ze tonen op hoge poten hun ware aard.
Wanneer het water hoog staat blijft de paalwoning droog. Maar meestentijds, wanneer geen water te bekennen is, heeft de paalwoning een begane grond onder de parterre (of volgens sommigen een parterre onder de begane grond). Dat overbouwd terrein wordt schaduwtuin of kinderspeelplaats, overdekte garage of schuur zonder muren (waar al gauw schotten omheen komen te staan). Het wordt een geitenstal, een hondenkennel, een terrarium, aquarium, volière. Het verandert in een beeldentuin, een kruidentuin, een hennepkwekerij. Wie daar zijn mooie spulletjes opslaat belooft het water op termijn een buit. De auto kan nog bijtijds vluchten, maar het afgedankte bankstel niet. Dat drijft straks op de golven weg. De overkapte begane grond is terra incognita, in Nederland nog onbekend gebied. De eerste tijd blijft elke afdaling van de woonverdieping naar de ondergrond nog een verkenning.
Misschien blijft het onderhuis wel leeg en open. Voor de passant zou dat het mooiste zijn, huizen die op poten staan, als insecten in het gelid, klaar om weg te wandelen als ze ooit leren lopen. Ook dat zou mogelijk zijn. Huizen die hydraulisch omhoog komen en zich laten zakken op hun palen wanneer de bewoners zin hebben om zich te verheffen of juist af te dalen, met de getijden, met het weer, met hun eigen luimen. Bij zonsopgang komt het ene huis na het andere op uit het bedauwde gras en rijst de nieuwe dag tegemoet. 's Nachts vleit het huis zich op zijn ondergrond. Huizen die bij de minste onraad of bij ongewenst bezoek steil de hoogte in schieten; huizen die wanneer de bewoners vertrekken of wanneer zij ongestoord willen blijven zichzelf in de grond laten verdwijnen tot enkel nog een schoorsteen uit het maaiveld steekt. Huizen die met wankele passen van plaats verwisselen, of met wijde stappen er vandoor gaan.
Dat is allemaal net nodig. Het is mogelijk. Een eenvoudig paalhuis blijft op zijn plaats en verroert zich niet. Het biedt bescherming tegen overstromingen, het biedt de bewoners extra ruimte op de begane grond, naar eigen inzicht te gebruiken, het biedt een weidser uitzicht, over de dijk, voorbij de bomenrij, het geeft geen inkijk aan voorbijgangers. Het herinnert in zijn vormgeving aan het water dat daar ooit geweest is en dat ooit een keer terugkomt, zonder dat het dan veel schaden zal.
Amsterdam, 18 februari 2002
Stichting Kunst en Openbare Ruimte