Kunst als medicijn
Sinds 1984 bestaat er in Nederland een regeling op basis waarvan het mogelijk is kunst bij nieuwbouw van volksgezondheidsinstellingen te realiseren. Deze regeling dateert uit de beginperiode van het ministerie van WVC, voor wat de C betreft de opvolger van CRM. Het politieke dobbelspel had bepaald dat Volksgezondheid en Cultuur onder hetzelfde dak zouden verkeren en minister Eelco Brinkman maakte daar goed gebruik van. Blijkbaar achtte hij het zijn taak alle onder hem vallende departementen tot de kunst te bekeren, te beginnen met Volksgezondheid. Net daarvoor hadden beleidsmedewerkers van CRM bepleit dat de Stichting Praktijkburo Beeldende Vormgeving onder directe ministeriële verantwoordelijkheid werd geplaatst. Privatiseringsoperaties waren nog niet aan de orde en het ministeriële adres werd nog gewoon met de typemachine boven de brief getikt. Met de komst van WVC verdween de term Vormgeving achter Praktijkburo. Ze werd vervangen door Kunstopdrachten. Wel werd voor het eerst aan een vormgever, Walter Nikkels, opdracht gegeven het ministeriële logo te ontwerpen.
Het Praktijkbureau Beeldende Kunstopdrachten werd belast met de uitvoering van bovengenoemde regeling, eerst als buitenpost van het ministerie, daarna als onderdeel van een stimuleringsfonds beeldende kunst, toen als onderdeel van de Mondriaanstichting en nu ligt de uitvoering in handen van de opvolger van het Praktijkbureau, de Stichting Kunst en Openbare Ruimte oftewel SKOR.
Het Praktijkbureau was opgericht om voor de meest uiteenlopende situaties zogenaamde voorbeeldstellende projecten te realiseren. In tegenstelling daarmee was de toegeschoven klus erg regulier en eenduidig. Kunst bij nieuwbouw van volksgezondheidsinstellingen vanaf een kale bouwsom boven de twintig miljoen gulden. Dat waren in die tijd vooral ziekenhuizen en psychiatrische klinieken. De cultuurpolitieke visie achter de oprichting van het Praktijkbureau spoorde wel met het onderbrengen van deze regeling binnen het bureau. De hoofdtaak was toen het tot stand brengen van kunst in relatie tot de gebouwde omgeving, met de bedoeling een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van die omgeving en zo veel mogelijk mensen ongevraagd met kunst in aanraking te brengen. Toen heette dat verticale cultuurspreiding, later heette dat cultuurparticipatie.
Zoiets gebeurde ook met het slecht gedefinieerde begrip gebouwde omgeving, waarvoor nu de al even slecht gedefinieerde term openbare ruimte in de plaats is gekomen. Hoe dan ook ging het in de volksgezondheid om meestal grote semi-openbare gebouwen waar mensen uit alle rangen en standen zich toegang tot verschaffen om er te werken, verzorgd te worden of om familie en bekenden te bezoeken. Bovendien bevinden de gebouwen zich perfect verspreid over heel Nederland, een beter voorbeeld van de al even zeer gewenste horizontale cultuurspreiding is amper denkbaar.
Representatieve afspiegeling
In vergelijking met de voorbeeldstellende praktijk van het bureau waren projecten bij volksgezondheidsinstellingen eenvoudiger te realiseren. De financiering was op voorhand geregeld en het overleg minder complex. Bovendien was er nu sprake van veel meer binnenlocaties. De gerealiseerde kunstwerken waren een goede afspiegeling van de stand van zaken in de Nederlandse beeldende kunst van die tijd: sculpturen, schilderingen en inrichtingen van buitenterreinen. De resultaten waren niet slecht, maar voorspelbaar. Dat lag misschien ook aan de gevolgde procedure: schetsontwerp, definitief ontwerp, uitvoering en oplevering. Alles volgens het boekje en iedere fase contractueel vastgelegd.
Soms verliep deze goed bepaalde orde minder ordelijk en dan gebeurde er iets onverwachts. Gemotiveerde opdrachtgevers hielden vol en kregen een uitzonderlijk werk (wel vaak onder het motto: hoe leg ik het uit aan de achterban), anderen haakten af en kregen niets (wat ook geen probleem was). Wel of niet uitgevoerd, het was allebei van belang want deze gerealiseerde werken en niet uitgevoerde plannen stimuleerden de discussie en verkenden de grenzen van wat voor mogelijk werd gehouden of wat mogelijk was.
Misschien wel alweer twintig jaar geleden becommentarieerde Joep van Lieshout de architectuur van een vestiging van de GGD op de Zuid-Hollandse eilanden door een alternatief te bieden voor het min of meer verplichte verlaagde plafond, hetgeen een onverlaagd plafond opleverde. Kort daarna hield Marlene Dumas maar niet op met het portretteren van psychiatrische patiënten van ’t Hooghuys te Etten Leur en interpreteerde ze hun karakters middels afbeeldingen van huisdieren en knuffelbeesten. Voor ziekenhuis De Grote Beek te Eindhoven, een voormalige rijkspsychiatrische Inrichting, stelde John Körmeling voor het uiterlijk van een bestaand paviljoen intact te laten maar daaruit alle vensters, deuren en binnenmuren te verwijderen. De dragende constructie zou vervangen worden door een constructie van stalen balken die zouden rusten op een achttal zuilen van circa 2,5 meter doorsnee waar omheen kransen van groene TL-verlichting waren aangebracht. Een gebouw dat naar buiten treedt en daarmee als patiënt wordt behandeld. Dit plan ging om allerlei redenen niet door.
Nu zouden deze drie vroege voorbeelden in hun benadering van een op zich conventionele opdrachtsituatie niet meer zoveel opzien baren, maar toen lieten zij zien dat het wel degelijk mogelijk was om met kunst in volksgezondheidsinstellingen niet-gebaande paden te bewandelen. In feite is dat toch wat men van de kunst zou moeten verwachten. In de daaropvolgende periode gebeurde dat steeds vaker, ongeacht het medium waarvan de kunstenaar zich bediende. Een indrukwekkende lijst projecten van Nederlandse en buitenlandse kunstenaars laat een hoeveelheid werken zien waarmee, indien losgerukt van hun situationele context, gemakkelijk een museum voor hedendaagse kunst zou kunnen worden gevuld, inclusief de omliggende terreinen. Sculpturale, fotografische, filmische en schilderkunstige werken werden vergezeld door therapeutische voorstellen voor verslavingsklinieken, een artist in residence plek op het terrein van een psychiatrische kliniek en interactieve werken waarmee bijvoorbeeld een spelletje boter, kaas en eieren kon worden gespeeld (dit laatste voor de meest opervlakkige beschouwer).
Sommige werken uit de beginperiode van de regeling zijn inmiddels verdwenen omdat het gebouw waarvoor het werk was bedoeld al weer is gesloopt en er vervangende nieuwbouw heeft plaatsgevonden. Andere werken zijn verdwenen vanwege het overschrijden van de houdbaarheidsdatum, zoals dat van Tadashi Kawamata voor de Brijderstichting in Alkmaar waarvan na vijf jaar het gebruikte hout totaal was verweerd, hetgeen ook was voorzien. Voor technisch gecompliceerde of onderhoudsgevoelige werken werd steeds vaker een bepaalde periode afgesproken waarbinnen het werk zou moeten functioneren. Meestal betrof dat een periode tussen de vijf en tien jaar. Met tegenzin zal daarom binnenkort afscheid worden genomen van het werk AAP van Aernout Mik in de Sint Maartenskliniek te Ubbergen. Wie nog een goed tehuis kan aanbieden onder voorwaarde dat er de nodige witte jassen rondlopen en er wat geld voorradig is om de reanimatiekosten te betalen, is welkom.
Ziek zijn wordt fun
Met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet Toetreding Zorginstellingen zullen er grote veranderingen plaatsvinden in de wijze waarop in Nederland de institutionele volksgezondheidszorg zal worden bedreven. Deze organisatorische omwenteling valt samen met nieuwe opvattingen over bijvoorbeeld de bouw en inrichting van ziekenhuizen en andere zorginstellingen. Naar verwachting zal niet langer een medisch-technologische concentratie prevaleren maar gedecentraliseerde kleinschalige clusteringen binnen een groter geheel. Het oude collectivistische stelsel wordt geprivatiseerd waarmee een individuelere benadering van de zorg wordt beoogd. De patiënt wordt zorgconsument en de behandeling vindt plaats binnen een zorgboulevard of ‘medi-mall’ waar gewerkt wordt met ‘fit-stop’-concepten. Ziek zijn wordt fun. Waarschijnlijk zal de gemiddelde zorgboulevard, met alle dienstverlenende voorzieningen er omheen, nog het meest verwantschap gaan hebben met de logistiek en inrichting van een luchthaven. Wellicht dat de eerstvolgende uitbreiding van Schiphol niet een start- of landingsbaan betreft maar de aanbouw van een ziekenhuis, een kwestie van twee vliegen in een klap.
Hoewel de oude regeling voor kunst komt te vervallen, blijft SKOR zich beijveren voor de inbreng van beeldende kunst bij volksgezondheidsinstellingen en zij zal daarvoor de benodigde middelen ter beschikking blijven stellen. De grote veranderingen die nu gaan plaatsvinden bieden nieuwe uitdagingen aan de kunst en vragen om nieuwe strategieën. Deze zullen niet zozeer worden ingezet om te onderzoeken welke maatschappelijke en culturele taak en welke betekenis kunst in relatie tot ziekte en genezing kan hebben. Belangrijk wordt juist de vraag wat kunst in de toekomst kan betekenen voor volksgezondheidsorganisaties die gehuisvest zijn in een complex waar veel meer taken en functies zijn ondergebracht dan alleen die welke betrekking hebben op de eed van Hippocrates. Dit zou kunnen betekenen dat vaker en al in een veel vroeger stadium kunstenaars worden betrokken bij het ontwerpen, de bouw en aanleg van nieuwe zorginstellingen. Hopelijk valt er dan toch nog soms een verbijsterend mooi kunstwerk te bewonderen.
Tom van Gestel
Deze tekst verscheen in de publicatie Kunst als medicijn , SKOR Kunstprojecten deel twee.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte













