Ervaren van het onbekende Aspecten van kunst in ruimtelijke ordeningsprocessen
‘‘De kunst confronteert de mens met de absolute, onophefbare vreemdheid die zijn bestaan en denken bespookt. In de kunst verschijnt de waarheid als in een donkere spiegel’’ (1)
Hedendaagse kunst wil vooral een verbeelding zijn van de waarheid. Het gaat niet om oppervlakkige waarnemingen die in het dagelijks leven voor waarheid doorgaan, maar om de notie van een achterliggende, diepere waarheid, die fundamenteel onkenbaar is. Zulke vreemde verontrustende waarheid valt niet per se samen met ‘het schone’. Als het om hedendaagse beeldende kunst gaat zien we niet in de eerste plaats verbeeldingen van schoonheid. Eerder wordt onze onzekerheid over het wezen van de dingen aan het licht gebracht en wel in een context van visuele kunst, die zelf ook weer ontsnapt aan een beperkende code van wat beeldende kunst eigenlijk kan zijn.
Hedendaagse beeldende kunst is dan ook sterk verbonden met het filosofische waarheidszoeken.(2) We willen ervaren dat de werkelijkheid in haar diepste wezen verborgen blijft, en dat is wat kunst ons laat ervaren. Kunst zal ons een stap in de richting van het onbekende voeren, zal ons doen verwonderen over het wezen van de dingen, dat wij niet kunnen kennen. De afgelopen 150 jaar heeft zij zich daartoe de vrijheid verworven om buiten oude conventies en ambachtelijke beperkingen te treden. Het staat haar vrij om zich in te laten met wat dan ook en op wat voor manier dan ook. In deze publicatie zal het vooral gaan om de kunst die zich inlaat met het landschap, de gebouwde omgeving, de openbare ruimte, de ruimtelijke ordening, de planologie. Kunst heeft op al die afzonderlijke terreinen geen expertise, claimt deze ook niet, maar komt veelal tot stand in multidisciplinaire verbanden, waarbij experts op verschillende vakgebieden samenwerken. Aspecten van kunst kunnen op hun beurt aan het licht komen in ieder van de afzonderlijke disciplines. SKOR rekent beide mogelijkheden tot haar werkterrein.
Beeldende kunst en gebouwde omgeving
Beeldende kunst als bijdrage aan de vormgeving van gebouwen, steden en het landschap heeft lang een zekere vanzelfsprekendheid gekend, die zij ontleende aan haar wortels in oude ambachten. Kunst en Architectuur verkeerden lang in elkaars gezelschap en beïnvloedden elkaar wederzijds. De voorbeelden uit het verre en uit het recentere verleden zijn overal om ons heen te vinden. Gotische kerken werden zo ijl gebouwd om zo veel mogelijk gekleurd licht van gebrandschilderde ramen binnen te laten. De geometrische abstractie van naoorlogse woonwijken als Pendrecht en Hoogvliet in Rotterdam-Zuid is decennia tevoren al uitgedacht door de artistieke groep De Stijl, waar beeldend kunstenaars en architecten samenwerkten. Nog recenter is de omgevingskunst, vooral bekend geworden met de sculpturale behandeling van pleinen, speelplaatsen en restplekken van de Arnhemse School. Het schoolvoorbeeld hiervan is de golvende vloer van het Roermondse Plein in Arnhem, ontworpen door Peter Struycken voor een typische moderne restruimte bij een hoge brug in Arnhem. (3)
Bemoeienis van moderne beeldende kunst met gebouwde omgeving is echter niet meer zoals voorheen gebonden aan de bouwprogramma’s en de beeldcodes van de kerk, van het hof, van een dominante klasse of aan een allesoverheersende ideologie. Ook voelt de beeldende kunst zich al decennia lang niet meer gebonden aan het een of andere ambacht. Zij is sinds anderhalve eeuw juist bezig geweest om zich vrij te maken van vooropgelegde taken en beperkingen. Toch is de bemoeienis van de beeldende kunst met de gebouwde omgeving nooit verdwenen. De accenten zijn echter anders komen te liggen. De grote verhalen hebben plaats moeten maken voor een meer realistische aanpak, waarbij gekozen wordt voor microstrategieën. Kunstenaars zoeken samenwerkingsverbanden met planologen, architecten, bestuurders en gebruikers om processen langzaam om te buigen of juist nieuwe processen in gang te zetten zonder onmiddellijk in eindresultaten te denken. (4) In het teamwork worden aspecten van kunst geïntegreerd zonder dat een van de teamleden of een van de disciplines zich als de auteur van het kunstwerk uitroept. De vormgeving van de bewoonde ruimte als eindresultaat wordt dan ook niet meer als een eerste of enige prioriteit gezien.
Interactief proces
De onlangs overleden oud-museumdirecteur en hoogleraar kunstgeschiedenis aan de TU-Eindhoven Jean Leering analyseert in zijn boek BeeldArchitectuur en Kunst(5) hoe de gebouwde omgeving tot stand komt in een interactief proces van opdrachtgeving, vormgeving, gebruik en betekenisgeving. In een ‘bouwproject’, is de opdrachtgever eindverantwoordelijke voor de opdracht en de (landschaps)architect of stedenbouwkundige ontwerper voor de vormgeving. Daarmee is het ‘bouwproject’ nog niet voltooid: uiteindelijk geeft de bewoner in het gebruik pas betekenis aan het project. Dit proces is interactief. Een opdracht wordt niet verstrekt voordat de opdrachtgever enige verwachting heeft van wat de ontwerpers ervan kunnen maken en wat de gebruikers er aan zullen hebben. De ontwerpers gaan niet aan het ontwerpen zonder zelf de opdracht en het gebruik te doordenken. Gebruikers wachten niet passief af wat hun zal worden voorgeschoteld: zij amenderen en keuren de opdracht en het ontwerp en kennen aan het uiteindelijke werk een betekenis en een waarde toe die mede door alle voorkennis en betrokkenheid is ingekleurd.
Zo gaan in het project Nieuwe Marke in de Rijssener vallei, dat een voorstel is om gebruikers zelf de opdrachtgeving te laten organiseren, bemoeienis met opdrachtgeving en gebruik gelijk op met een pilot voor de vormgeving van het landschap. Bij de projecten Case Study Krabbeplas en De Uitbreiding van Polder Mastenbroek gaat de bemoeienis met opdrachtgeving en gebruik/betekenisgeving duidelijk vooraf aan vormgeving: ontwerpen komt er nog nauwelijks aan te pas.
We gaan er van uit dat de overheid tegenwoordig niet meer als voorheen verantwoordelijk kan zijn voor de hele planologie.(6) ‘Planologie van onderaf’, of incentive zoning, wordt tegenwoordig dan ook vaak van bovenaf gestimuleerd en gefaciliteerd. Een bijzondere waarde wordt toegekend aan het interactieve proces en met name aan de inbreng van bewoners, bedrijven en rechtspersonen zonder overheidstaken.
Procesmatig
De resultaten van kunstprojecten die zich engageren met opdrachtgeving, gebruik en betekenisgeving zijn echter moeilijker aanwijsbaar dan de kunstprojecten, waarbij de vormgeving als eerste prioriteit geldt. Ze beginnen en eindigen op schijnbaar willekeurige momenten in complexe processen, spelen zich af op locaties waar men geen kunst verwacht, ze nemen allerlei verschijningsvormen aan die men niet met kunst associeert. Zo zullen de percelen, die in het Krabbeplas-project in Midden-Delfland door verenigingen en stichtingen gebruikt gaan worden, door voorbijgangers niet als een beeldend kunstwerk gezien worden. De film, die Sjaak Langenberg en Theo van de Aker over Polder Mastenbroek maakten, is nog wel als een kunstwerk te identificeren, maar wordt bij voorkeur niet in musea of galeries vertoond: het eigenlijke kunstwerk ligt niet besloten in de film maar in het idee en in het proces dat erdoor in gang gezet zal worden. Immers, met deze film willen de kunstenaars bewerkstelligen dat agrariërs en andere ondernemers in deze middeleeuwse polder het landschap behouden door zelf de economische mogelijkheden uit te baten. De kunst in Nieuwe Marke in de Rijssener vallei zit net zo veel in het proces als in de artefacten en de vormgeving van het landschap. Hier zoeken de auteurs naar mogelijkheden om verantwoordelijkheden over te dragen nu de overheid niet meer iedere ruimtelijke ordening zelf ter hand wil nemen. In deze multidisciplinaire en procesmatige kunstprojecten zijn scheidslijnen tussen kunst en niet-kunst moeilijk te trekken. Anders dan voorheen toen het vormontwerp van het landschap als de eerste opgave gezien werd, gaat het nu om een engagement met de manier waarop het landschap en de gebouwde omgeving tot stand komen en hoe deze beleefd worden. Het is ook bekommernis om de verloedering die overal om zich heen grijpt, en om de onmacht die te keren. Het is de wil om er toch wat aan te doen.
Stad en landschap
Door de ingrijpende verstedelijking van het Nederlandse landschap, waardoor stad en landschap niet meer als gescheiden entiteiten worden ervaren, is een nieuwe reflectie op de relatie tussen stad en landschap noodzakelijk geworden. Van oudsher heeft de beeldende kunst een belangrijke rol gespeeld bij de representatie en de ervaring van het landschap. Volgens de Engelse kunstenaarsgroep Art & Language is landschap voor het grote publiek zelfs synoniem met “Onderwerp voor Hoge Kunst’’.(7)
Door Ton Lemaire wordt landschap ondermeer gedefinieerd als “de afbeelding van onze cultuur in de natuurlijke ruimte’’. (8) Cultuurlandschap is door mensen ontworpen en gebouwd op de basis die door de natuur gelegd was. Als die basis nog ongerept is, noemen we het een natuurlandschap. Maar zelfs een ongerept natuurlandschap nemen wij toch altijd waar door een cultuurlijke bril. De natuur die wij zien verandert met de culturele bril die we opzetten. Landschap is, anders gezegd, de culturele bemiddeling waarmee wij natuur en de natuurlijke ruimte ervaren.(9) Zelfs al bevinden we ons in de wildernis, wat we niet lang kunnen volhouden, dan nog nemen wij niet neutraal of naïef waar. Cultureel gevormd als we zijn, ervaren we haar door alle verhalen, prenten, schilderijen, foto’s, films en televisie die we ons herinneren. Cultuurlandschap is het resultaat van bouwen, zowel in de agrarische als in de stedelijke betekenis. Een polder is cultuurlandschap, een stad ook.
Driedeling
De ecoloog Matthijs Schouten ontwikkelde een typologie voor de ervaring van landschappen en stadslandschappen. Hij onderscheidt het arcadische Apollinische landschap, dat we in oude nederzettingen en cultuurlandschappen vinden, het wilde Dionysische landschap, de wildernis, en het planmatige Rationele landschap van de landbouwsteppen, de ruilverkavelingen en de moderne naoorlogse woonwijken. De laatste zijn strikt planmatig ontworpen zonder afleesbare geschiedenis.(10) Uit zijn onderzoeken blijkt dat mensen veel behoefte hebben aan Apollinische, veel minder aan Dionysische landschappen en nog minder aan Rationele landschappen. In de beeldende kunst komen we echter al deze drie typen veelvuldig tegen.
Het Apollinische landschap kan worden gezien als een verschijning van het Schone en het Dionysische als een verschijning van het Sublieme en beide zijn als zodanig niet weg te denken uit de kunst. Maar ook het door velen verfoeide rationele landschap is een dankbaar onderwerp voor verwondering en voor kritiek vanuit de kunst. Met nieuwsgierigheid en vaak bewondering zijn de nieuwe rationele landschappen ontworpen en onderzocht in talloze tekeningen, maquettes, collages, films en foto’s. De omverwerping van oude waarden, de krachtdadige planning, de grote inspanning en het wenkend toekomstperspectief van het moderne landschap kregen in het verleden veel bijval van moderne kunstenaars. De kritiek kwam toen men de keerzijde van een simplistisch toegepast modernisme ging erkennen. Kunstenaars stonden daar zeker niet alleen in. Het naoorlogse modernisme had in de ogen van zijn critici zijn oorspronkelijke utopische lading verloren en had in plaats van de beloofde vrijheid alleen nog een metafysische leegte, een verlies aan betekenis te bieden.(11)
Nieuwe mogelijkheden
Met name in het doordenken en verwerken van dit naoorlogse rationele landschap liggen urgente planologische vraagstukken en belangrijke opgaven voor de integratie van kunst. SKOR heeft de verwachting dat kunst een eigen bijdrage kan leveren aan het interactief proces van de opdrachtgeving, de vormgeving, het gebruik en de betekenisgeving in de ruimtelijke ordening. Het moet dan gaan om wezenlijke aspecten van kunst: vrijheid en de ervaring van het onbekende. De integratie van kunst kan slagen als alle partijen in de vrijheid en de ervaring van het onbekende willen delen.
Govert Grosfeld
1. Omslagtekst bij Frank Vandeveire, Als in een donkere spiegel. De kunst in de moderne filosofie, Amsterdam 2002.
2. zie noot 1.
3. Deze vorm van kunst is echter een tijdlang misbruikt als vulling van lege, betekenisloze ruimte. Het heeft niet geholpen, want die leegte en het onbehagen over de leegte kwamen niet voort uit een gebrek aan vormgeving maar uit heel andere oorzaken, zoals Camiel van Winkel overtuigend heeft aangetoond in zijn boek Moderne leegte . Camiel van Winkel, Moderne Leegte, Amsterdam 2000
4. zie Jeroen Boomgaard ‘Onhaalbaarheid als ideaal’ in Open nr. 5, 2003, pp. 27 tot en met 31
5. Jean Leering, BeeldArchitectuur en Kunst. Het samengaan van architectuur en beeldende kunst, Bussum 2001
6. Jeroen van Westen, Peter de Ruyter, Hilke Floris en Jan Winsemius, Nieuwe Marke in de Rijssener Vallei, ongepubliceerd rapport, Enschede 2004.a
7. Michael Baldwin, Charles Harrison en Mel Ramsden, Hostage. Now They Are, Amsterdam 1996
8. Ton Lemaire, Filosofie van het landschap, Baarn 1970 en Jan Kolen en Ton lemaire (red), Landschap in meervoud. Perspectieven op het Nederlandse landschap in de 20ste en 21ste eeuw, Utrecht 1999.
9. Petran Kockelkoren,’Het landschap in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’ in Open nr. 4, 2003
10. Matthijs Schouten in Verslag van een workshop in Hoogvliet (red. Liesbeth Melis en Govert Grosfeld), 2005, zie www.skor.nl
11. zie noot
Deze tekst verscheen in de publicatie 'Kunst en ruimtelijke (ont)ordening', deel 1 van de reeks SKOR projectdocumentaties.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte