Jorinde Seijdel, Redactioneel Geluid

OPEN 9: Geluid. Geluid in kunst en cultuur
Openbare ruimte manifesteert zich niet alleen visueel maar ook akoestisch: openbaarheid draait om zichtbaarheid én om hoorbaarheid. Het betrekken van de rol van geluid in reflecties over en ontwerpen voor de openbare ruimte is dan ook even urgent als het verdisconteren van het visuele. In Open 9 staan essays over de wijze waarop geluid en geluidsmedia een esthetische, ethische of politieke rol spelen in hedendaagse stedelijke ruimtes. Het nummer getuigt er tevens van hoe radio een ware culturele en artistieke opleving ondergaat en hoe in de kunst geluid ingezet wordt in relatie tot maatschappelijke omgevingen. Er komen internationale kunstenaars aan de orde en er is een mp3 disk bijgevoegd met geluidswerken en interviews.
Open 9 onderzoekt de rol van geluid in het publieke domein. Openbare ruimte manifesteert zich immers niet alleen visueel, maar in grote mate ook akoestisch: openbaarheid draait om zichtbaarheid én om hoorbaarheid. Toch ligt in culturele of sociale analyses van de openbare ruimte het accent nog vaak op het visuele. Geluid wordt, ondanks de alomtegenwoordigheid en onontkoombaarheid ervan, meestal beschouwd als louter illustratief, als bijzaak, of als overlast. Marshall McLuhan beschouwde de dominantie van het visuele kritisch als de ‘rechtlijnige visuele ruimte van het Westerse wereldbeeld’. Deze traditionele ruimte werd volgens hem echter verdrongen door de ‘global village’, geconstitueerd door de elektronische media, die hij vergeleek met een ‘akoestische ruimte’, een mythische, tactiele, organische en geïntegreerde ruimte, die in het teken staat van verbondenheid.
Al lijkt dit nu vooral utopisch, zeker is dat techniek en nieuwe media de auditieve ruimte versterken, of een extra dimensie geven die esthetische, ethische en politieke implicaties heeft. Alleen al hierom is het betrekken van de rol van geluid in reflecties over en ontwerpen voor openbare ruimte even urgent als het verdisconteren van het visuele. De laatste jaren lijkt er dan ook sprake van een toenemende sensibilisering voor de auditieve aspecten van het dagelijkse leven en het publieke domein. Binnen ‘cultural studies’ manifesteert ‘sound studies’ zich als een serieus onderzoeksgebied dat zich richt op de geschiedenis van geluidsmedia, op reflectie over de aard van geluid en luisteren, of op de rol van geluid in de moderne ervaring en waarneming. In de beeldende kunst wordt de potentie onderzocht van geluid als esthetisch, betekenisgevend of communicatief element in relatie tot maatschappelijke of ruimtelijke omgevingen. Het medium radio, in staat gebleken om zich de digitale cultuur eigen te maken, lijkt een ware culturele opleving te ondergaan, en wordt ook uitgebreid artistiek geëxploreerd.
In Open 9 staan essays over de wijze waarop geluid en geluidsmedia een rol spelen in urbane, publieke omgevingen, en openbaarheid kunnen creëren danwel saboteren. Jonathan Sterne, auteur van onder andere The Audible Past: Cultural Origins of Sound Reproduction uit 2002 betoogt hoe ‘akoestisch design’ of ‘sonische architectuur’ in de politiek en vormgeving van de stedelijke cultuur aangewend kan worden als tactisch middel om ruimten te beheren. Alex de Jong en Marc Schuilenburg laten zich in hun ‘popanalyse van het verstedelijkingsproces’ inspireren door Peter Sloterdijk's sferenconcept. Aan de hand van techno, de architectuur van Archigram en de jeugdcultuur Urban stellen ze dat sferen leiden tot een gedeelde stedelijke ervaring. Caroline Bassett gaat, binnen de specifieke context van de stad, in op de kwaliteiten van de door de mobiele telefonie gecreëerde auditieve ruimte, die een nieuwe, mobiele subjectiviteit mogelijk zou maken. In het literaire essay ‘De straat verlengd’ schrijft Dirk van Weelden, vanuit een fascinatie voor het lichamelijke aspect van radioluisteren, over de veranderende relatie tussen radio en openbaarheid. Siebe Thissen stelt in de column ‘Luister en Leer’ het bewaken van auteursrechten in de muziekindustrie ter discussie, in relatie tot zogenaamde ‘audiobloggers’ op Internet.
Tevens komen er in Open 9 een aantal internationale kunstenaars aan de orde, van verschillende generaties, die in hun werk de mogelijkheden, condities of limieten van geluid en openbare ruimte verkennen. Brigitte van der Sande bespreekt, op basis van een interview, werk van Moniek Toebosch, performance- en geluidskunstenaar in wiens oeuvre geluid vanaf het begin een cruciale rol gespeeld heeft. Ulrich Loock analyseert Max Neuhaus’ geluidswerk Times Square, uit 1977, dat onzichtbaar geïnstalleerd is aan Broadway in NYC. Kunstenaar Mark Bain belicht zijn kritische omgang met geluid en ruimte in een tekst over repressieve en subversieve sonische technieken. Het Duitse collectief LIGNA schreef, in het kader van een performance bij de Kalvertoren in Amsterdam, een evocatieve ‘monoloog voor een omroepstem’, over de toekomst van radiokunst. Jeanne van Heeswijk en Amy Plant ontwierpen een nieuw geluidsmedium, de Vibe Detector, als instrument om greep te krijgen op stedelijke veranderingsprocessen. Het apparaat werd getest in een wijk in Londen. Een reeks daaruit voortvloeiende logboekfragmenten en documentaire foto’s illustreren hoe ‘vluchtige lagen van geluid’ een gebied bloot kunnen leggen.
In Open 9 is een mp3 disk bijgesloten waarop werken staan van Toebosch, Bain en LIGNA - van LIGNA niet alleen de geluidsversie van bovengenoemde monoloog, maar ook Dial the Signals!’, een radioconcert voor 144 mobiele telefoons. Op de disk staat tevens een speciale compilatie van radioprogramma’s die in de herfst van 2005 werden gemaakt en uitgezonden tijdens Radiodays, een project van het tiende Curatorial Training Programme van De Appel in Amsterdam. Een van de curatoren, Huib Haye van der Werf, selecteerde voor Open 9 onder meer interviews met Hans Ulrich Obrist en Suchan Kinoshita, en programma’s van Raul Keller, Guy van Belle en James Beckett.
Lees en luister!
Stichting Kunst en Openbare Ruimte





