Uit en thuis
André van Bergen bij de Pompekliniek in Nijmegen
Koortsachtige discussies rond de effectiviteit van de TBS-klinieken hielden de Nederlandse politieke gemoederen in de zomer van 2005 bezig. Een nieuw delict met dodelijke afloop dat een ontsnapte TBS-patiënt eind juni pleegde zorgde voor veel politieke en ook maatschappelijke onrust. Volgens Jos Poelman, directeur van de Nijmeegse Pompestichting, belemmert de enigszins paniekerige aandacht voor recente ontsnappingen het zicht op de eigenlijke doelstellingen die in de jaren zeventig voor deze klinieken werden geformuleerd. Deze richten zich op het voorkomen van delicten, door middel van behandeling, en op het bieden van begeleiding en zorg aan mensen die als gevolg van psychische problemen in aanraking zijn gekomen of dreigen te komen met justitie. Ter beveiliging van de maatschappij worden hier patiënten gedwongen opgenomen en behandeld. De behandeling is gericht op vermindering van de psychiatrische stoornis en het daarmee samenhangend risico van delictherhaling.
De Pompekliniek is een forensisch-psychiatrisch centrum voor 130 patiënten, uitsluitend mannen. Rond 2000 werd de Pompekliniek, die in opdracht van het ministerie van Justitie werkt, door het ministerie verplicht een hoog hek rond haar terrein te plaatsen. De beveiliging was tot dan toe veel minimaler. In het kader van de bouw van dit hek en omdat er nieuwbouw op het terrein plaatsvond kwamen er middelen vrij voor het realiseren van beeldende kunst. De opdracht van de kunstcommissie luidde: “Het is gewenst dat er een kunstwerk wordt gerealiseerd dat de doelstellingen en het beleid van de Pompekliniek op heldere wijze naar de buitenwereld uitdraagt.� Met andere woorden, de opdrachtgever wilde een goede communicatie met de buitenwereld waarmee hij het imago van afscherming wilde doorbreken dat TBS-klinieken tot voor kort, en in een aantal gevallen nog wel, omgeeft. Jos Poelmann drukte in een notitie de rol van de beeldende kunstenaar hierbinnen treffend uit: “Een kunstenaar kan er niet aan ontkomen de harde realiteit en het spanningsveld van onze ingewikkelde taak in enige vorm bloot te leggen.� Een belangrijke voorwaarde was dat het kunstwerk in de directe nabijheid van het hek, aan de drukke verkeersweg die langs de kliniek loopt, zou komen. De communicatie naar buiten zou zo al heel direct gestalte kunnen krijgen.
Scorebord
Op voordracht van SKOR werd in 2002 beeldend kunstenaar André van Bergen (wonend en werkend in Amsterdam) uitgenodigd een schetsontwerp te maken. Begin 2003 kwam hij bij de kunstcommissie met een plan waarvan hij sterk vermoedde dat het vanwege zijn openheid en directheid onmiddellijk zou worden afgewezen. Maar tot zijn verrassing werd het voorstel door een meerderheid met groot enthousiasme ontvangen. Van Bergen stelde voor om pal naast de ingang van de kliniek, achter het hek, een 5 tot 6 meter hoog scorebord te plaatsen waarop de woorden UIT en THUIS prominent te lezen zouden zijn. Het bord zou altijd actief zijn en als een digitale klok zou het elk uur, in rode, oplichtende cijfers, laten zien hoeveel bewoners er binnen of buiten zijn. Buiten de kliniek zijn betekent: met proefverlof, boodschappen doen, familie of vrienden bezoeken of werken. Immers, een belangrijke doelstelling van de TBS is om patiënten die dat aankunnen weer zoveel mogelijk te laten integreren in de maatschappij. TBS-ers bevinden zich dus regelmatig, na zorgvuldige indicatie en onder optimale begeleiding, buiten de instelling.
Tijdens een eerste rondgang over het terrein van de kliniek raakte Van Bergen gefascineerd door de vele en uitstekend geoutilleerde sport- en recreatiefaciliteiten. Deze vervullen tijdens het medisch-therapeutische traject een belangrijke functie. De kunstenaar probeerde zich te verplaatsen in de belevingswereld van de ‘spelers’ en vroeg zich af hoe deze de begrippen THUIS of UIT binnen de gegeven omstandigheden zouden beleven. De woorden UIT en THUIS krijgen op het scorebord, buiten de context van bijvoorbeeld het voetbal en functionerend als kunstwerk, een andere lading. Wat is de betekenis van deze woorden voor de bewoner van een TBS-kliniek?, zo vroeg hij zich af. Kunnen de patiënten zich hier ooit thuis voelen? Wat is hun thuis? En wat betekent UIT voor hen: vrijheid of gevaar? Hebben de op het bord staande cijfermatige gegevens alleen betekenis voor de buitenwereld of ook voor de bewoners van de Pompekliniek? Wie wint er wanneer UIT op zeker moment beter scoort dan THUIS?
Het kunstwerk vertegenwoordigt geen mening over een TBS-kliniek. Het roept vragen op over een type instelling waar wij allen mee van doen hebben. Al was het maar als voor- of tegenstander. De opdrachtgever beschouwt het scorebord als instrument dat inzicht verschaft in het TBS-beleid, maar dat ook kan aanzetten tot een inhoudelijke discussie hierover. Belangrijk kenmerk van TBS is immers dat de patiënt met een zekere regelmaat buiten de kliniek verblijft. Het werk registreert een realiteit waar veel mensen hun ogen wellicht voor sluiten of domweg geen weet van hebben. Dat de actualiteit het kunstwerk voor een moment zou inhalen was begin 2003 nog moeilijk te voorzien.
Binnen en buiten
Het scorebord is in zijn verschijning sober en elegant. Het witte bord is op hedendaagse wijze vormgegeven en is allesbehalve monumentaal. Het staat op een lichte ijzeren constructie en helt iets achterover. Drie schijnwerpertjes, aangebracht onder het witte bord, beschijnen het ’s avonds en ’s nachts. Het is de kwaliteit van Van Bergen dat hij binnen zo’n complexe, gevoelige opdrachtsituatie aankomt met een zo, op het eerste gezicht, manifest en bijna banaal iets als een scorebord. Een scorebord toont in principe zeer overzichtelijke en in feite eendimensionale informatie. Van Bergen heeft scherp ingezien dat dit object binnen de gegeven context een aanzet kan zijn tot vragen, discussies en bespiegelingen.
André van Bergen is als ruimtelijk werkend kunstenaar vertrouwd met de discrepantie tussen binnen en buiten. Tijdens zijn afstuderen aan de Rietveldacademie in Amsterdam (1994) haalde hij in zijn woonhuis alle houten vloerdelen weg en klapte deze naar binnen. Van dit hout bouwde hij, midden in zijn huis, een kleine woning. Ook de voordeur werd verplaatst naar binnen en de bezoeker kon dus onbekommerd, dag en nacht, het huis binnenwandelen. Ze liepen over de dwarsbalken naar het kleine huisje waar Van Bergen in gecomprimeerde vorm een douche, toilet, keuken, werkruimte en slaapkamer had geïnstalleerd. Ook plaatste hij in de voorgevel van zijn huis een uitschuifbare langwerpige, glazen doos. Het was zijn tijdelijke slaapplaats die van binnen naar buiten kon schuiven en vice-versa. Ook een performance waar de kunstenaar buiten op straat stond te douchen, slang, geiser en douchestang op zijn rug, visualiseren het spanningsveld tussen binnen en buiten scherp en humoristisch.
Het werk voor de Pompekliniek is een consequente stap binnen zijn oeuvre. Het verschil is echter dat Van Bergen hier niet zelf de hoofdrol speelt, maar die rol laat aan een populatie van 130 bewoners. Met gepaste afstand en nuance beschouwde hij de processen binnen de kliniek. Hij weigert consequent het werk betekenissen op te leggen. Dat moeten anderen maar doen.
Commotie
In het voorjaar van 2004, toen er een verzoek tot een bouwvergunning bij de gemeente Nijmegen lag, heeft de landelijke pers lucht gekregen van het op handen zijnde kunstwerk. Deze sprong er bovenop en het gealarmeerde ministerie van Justitie oefende vervolgens druk uit op de directie van de Pompekliniek om het werk te annuleren. Men vond het te provocerend en was bang voor commotie in de samenleving. De plannen dreigden even te wankelen, maar dankzij de vasthoudendheid van de kunstenaar, de kunstcommissie, SKOR en uiteindelijk ook de directie is het werk er toch gekomen. Het scorebord is nu zo geprogrammeerd (op basis van regelmatige peilingen) dat de cijfers niet 100 procent dekkend zijn, maar 95 procent. Hiermee wordt een al te letterlijke en directe weergave vermeden. Het is een klein compromis waar de opdrachtgever, naar eigen zeggen, toch niet onderuit kon. De programmering wordt regelmatig bijgesteld.
In al zijn schijnbare eenvoud vindt het kunstwerk een op scherp gestelde aansluiting bij de discussie over een unieke regeling binnen onze samenleving. Het toont respect voor de bewoners van de kliniek, die het werk inmiddels in meerderheid als vertrouwd onderdeel van hun leefomgeving hebben geaccepteerd.
David Stroband
Deze tekst verscheen in de publicatie Kunst als medicijn , SKOR Kunstprojecten deel twee.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte













