Een ritueel gat
Ziekenhuis De Tjongerschans ken ik als patiënt. Een paar jaar geleden is hier een onschuldig vochtgezwel in mijn knieholte verwijderd. Het was zo gebeurd, verband eromheen en ik kon naar huis. Even later kwam bij SKOR het verzoek binnen om een kunstadvies in het kader van de op handen zijnde nieuwbouw en uitbreiding. Die waren dringend nodig, wist ik uit eigen ervaring. Toen ik het ontwerp van de architect zag vond ik dat ik te vroeg mijn knobbel had laten verwijderen. Had ik nog moeten wachten in een entreegebied dat krapper en drukker was dan de hal van Rotterdam CS, de nieuwe opzet oogde als de lobby van een welvarende bank. Rust en stilte heersen. Was ik nog geholpen in een noodhospitaal met de allure van een veldlazaret, in de nieuwe opzet kuiert de patiënt over wijde zonbeschenen verdiepingen en wordt de intake afgehandeld in de vertrekhal van een cruise-operator.
Ik ken Heerenveen als een naar alle kanten expansieve plaats. Ze is bekend door sport - schaatsen en voetbal. En sinds een jaar is daar op cultuurgebied het Museum Belvédère bijgekomen. Bij mijn gedachtebepaling inzake de kunstopdracht domineerde de verandering in de directe omgeving van het ziekenhuis die ik de voorgaande jaren had waargenomen. Zo heeft Heerenveen een reuzensprong gemaakt over de snelweg Zwolle-Leeuwarden heen. Er is een immens bedrijventerrein aangelegd: Heerenveen is het distributieknooppunt van het Noorden. Bovengenoemde snelweg kruist hier niet voor niets de A7 van Groningen naar Amsterdam, de oude rotonde met stoplichten heb ik zien veranderen in een up-to-date klaverblad waar de vrachtwagens ongehinderd alle kanten op stomen.
Hier dook in mijn hoofd het fotowerk van Edwin Zwakman op, vooral zijn verkeersknooppunt in vogelperspectief. Ik herinnerde mij mijn eerste kennismaking met zijn werk, mijn verbazing over zijn trompe-l’oeils, over de straten en vaarten, de gebouwen en bouwputten die alle getrukeerd zijn op een manier van vóór de computer. Het is een genoegen om Zwakmans geknutsel te zien, de lijmresten die uit kieren puilen hebben de allure van de Cinecittà studiofilmdecors van Fellini.
Zwakman heeft bovendien een aanstekelijke thematiek, die van het zich almaar opnieuw inrichtende en vormgevende, typisch Nederlandse, stedelijk gebied.
Wederzijdse motivatie
Zwakmans foto’s kende ik, maar niet zijn bouwsels. Nu waren het juist deze vermeende studiobouwsels die mij bezighielden in het kader van een kunstopdracht.
Op het moment dat ik documentatie van Zwakmans werk in het ziekenhuis onder de aandacht bracht was er voor mij dan ook sprake van een merkwaardige tegenspraak. Ik probeerde de commissie te interesseren voor iets dat ik niet kende. Bovendien vond deze eerste fase van de opdracht plaats buiten medeweten van de kunstenaar. Het is gebruikelijk om pas bij gebleken belangstelling van de zijde van de opdrachtgever het contact te leggen, maar in dit geval wist ik ook niet of Zwakman, die nog nooit in opdracht had gewerkt, überhaupt wel een opdracht wilde aangaan.
Andersom geredeneerd, wanneer je als adviseur een opdrachtgever hebt overtuigd van het potentieel van een kunstenaar, wanneer de motivatie is uitgedrukt, dan wil je als kunstenaar niet anders dan je volle aandacht schenken. Vanaf het eerste contact was er wederzijdse motivatie, om niet te zeggen chemie, tussen kunstenaar en opdrachtgever (inclusief de architect).
In mijn eigen achterhoofd koesterde ik de hoop dat Zwakman een reuzenmaquette op het voorplein zou bouwen uit abstracte vormen die dan onder een bepaalde hoek vanaf een zekere afstand een coherente foto zou opleveren.
In het ziekenhuis had men ook een verlanglijstje. De hal en het voorplein zag men als geschikte locaties, en ook was er een plan om de rivier de Tjonger, de naamgever van het ziekenhuis nota bene, te reanimeren en deze op een verhoogd betonnen stroombed over het voorplein te laten meanderen. Het resultaat van de kunstopdracht pakte anders uit. Geen maquette, geen rivier, geen foto, maar een gat.
Twee fascinaties
Het eerste voorstel en het opgeleverde werk verschillen wel. Het was een gat en het is een gat, maar op een andere plek. Zwakmans voorstel stoelde op twee fascinaties. De eerste is voor gebouwen in aanbouw, zonder gevelplaten en niet afgewerkt, voor gebouwen die hun ingewanden tonen, waar de aders open liggen. De tweede is voor initiatierituelen: een gammele touwbrug over een gapende afgrond, je weg terugvinden uit een inktzwarte grot, je geest door de achterdeur betreden, dit alles om je angst te overwinnen en te vertrouwen op een grotere kracht. Zo moet je over een diep gat om de hoofdingang van het ziekenhuis te bereiken. De diepte wordt beschenen door een werklamp, het grondwater is zichtbaar, forse kabels doorkruisen de leegte. Damwanden zijn in de bodem geslagen en over de diepte heen is glas gelegd.
De bezoeker ondergaat het ongewisse in verhevigde mate. Zo bouwt hij geestelijke kracht en weerstand op voor wat in het ziekenhuis gebeurt of kan gebeuren. Het ziekenhuis toont zelf zijn ingewand en sluit een diep verbond met de bezoeker die hierin durft te kijken.
Zwakmans voorstel maakte indruk. De uitvoerbaarheid en kosten werden onderzocht, deze bleken minstens twee keer het dubbele van het budget maar losgelaten werd het niet. Uiteindelijk is het gat kleiner geworden en is de plek, om redenen van veiligheid, verlegd. Vooral in nat weer is glas te glibberig voor veel van de (rolstoel)bezoekers, en een kunstopdracht die van bezoekers patiënten maakt was niet te overwegen. Zo werd er gekozen voor een plek direct naast de hoofdingang. Het initiatiemoment is nu eerder denkbeeldig dan fysiek, overgave is niet verplicht en het gat laat zich ook van binnenuit, vanachter de veilige balustrade op de eerste verdieping, goed bekijken.
Fred Wagemans
Deze tekst verscheen in de publicatie Kunst als medicijn , SKOR Kunstprojecten deel twee.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte













