Onderwijs, Wetenschap en Kunst
Een instabiele drie-eenheid
"Hij twijfelde hardop. Doordrongen van het feit dat de hele wetenschap hypothese is, dat de waarheid voortdurend verschuift." (1) Bedoeld wordt Dick Hillenius (1927-1987), bioloog en schrijver/dichter. Heeft Tijs Goldschmidt, zelf ook bioloog en schrijver, het hier vooral over Hillenius als wetenschapper, deze zin zou evengoed van toepassing kunnen zijn op de kunstenaar Hillenius. Kunst en wetenschap vormden voor Hillenius een onlosmakelijke verbond. Dat verbond tussen beide gebieden had vooral te maken met zijn zoekende manier van denken, minder met het feit dat hij op beide werkzaam was. Niet zozeer het gegeven dat iemand een dubbeltalent is leidt tot de liaison kunst en wetenschap, maar het zoeken naar waarheid. Dat is vaak hetzelfde bij een kunstenaar en een wetenschapper. Zo vindt Petran Kockelkoren, hoogleraar kunst en techniek aan de TU Twente, dat "het verschil tussen kunst en techniek slechts een kwestie van context is." (2).
Ook voor hoogleraar mathematische fysica aan de UvA en snaartheoreticus Robbert Dijkgraaf is de relatie tussen kunst en wetenschap vanzelfsprekend. “Als mensen zijn we voortdurend bezig ergens een mouw aan te passen. We sjacheren met de waarheid." Dat geldt wat hem betreft zowel voor een kunstenaar als voor een wetenschapper. "Maar" voegt hij er aan toe "de wiskunde is absoluut. Een wiskundige formule is waar of niet. Daar valt niet tegenop te redeneren.." (3). Er is dus één verschil: in de wetenschap zal de theorie getoetst moeten worden. "In die zin is de afrekening in de wetenschap exact en bij de kunst niet", aldus Dijkgraaf. Om vervolgens zijn eigen uitspraak weer in twijfel te trekken door op te merken dat sommige kunst net als wetenschappelijke formules misschien al lag te wachten om ontdekt te worden.
Voor Dijkgraaf en in feite elke goede wetenschapper geldt dat je altijd weer bereid moet zijn ideeën los te laten. En juist in die bereidheid ligt het verbond tussen kunst en wetenschap verankerd. Beide kunnen elkaar inspireren, uitdagen en aanvullen. De interactie tussen beide opent nieuwe mogelijkheden en stimuleert dat er in vrijheid gedacht wordt.
Het onderwijs maakt onlosmakelijk deel uit van dit verbond, ook al liggen de accenten anders. Waar onderwijs zich in eerste instantie richt op educatie, legt wetenschap de nadruk op onderzoek. Maar sinds de intrede van het zogenaamde ‘onderzoekend leren’, dat bijvoorbeeld Het Studiehuis op middelbare scholen kenmerkt, vervaagt dat verschil. Ook binnen het universitaire onderwijs zijn onderzoek en educatie volledig met elkaar verstrengeld. Doordat universiteiten met elkaar moeten concurreren, zoveel mogelijk studenten binnen moeten halen en deze zo snel mogelijk moeten laten afstuderen, staat het kritisch leren nadenken hier onder druk. De kunst kan hierbij een belangrijke rol vervullen omdat ze gewend is als vrijplaats te opereren, los van studieresultaten en carrièreplanning.
Heen en weer geschuif
Hoe vanzelfsprekend deze koppeling tussen kunst en wetenschap met in het verlengde daarvan het onderwijs ook is, op de samenwerking tussen beide werkvelden rust beleidsmatig gezien geen zege. Dit in tegenstelling tot het huwelijk tussen onderwijs en wetenschap. Hun wederzijdse afhankelijkheid heeft in het beleid van de overheid nooit ter discussie gestaan. Als je de geschiedenis van ministeries en (semi)overheidsinstituten in ogenschouw neemt, dan blijkt dat er met kunst en wetenschap jarenlang heen en weer geschoven is. Van 1918 tot 1965 maakten de kunsten deel uit van het ministerie waar onderwijs en wetenschappen ook waren ondergebracht (OK&W), slechts met een kleine onderbreking in de bezettingsjaren. In dat jaar vond een dramatische verandering plaats. De K van Kunst werd vervangen door de C van Cultuur en werd voortaan ondergebracht bij Recreatie en Maatschappelijk werk (CRM). Het cultuurbeleid richtte zich steeds meer op de ‘ongereglementeerde buitenschoolse zones van cultuur’ zoals het toen werd genoemd (4) Dramatisch omdat nu allerlei instituten zoals wetenschappelijke musea, diverse kunstopleidingen, het archiefwezen en de Koninklijke Bibliotheek plotseling los gekoppeld waren van onderwijs en wetenschappen, waar ze in feite toch meer thuis horen. "Het doel van de kunst als schoonheidsbeleving of verheffing maakte gaandeweg plaats voor het idee dat kunst ten goede zou komen aan het geestelijke en stoffelijk welzijn van het Nederlandse volk in al zijn geledingen", schrijft Nuchelmans in het jubileumnummer van het Boekmancahier gewijd aan ‘Kunst en wetenschap’ (5). Voor het kunstenbeleid betekende dit dat het de taak van de overheid werd om "het deelnemen van zo groot mogelijke groepen der bevolking aan het kunstleven te bevorderen." Het gevolg was dat CRM in 1983 veranderde in het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC). Dit resulteerde overigens vrijwel onmiddellijk in een regeling voor kunst bij volksgezondheidsinstellingen, die pas weer in 2006 zou worden opgeheven.(6)
In de daaropvolgende jaren werd de koppeling van cultuur met welzijn en volksgezondheid steeds losser totdat in 1994 de cultuur weer verbonden werd met onderwijs en wetenschappen, het huidige ministerie van OC&W. Maar anders dan bij de koppeling van het departement cultuur aan dat van volksgezondheid, had dit geen speciale regeling voor kunst bij onderwijsinstellingen tot gevolg. Integendeel, de vigerende percentageregelingen kwamen op de helling. Om dit verlies te compenseren werd een tijdelijke regeling voor kunst bij onderwijsinstellingen ingesteld. Een financiële bijdrage voor kunst bij onderwijsinstellingen kon voortaan bij de Mondriaan Stichting worden aangevraagd.
Volgens Nuchelmans "maakte een hernieuwde samengang van kunsten binnen de grotere koepel cultuur met onderwijs en wetenschappen het ontwikkelen van een beleid voor cultuureducatie gemakkelijker." Daarnaast speelde persoonlijke interesse van de toenmalige staatssecretaris Nuis, evenals de behoefte aan een grotere waardering van het belang van Volksgezondheid een rol, aldus Nuchelmans. Er werd dus gedurende een kleine dertig jaar aardig heen en weer geschoven met de c van cultuur en daarbinnen de k van kunst. Aan de relatie onderwijs en wetenschap werd daarentegen niet getornd.
Nieuwe samenwerkingen
Ook de geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) laat zien dat de koppeling tussen kunst en wetenschap de afgelopen decennia erg onstabiel is geweest. Maar ook hier was de verbinding met het onderwijs nooit in het geding. Er heeft altijd een intensieve samenwerking met de Nederlandse universiteiten bestaan, die tot uitdrukking kwam bij zowel onderzoeksprojecten als bij het opleiden van onderzoekers.
In de negentiende eeuw was er nog een hechte band tussen kunst en wetenschap in het door Lodewijk Napoleon opgerichte Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw kalfde dat verbond steeds verder af. Een van de oorzaken was volgens Willem J.M. Levelt, voormalig president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, de verkokering en steeds verder gaande specialisering van de wetenschap.(7) Desondanks viel bij voortduring te beluisteren dat een dialoog met kunstenaars belangrijk is.
Vanaf eind jaren negentig van de vorige eeuw wordt er serieus gewerkt aan een herstel van de koppeling tussen kunsten en wetenschappen, wat in 2004 resulteert in de oprichting van een Commissie van Wetenschap en Kunst, die een structureel contact tussen onderzoekers en kunstenaars nastreeft. Levelt pleit er voor projecten op te zetten "waarbij kunstenaars en wetenschapsmensen zich zouden moeten buigen over de vraag naar de relaties die er mogelijk zijn tussen kunst, wetenschappelijk onderzoek en technologische innovatie."(...) "Hoe beïnvloedt wetenschappelijk onderzoek de artistieke agenda’s? Hoe kunnen kunsthistorici de interactie tussen cultuur en onderzoek begrijpen? Hoe conceptualiseren onderzoekers? Welke toekomstige ontwikkelingen zullen culturele commentaren en artistieke reacties oproepen" Levelt eindigt zijn betoog met de opmerking dat de KNAW-Commissie Wetenschap en Kunst niet zelf het wiel opnieuw wil uitvinden, maar wil samenwerken met andere organisaties en initiatieven op het gebied van wetenschap en kunst. Een daarvan is uiteraard de Boekmanstichting, die wat dit betreft al een lange traditie heeft opgebouwd.(8)
Inhoudelijke verbinding
Een andere instelling is wellicht SKOR. Sinds 2001 is het budget dat door de overheid aan kunst in het onderwijs besteed moet worden ondergebracht bij SKOR. Tot die tijd kende zoals gezegd alleen de Mondriaan Stichting een tijdelijke regeling voor financiële ondersteuning van kunstprojecten in het onderwijs. In feite kon iedere onderwijsinstelling of ieder kunstbemiddelingsbureau dat voor scholen werkte, een aanvraag indienen. Met name de Stichting Kunst en Bedrijf maakte hier veelvuldig gebruik van. Op 1 januari 2001 verviel deze regeling. Sindsdien kunnen onderwijsinstellingen nog steeds een beroep doen op de reguliere opdrachtenregeling van de Mondriaan Stichting. Vanwege de kennis en expertise die Kunst en Bedrijf, inmiddels stichting af, gedurende lange tijd op onderwijsgebied heeft opgebouwd, begeleidt deze organisatie nog steeds veel onderwijsprojecten, daarbij gebruikmakend van subsidies verstrekt door de Mondriaan Stichting. Daarnaast beheert SKOR een budget voor kunstprojecten in het onderwijs.
De afgelopen jaren hebben twee doelstellingen een rol gespeeld: enerzijds de samenwerking met de wetenschap, waarbij het accent op het onderzoekende aspect ligt, anderzijds de samenwerking met hoger beroepsonderwijs, waar juist het educatieve aspect een belangrijke rol speelt. Incidenteel ontstonden er samenwerkingen met het lager- en middelbaar onderwijs. Een mooi voorbeeld hiervan is het jongerentijdschrift Mister Motley, dat middelbare scholieren in aanraking wil brengen met hedendaagse kunst. Maar ook het project Face Your World in Slotervaart Amsterdam van Jeanne van Heeswijk en Dennis Kaspori. Leerlingen uit het basis- en VMBO-onderwijs worden in dit project actief betrokken bij het ontwerpen van een park in hun eigen buurt, waarbij nagedacht werd wat publieke ruimte betekent. Maar de werkelijke ambitie van SKOR ligt in het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs, waarbij het nadrukkelijk de wens is om een inhoudelijke verbinding te maken tussen kunst, wetenschap en onderwijs. Door middel van een onderzoeksmatige benadering, waarbij workshops en masterclasses gekoppeld worden aan een educatieve dan wel interactieve aanpak, wordt geprobeerd de manier van denken en doen van kunstenaars een plaats binnen het onderwijs te geven. Een proces dat uiteindelijk tot een kunstwerk moet leiden.
De Blob, die in een samenwerkingsverband met de TU Eindhoven tot stand kwam, vormt hiervan een mooi voorbeeld. In drie workshops werd intensief samengewerkt tussen kunstenaars, studenten en onderzoekers. Hierbij werd een nieuwe bouwtechniek, die door Arno Pronk ontwikkeld was om blobachtige vormen in de architectuur te kunnen realiseren, onderzocht op haar ruimtelijke, beeldende en functionele vermogen. Het project resulteerde in een werkelijk gebouwde blob naar ontwerp van Jurgen Bey, een paviljoen dat ruimte kan bieden aan andere projecten op het raakvlak van kunst en techniek. Ook het project Mediated Discourse aan de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft kende workshops, waar kunstenaars (G.A.N.G., Jan van de Pavert en Q.S. Serafijn) en studenten bouwkunde aan elkaar werden gekoppeld. Bestaande structuren en aannames bij het ontwikkelen van stedelijke herstructureringsplannen werden hier ter discussie gesteld. Uiteindelijk heeft dit project niet tot een concreet kunstwerk geleid, maar de dialoog tussen kunstenaars en wetenschappers c.q. studenten was uiterst vruchtbaar.
Behalve een verankering in het onderwijs zelf, wil SKOR bijdragen aan een verankering van het wetenschappelijk onderzoek in de maatschappij. Het project met het Freudenthal Instituut in Utrecht Overvecht, een expertisecentrum voor reken- en wiskunde onderwijs en verbonden aan de Faculteit Wiskunde en Informatica van de Universiteit in Utrecht, is hiervan een mooi voorbeeld. Jaap de Jonge ontwikkelde een display, het zogenaamde Oog, waarop rekenkundige opgaven zichtbaar worden en waarop via internet door buitenstaanders gereageerd kan worden.
Intellectuele en artistieke onafhankelijkheid
Dat de samenwerking tussen kunstenaars, wetenschappers en studenten interessant is en van cultureel en maatschappelijk belang, daarover is iedereen het zo langzaamaan wel eens. Het is daarom verwonderlijk dat die samenwerking lange tijd op beleidsmatig niveau niet onderkend werd. Kruisbestuivingen tussen beide disciplines leiden vaak tot nieuwe denkbeelden bij het filosofisch, artistiek en wetenschappelijk ‘zoeken naar waarheid’. Om nog eens Willem J.M. Levelt te citeren: "Beiden dragen met nieuwe ontdekkingen, theorieën, technologieën en artistieke reflecties bij aan de vooruitgang van onze cultuur. De kunstenaar en wetenschapper zijn bovendien intellectueel onafhankelijk; zij bepalen hun eigen agenda en laten zich niet leiden door de waan van de dag. Ook zijn er overeenkomsten in de creatieve processen die leiden tot een kunstwerk of wetenschappelijke ontdekking. Serendipiteit is voor beiden een belangrijk ingrediënt. Een ‘opwindend’ ingrediënt overigens, waarbij emoties een niet onbelangrijke rol spelen. Je moet als het ware kunnen voelen wat belangrijk is of kan worden."(9) Hierbij dient wel een kanttekening te worden geplaatst, immers, zo onafhankelijk zijn wetenschappers en kunstenaars helaas niet meer. In het wetenschappelijk onderwijs worden veel onderzoeken gestuurd door de geldschieter, terwijl in de kunsten de agenda nog al eens bepaald wordt door allerlei belangen van externen, zeker sinds de kunst haar eigen autonomie ter discussie stelt en doelbewust maatschappelijke relevantie nastreeft. Het is aan instellingen zoals SKOR er voor te zorgen dat die intellectuele en artistieke onafhankelijkheid bewaakt wordt.
Liesbeth Melis
1. Tijs Goldschmidt, ‘Vocaal vlooien’ in Oversprongen, Prometheus Amsterdam, 2000.
2. Petran Kockelkoren, ‘Het haasje-over van kunst en techniek’ in: Boekmancahier 58/59 Jubileumnummer ‘Kunst en wetenschap’,, 2004.
3. Sandra Jongenelen, ‘Kunstenaars en wetenschappers leggen een eenzame weg af naar vernieuwing’, interview met Robbert Dijkgraaf in: Boekmancahier nr. 58/59, 2004.
4. Andre Nuchelmans, Het gezeul met de kunsten, in: Boekmancahier nr. 58/59, 2004, pag. 217/Ministerie van OC&W 2002, 56.
5.idem
6. De regeling voor kunst bij volksgezondheidsinstellingen werd sindsdien door het Praktijkbureau Beeldende Kunstopdrachten van de Mondriaan Stichting en later (sinds 2000) door SKOR uitgevoerd. Op 1 januari 2006 is deze regeling komen te vervallen.
7. Willem J.M. Levelt, ‘Een huis voor kunst en wetenschap’, in: Boekmancahier nr. 58/59, 2004 pag.212 e.v.
8. Tineke Pronk, ‘Op het raakvlak van kunst, beleid en wetenschap, een historische terugblik op de Boekmanstichting’ in: Boekmancahier nr. 58/59, 2004.
9. zie noot 7.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte