Caroline Bassett, ‘Hoeveel bewegingen?’ Mobiele telefonie en transformaties binnen de stedelijke ruimte

OPEN 9: Geluid
Geluid in kunst en cultuur
Openbare ruimte manifesteert zich niet alleen visueel maar ook akoestisch: openbaarheid draait om zichtbaarheid én om hoorbaarheid. Het betrekken van de rol van geluid in reflecties over en ontwerpen voor de openbare ruimte is dan ook even urgent als het verdisconteren van het visuele. In Open 9 staan essays over de wijze waarop geluid en geluidsmedia een esthetische, ethische of politieke rol spelen in hedendaagse stedelijke ruimtes. Het nummer getuigt er tevens van hoe radio een ware culturele en artistieke opleving ondergaat en hoe in de kunst geluid ingezet wordt in relatie tot maatschappelijke omgevingen. Er komen internationale kunstenaars aan de orde en er is een mp3 disk bijgevoegd met geluidswerken en interviews.
Mobiele telefonie crëeert een auditieve ruimte die zowel technologisch als denkbeeldig van aard is. Caroline Bassett verkent de nieuwe ruimtelijke economie die ontstaat uit de dynamiek tussen fysieke en virtuele ruimtes, tussen oude en nieuwe ruimtes, en signaleert daarin niet op de eerste plaats fragmentarisering en individualisering. Uit de veranderde dialectiek van aan- en afwezigheid ontstaan ook nieuwe vormen van verbondenheid en continuïteit, van mobiele subjectiviteit, aldus Bassett.
“(Hi)er zijn twee teksten die elkaar simpelweg afwisselen: je zou bijna geloven dat ze niets met elkaar te maken hebben, maar in feite zijn ze onverbrekelijk met elkaar verbonden, alsof geen van beide op zichzelf kan staan (…) maar (…) alleen in hun breekbaar overlappen (…)’’
(Georges Perec, forward to W, 1996)
1. th ground wher u walk
“I left my pictur on th ground wher u walk...’’ (ik laat mijn beeld achter op de grond waarop je loopt)
(sms-gedicht, Guardian OnLine 7, 5 december 2002)
In de stad waar ik woon worden reclamefolders vaak op de grond getapet. In het regenachtige Engeland lossen de plaatjes heel snel op, maar blijven de getapete omtrekken veel langer zichtbaar. Deze lege rechthoeken vormen ad hoc-rasters, hinkelbanen door de stad. Ik betrap mezelf er vaak op dat ik in het ritme van die rasters ga lopen als ik mijn mobiele telefoon gebruik; dat gebeurt niet helemaal gedachteloos maar ook niet geheel opzettelijk. Zo loop ik als ik in een andere ruimte praat, als ik hier loop maar daar luister, een sms verstuur of ontvang, opbel of gebeld word.
Deze manier van lopen lijkt op een spelletje dat kinderen op straat spelen, waarbij het verboden is op de voegen tussen de tegels te trappen omdat de grond krioelt van de monsters die alleen door dit ritueel op een afstand te houden zijn. Kinderen die met dit spelletje bezig zijn gaan extra zorgvuldig te werk: elke stap is van belang. Voor mij geldt het omgekeerde, ik word juist afgeleid: elke stap doet er minder toe. Deze buitenruimte in de stad is wat ik zie, maar dat hoeft niet te betekenen dat ik er erg veel aandacht voor heb, en ik hoef er al helemaal geen controle over uit te oefenen. Ik concentreer me op een tweede ruimte, de gehoorde ruimte die zich via de telefoon opent. Hierop, op deze ruimte, richt ik mijn emoties en mijn intellectuele aandacht – en in deze ruimte wil ik gehoord worden.
De ruimtelijke economie van de mobiele telefonie is complex en omvat niet alleen de dynamiek van de virtuele ruimte (de luchtbel waarin we spreken als we verbinding maken), maar ook die van de fysieke ruimte waarin die virtuele ruimte doordringt: telkens als er een mobiele telefoon wordt gebruikt verbindt deze niet twee ruimtes met elkaar, maar vier of meer. Dit is een van de manieren waarop mobiele telefoons een rol spelen in de hedendaagse vormgeving van ruimte. Ze spelen ook een rol in de omgang met nieuwe vormen van subjectiviteit. Die wordt hier verkend. Ik begin met te kijken naar wat er niet meer is.
2. De ‘gekerkerde vakantie’
“Hoe meer je ziet, hoe minder je vasthoudt… (hier wordt) iets van de hand afgenomen om het oog een groter bereik te geven’’ . (De Certeau, 1984, p. 113).
“You Extend From Who You Walk On’’ (op wie je loopt, daar steek je van uit)
Gretschen Hofner, uit Crow in Heels
In de jaren zeventig stelde Michael de Certeau in The Practice of Everyday Life het beperkte perspectief van iemand die op straatniveau door de stad loopt tegenover de strategische blik vanuit de hoogte, een blik die gewoonlijk door de technologie mogelijk wordt gemaakt.2 Voor De Certeau was lopen een daad van verruimtelijking, verhalen scheppen. Degenen die op de tast hun weg door de stad vonden, hun eigen routes uitzetten, creëerden een tweede, spookachtige plattegrond van de stad, een die de officiële stad van de planologen en architecten op zijn kop zette, althans voor een tijdje.
Ook vandaag loop ik nog door de stad. Maar ik ben niet langer voetganger in de traditionele zin van het woord, want ik zit niet meer vast in mijn eigen onmiddellijke positie of omgeving, ook niet als ik te voet ga in plaats van met de auto. Het valt vrijwel niemand meer op hoe gebruikers van mobiele telefoons doordringen in de oude ruimtes van het alledaagse; routine en gewenning verhullen wat in feite een opmerkelijke verschuiving is. Tegenwoordig zitten de straten van de stad vol virtuele deuropeningen die uitkomen op andere plekken. Talloze wegen die door, uit en naar de stedelijke ruimte leiden, worden geconstrueerd en gedeconstrueerd door even zovele gebruikers van mobiele telefoons, die via dat gebruik transformaties teweegbrengen. Deze verandering in de ruimte betekent dat ik vandaag de dag over straat kan lopen en tegelijk contact kan hebben met mensen die heel ergens anders zijn. Ik ontdek nieuwe perspectieven, en niet alleen omdat ik per mobiele telefoon bereikbaar ben, maar ook omdat ik er zelf mee naar buiten kan reiken. (Het verschil tussen de mobiele telefoon en de walkman zit in dit onderscheid; de mobiele telefoon biedt, in tegenstelling tot de walkman, de mogelijkheid van ingrijpen-op-afstand.) Mijn perspectief is verschoven, sterker nog: ik kan over meer dan één perspectief beschikken. Het is duidelijk dat het bestaan van de mobiele telefoon in tegenspraak is met de (negatieve) plaats die de informatietechnologie toebedeeld krijgt in De Certeau’s beschouwing van de dialectiek van macht, controle en vrijheid.3
Van lopen naar rijden: elders in The Practice of Everyday Life bekijkt De Certeau een treinreis als een ‘gekerkerde vakantie’, een ruimte waarin de reiziger zich onderwerpt aan de discipline van de rails, maar zich paradoxaal genoeg ook enigszins bevrijd kan voelen van andere verantwoordelijkheden. In deze ruimte wordt hij onaansprakelijk gemaakt. Dit is een onverwachte vrijheid, en zelfs voor De Certeau is deze verdere, zij het kunstmatige, uitbreiding van het perspectief die ze de gekerkerde reiziger biedt aanlokkelijk. De trein wordt de grond vanwaar de blik zich uitstrekt: de grond waarop we lopen.
De mobiele telefoon heeft verandering gebracht in deze dynamiek. Voor de gebruiker van de mobiele telefoon houdt reizen niet langer automatisch een verbroken verbinding in. De wereld van de trein en de wereld daarbuiten zijn niet meer van elkaar geïsoleerd; zelfs niet het tijdelijke isolement dat de reis altijd met zich meebracht. De beide werelden zijn van elkaar doortrokken. De Certeau noemde de trein een mobiel symbool.4 In onze tijd zijn mobiele telefoons een nieuw symbool van een bepaald soort vrijheid, namelijk om zich in meerdere ruimtes te bewegen en te handelen, maar tegelijk ook een symbool van ‘altijd aan’: altijd aanspreekbaar, altijd onder toezicht. Dit nieuwe symbool weerspreekt de voorrang die De Certeau in zijn economie van de ruimtelijke macht toekent aan het visuele en maakt een heroverweging noodzakelijk van de verbanden die hij ziet tussen strategie en het gezichtspunt. Dezer dagen zijn mobiel uitgeruste reizigers actief in de voorbij schietende vage strook die altijd het onderscheid markeerde tussen het landschap buiten de rails en de snel bewegende treincoupé. Of liever, er is geen grens meer, alleen een raakvlak. Je krijgt het advies ‘je wereld mee te nemen’ als je op weg gaat, omdat dit het einde is van de ‘gekerkerde vakantie’ met zijn onverwachte vrijheid en zijn beperkingen. De vraag is: wat komt er nu?
3. ‘Hoeveel bewegingen?’
Deze vraag wordt hier vanuit twee perspectieven benaderd. Ten eerste wordt, met Jonathan Crary’s beschrijving van het opschorten van de waarneming in de moderne cultuur als uitgangspunt, de mobiele telefonie bekeken vanuit het begrip aandacht. Met dit begrip als leidraad kan de dialectiek van aanwezigheid en afwezigheid, de kern van de ruimtelijke economie die dankzij de mobiele telefoon mogelijk is geworden, wellicht operationeel worden gemaakt.
Een tweede perspectief is gebaseerd op het concept van de inventaris, ontwikkeld door George Perec, een andere Franse theoreticus van het alledaagse. Perec benadrukte het belang van willekeurige, half-vergeten objecten en processen in de totstandkoming van het dagelijks leven. Hij stelde dat deze infra-ordinaire (‘binnengewone’) vorm van leven kon worden onderzocht met behulp van experimenten met numerieke stelsels. De methode van de inventaris is een van die experimenten en biedt een instrument om ervaringen te codificeren en zo diverse aspecten van het dagelijks leven op te roepen en vast te leggen. Perecs versie van de inventaris is echter geen reductieve codificatie maar een uitgebreid narratief proces dat de pure logica van de database overstijgt. De ervaring wordt hierbij niet gereduceerd tot een aandachtspunt, het leven niet tot een code, en organische ruimte niet tot een grafische voorstelling. In plaats daarvan opent Perec werelden vanuit hun naakte essentie, zodat de inventaris functioneert als een katalysator voor een specifiek soort uitzetting of decompressie, voor een terugkeer naar een ervaring in al haar complexiteit. Deze terugkeer houdt tevens een breuk in, omdat ‘ruimte als inventaris’ ook ruimte is ‘als uitvinding’.5 Met andere woorden, Perecs numerieke stelsel, een vorm van kunstmatig geheugen, is ook poëzie: een manier om ruimte te herscheppen met behulp van zowel technische productie als verbeeldingskracht. Daardoor stelt het concept van de inventaris ons in staat te bekijken hoe een technologie als de mobiele telefoon meer kan inhouden dan een louter technisch proces (al is het dat altijd ook). Complexe ruimten kunnen worden gecreëerd vanuit het geringste aanknopingspunt, vanuit simpele lijsten, afzonderlijke items, kale technische beschrijvingen van een proces, of misschien zelfs vanuit de simpele handeling van het bellen van een nummer.
4. Aandacht en verbeeldingskracht
In zijn beschrijving van verbanden tussen aandacht en waarneming stelt Jonathan Crary dat in het leven van vandaag “(...) individuen zichzelf definiëren en ontwikkelen in termen van het vermogen ‘aandacht te geven’, dat wil zeggen, zich los te maken van een breder visueel of auditief aandachtsveld om een beperkter aantal prikkels te isoleren en zich daarop te concentreren.’’ 6 Het vermogen de aandacht te verplaatsen van de ene ruimte naar de andere is heel duidelijk waarneembaar in het gebruik van mobiele telefoons, dat ons vermogen scherpt om snel heen en weer te schakelen tussen specifieke prikkels en ruimtes, en dat op steeds meer momenten en plaatsen.
Ik keer hier even terug naar mijn eigen gedachteloze lopen door de stad en naar de straatspelletjes van kinderen waar dit op lijkt. In beide gevallen gaat het bij het aandacht geven (of dat juist niet doen) niet alleen om kijken, en ook niet om de vraag waarop de blik precies is gericht (de hoek van de blik). Ofwel, aandacht is niet louter een kwestie van geometrie. Aandacht wordt eerder geïnvesteerd en “(...) loopt gelijk met toestanden van afgeleid zijn, dagdromerij, afdwalen en trance.???8 Omdat aandacht een investering vergt, komt er ook selectie aan te pas. Dat hoeft niet te zeggen dat selectie altijd een vrije wilsdaad is van de kant van het individu (soms word ik geselecteerd, mijn aandacht wordt ‘gevangen’ door een bepaalde gebeurtenis). Vrij of niet, het vermogen van een individu om aandacht te geven is beperkt en dus wordt elke selectie gemaakt ten koste van andere objecten/ruimtes, zodat aandacht geven hetzelfde is als prioriteiten stellen: investeren en desinvesteren. Een van de redenen dat ik de lege getapete rasters volg als ik al bellend over straat loop, is dat ze mijn eigen toestand weerspiegelen. In mijn gedachteloze omzwervingen ben ik er vaak wel, maar ‘alleen in omtrek’.
5. Waarnemingsmodi?
“Als buitenlander ben je een beetje doof, je hoort wel dingen maar de volledige ervaring krijg je niet’’ . (radio 4, gespreksfragment)…
‘Er gaapt een kloof tussen de wereld zoals je hem hoort en de wereld zoals je hem ziet’ (Bull, 2001, p. 241)
De mobiele ruimte krijgt vaak voorrang boven de fysieke ruimte, in de zin dat hij vaak meer directe aandacht krijgt. We kunnen kijken hoe dit doorwerkt in onze waarnemingsmodi en wat de gevolgen zijn voor gewaarwording en affect. Welk verband is er tussen de waarnemingsmodus bij het gebruik van mobiele telefoons en de manier waarop we mobiele ruimte voorrang geven boven fysieke ruimte? Bij het gebruik van de mobiele telefoon wordt de ene waarnemingsmodus verkozen ten koste van een andere. De aandacht verleggen van de zintuiglijk rijke omgeving van de straat naar een dunne gespreksdraad is voorrang geven aan het gehoorde boven de concrete en visuele wereld. Met alle respect voor De Certau, maar hier wordt iets van de hand afgenomen om het oor een groter bereik te geven.
Er zijn parallellen te trekken met andere technologieën. In een onderzoek naar walkmans bekijkt Michael Bull welke rol zintuiglijke waarneming speelt in relatie met de auditieve. Hij stelt dat de personal stereo de stedelijke ruimte reorganiseert, er een nieuwe en overweldigende esthetiek overheen legt: geluid ‘overspoelt de ruimte’. Door via de walkman voorrang te geven aan de auditieve ruimte zijn de gebruikers in staat hun dagelijkse ervaring van de stedelijke ruimte als geheel te re-esthetiseren. Dit gebeurt vaak door ontkenning; het aanwezige wordt opgeslokt door het ver verwijderde.8 Bulls uiteenzetting geldt ook voor andere mobiele media, maar daar is ook een andere dynamiek werkzaam: de meeste interacties per mobiele telefoon hebben visueel noch auditief een krachtige esthetische impact. De bevrediging die ze bieden ligt elders.
6. Verbindende kracht
“We komen voortdurend mensen met horloges tegen, bijna nooit iemand met een kompas.’’ (Perec, 1997, p. 83)
Mobiele interacties zijn alledaags, banaal en kennelijk onnodig, niet meer dan een gebaar of een praatje. Maar kennelijk hebben ze wel iets dwingends, want de telefoonruimte krijgt vaak voorrang boven de ruimte ter plaatse, en virtuele interacties boven fysieke. Iedereen die een ander een mobiele telefoon heeft zien gebruiken of zijn eigen gebruik onder de loep heeft genomen, of getuige is geweest van de irritatie die mobiele telefoons in bepaalde publieke ruimtes oproepen, zal zich dit merkwaardige verschijnsel bewust zijn. Men kan het beschouwen vanuit het gegeven dat het ene soort ruimte de affectieve voorkeur krijgt boven de andere (zonder de esthetische kwaliteit van die ruimte in die beschouwing te betrekken), zeker als die voorkeur niet is gebaseerd op wat die ruimtes bevatten maar op de communicatieve ervaring die ze bieden; op de processen die door de mobiele telefoons mogelijk worden, de soorten verbindingen die ze openen.
Crary stelt dat “(...) aandacht bepaalde gewaarwordingen sterker maakt en andere zwakker,’’ 9 en ik denk dat bepaalde elementen van het telefoongebruik in zekere zin intenser worden beleefd dan andere; dat kan zelfs buitensporige vormen aannemen en uitbarsten in de ruimtes buiten de telefoon. Dat mobiele ruimtes de aandacht opeisen, komt misschien doordat ze een verhevigd, geïntensiveerd gevoel van bewegingsvrijheid en versnelling teweegbrengen, een gevoel dat vanuit de telefoonruimte zou kunnen overslaan naar andere levenssferen. Verbinding maken met een mobiele ruimte wordt vaak ervaren als ‘live’ gaan, waardoor bewegingen mogelijk worden op (communicatie)snelheden die met lopen, rijden of zelfs vliegen niet haalbaar zijn, ook al lijkt dat inmiddels vanzelfsprekend. De gebruikers van deze ruimtes zijn uiterst mobiele figuren, mensen die helemaal up-to-date zijn. Misschien verklaart dit waarom ik meer aandacht geef aan ‘live’ uitwisselingen via mijn mobiele telefoon dan aan de echte ‘live’ gebeurtenissen op straat.
7. De egoïstische telefoon
“Als je geen mobiele telefoon hebt, geven de mensen niet om je (…)’’
(student van de universiteit van Sussex)
Tenslotte eist de mobiele telefoon de aandacht ook op door een vorm van aandacht te bieden. Binnen de nieuw gecreëerde en geïndividualiseerde luchtbel van gebeld of teruggebeld worden is de telefoongebruiker altijd nodig en gewenst: enerzijds gevleid door de aandacht, anderzijds meester over de vraag of er een antwoord komt. Dat zou je een vorm van compensatie kunnen noemen. De ruimte van de stad mag dan vaak onverschillig zijn en ikzelf anoniem en verloren in de menigte, in mijn eigen ruimte doe ik ertoe. Het belang dat mij wordt toegekend vormt een goed tegenwicht tegen de beperkte bandbreedte, reikwijdte en schaal van de ruimte waarin ik van belang ben. Ook in dit opzicht zijn virtuele en fysieke ruimte onderling afhankelijk: aandacht voor de ene ruimte komt voort uit gebrek aan aandacht in (en ook voor) een andere, en is eraan gerelateerd. Wat hier tot fetisj wordt gemaakt (en niet zozeer geësthetiseerd) is een vorm van leven die actief is op een bepaalde snelheid en met een bepaalde intensiteit, maar er wordt ook controle geboden. Mobiele telefoons geven hun gebruikers een versterkt en risicoloos gevoel ‘te leven/live te zijn’, ook al (of juist) omdat dit ‘live zijn’ in een kunstmatig gecontroleerde luchtbel plaatsvindt. De dynamiek van het gebruik van mobiele telefoons veronderstelt altijd een zeker narcisme (en dat gaat niet in dezelfde mate op voor de personal stereo, maar weer wel voor bepaalde soorten interacties via internet).
8. De collectieve verbeelding
De ruimtes waarnaar we onze aandacht verleggen (en de ruimtes waar we onze aandacht van afwenden) via de mobiele telefoon zijn niet louter technologische ruimtes. Tot op zekere hoogte zijn ze denkbeeldig. Een simpele stelling, maar wel belangrijk. Ze betekent namelijk dat de straten en de auditieve ruimtes waarin we verbinding maken, ruimten zijn die met behulp van de techniek tot stand komen en als onderdeel daarvan ruimtes van de collectieve en individuele verbeelding. Het betekent dat deze ruimtes in hun technische herhaling en in hun imaginaire formaties en in hun politieke economie onderling verbonden sociale producties zijn. Dat wil niet zeggen dat ze niet ‘echt’ zijn. Integendeel: deze onderling verbonden producties behoren tot de elementen waaruit het dagelijks leven is opgebouwd. Henri Lefebvre interpreteerde het dagelijks leven zelf in ruimtelijke termen, deels als datgene wat in de ruimte wordt geprojecteerd en deels als datgene wat plaatsvindt als ruimte.10 Het dagelijks leven opvatten als ruimte, en als een ruimte die deels wordt geproduceerd door een collectieve verbeelding, is geen ontkenning van de kracht van technologische verandering of vernieuwing, of van de opvallende verschuivingen die de mobiele telefoon heeft teweeggebracht. Integendeel, het betekent juist dat men zich rekenschap tracht te geven van de kracht van die transformatie in al haar specificiteit.
9. Zich verzoenen
Naarmate we onze aandacht vaker verplaatsen van de ene plaats naar de andere, elke keer ten koste van de vorige (misschien omdat we steeds meer verlangen naar de sensatie van het verbonden zijn omdat we die sensatie belangrijker vinden dan de inhoud van de verbinding), raakt ons leven gefragmenteerd. Tot op zekere hoogte worden we een ‘lappendeken van verbroken verbindingen’.11 Aan de andere kant: aandacht veronderstelt nooit een absolute aanwezigheid en kan dus ook geen absolute toestand van afgesloten-zijn veronderstellen. Als ik mijn aandacht naar mijn telefoon verleg, laat ik een deel van mezelf achter, zodat er ook altijd een deel van mezelf is waarnaar ik kan terugkeren, me mee kan verzoenen. Misschien moet ik wel harder nadenken, niet alleen over wat én wie ik ben tussen en tijdens deze toestanden tussen en in deze ruimten, maar ook over hoe ik te werk ga om deze handelingen überhaupt te kunnen uitvoeren. Hier komen Perec en zijn concept van de inventaris in beeld.
10. Ruimte als inventaris, het zelf als ervaring
“Ruimte als inventaris, ruimte als uitvinding.’’ (Perec, 1997, p. 13)
“Als vorm van cultuur stelt de database de wereld voor als een lijst van items en weigert die lijst te ordenen. Een verhaal daarentegen creëert een route van oorzaak en gevolg in een schijnbaar ongeordend geheel van items (gebeurtenissen). De database en het verhaal zijn daarom natuurlijke vijanden. Ze betwisten elkaar hetzelfde domein van de menselijke cultuur, en allebei eisen ze het exclusieve recht op om de wereld zin te geven.’’ (Manovich, 1998).
Lev Manovich brengt de spanning tussen beschrijving en database aan het licht met de stelling dat de logica van de database het verhaal heeft verdrongen als overheersende culturele vorm. De database stelt de wereld voor als een ongeordende lijst items, terwijl het verhaal routes uitzet in wat ongeordend leek.12 Zo bekeken wordt het verhaal een deelverzameling van wat er met een database wordt gedaan, waarbij de laatste de centrale, bepalende logica vormt van een gecomputeriseerde samenleving. Het concept van de inventaris, en met name de functie van de inventaris als geheugensteun, is echter te gebruiken om de bewering te weerleggen dat de logica van de database altijd overheerst.
11. Geheugensteunen
In Species of Spaces, zijn studie van ruimtelijke praktijken en narratieve identiteit, kent Perec het alledaagse een uitzonderlijk groot belang toe. Hij stelt dat het terughalen van de triviale, onbetekenende, doodgewone details van een leven via het opstellen van een inventaris van dat leven, tot gevolg heeft dat de ruimte van dat leven wordt geopend; dat wordt teruggehaald wat er belangrijk aan is. Wat in ons leven is aangeslibd is (ook) de schatkist van ons leven, omdat het de sleutel vormt tot onze identiteit door de tijd heen, tot wat we zijn. De inventaris is de haak die deze schatten naar boven haalt, hij werkt als een geheugensteun, een voorbeeld van de kunst van het geheugen, of het kunstmatige geheugen.13 Het proces van inventariseren verandert Perecs leven tot dan toe in een geheugenpaleis dat, net als de oudste paleizen van dit type, zowel een systeem is als de herinnering aan een systeem: zowel het middel om zich een leven te herinneren als een levensverhaal. (In zekere zin vertellen herinnerde objecten Perecs leven aan hem terug.) Net als alle vormen van kunstmatig geheugen is de inventaris een methode van coderen en decoderen, van compressie en decompressie.
In onze tijd functioneert de mobiele telefoon als een geheugensteun, maar in dit geval wordt de geheugensteun niet gehanteerd om zich een vroeger leven te herinneren. Hier is de inventaris een methode om een aantal manieren te beschrijven waarop gebruikers te werk gaan in een wereld die van hen eist dat ze op veel plaatsen tegelijk actief zijn. Daarmee beschrijft de inventaris de middelen waarmee de gebruikers hun weg zoeken tussen en door de vele overlappende ruimtes die ze tegelijkertijd bewonen, in verschillende gradaties, in verschillende toestanden, als ze gebruik maken van mobiele telefoons en vergelijkbare technologieën. Dit inventariseren begint met de lijst zelf. Met de vriendenlijst misschien. Met de nummers die hun zijn toegekend, met het nummer dat de beller is toegekend. De inventaris bevat een zekere mate van codificatie, een weerspiegeling van Perecs blijvende preoccupatie met numerologie. Maar net zoals andere experimenten met numerologie en zelfs automatisch schrijven is het maken van een inventaris ook een poëtisch proces, zij het een met een merkwaardig geautomatiseerd karakter. De inventaris maakt het mogelijk objecten systematisch te verzamelen en te ordenen, maar zorgt er ook voor dat de aldus opgestelde lijst zelf ook productief is en nieuwe implicaties heeft. De ruimte die wordt geproduceerd met behulp van de inventaris en via het gebruik, is in dit opzicht ook een ‘ruimte als uitvinding’. Zoals Perec ooit zei is ruimte een twijfel. Perecs interpretatie van de inventaris brengt een reëel verschil aan het licht tussen twee denkwijzen over de werking van de database: de eerste is gericht op een technische architectuur (dit is in wezen de benadering van Manovich), de tweede op de database zoals hij wordt gebruikt, vanuit de eis dat ook de rol van de gebruiker in de beschouwing wordt betrokken. Waarom is die van belang? Alle databases werken met een vorm van codificatie en dus een proces van compressie en willekeurige verdeling (de compressie van het niet-absolute tot de reductieve modus van geprogrammeerde ervaring). Aan het gebruik van een database komt echter altijd een proces van decompressie en vertaling te pas, en dat is een proces dat een gebruiker impliceert, en dus niet beperkt blijft tot een technische handeling. Veel databases worden inventarissen zodra men ermee gaat werken. Kortom, de inventaris maakt narratieve processen gemakkelijker te overzien, zelfs als die gefragmenteerd zijn. Een beschouwing van de inventaris als methode kan specifieke informatie opleveren over de vertaalprocessen die gaande zijn bij het gebruik van de mobiele telefoon, en bij vormen van mobiele subjectiviteit. Wellicht levert ze ook verheldering op van de bewegingen in en uit virtuele ruimtes in het algemeen, en misschien ook over bewegingen ‘door en tussen’ mobiele luchtbellen en straten.
Als men enerzijds het perspectief richt op aandacht/gebrek aan aandacht in plaats van aanwezigheid/afwezigheid, en anderzijds op de inventaris die uitbreidt in plaats van de database die comprimeert, kan dat tezamen leiden tot een benadering van (telefonische) mobiliteit en het dagelijks leven, die niet uitgaat van ontkoppeling en fragmentatie, maar zich richt op hoe verbondenheid en continuïteit tot stand komen tussen verschillende ruimtes.
Tot slot: misschien kan aan de hand van de inventaris ook iets worden gezegd over de aard van deze nieuwe vormen van (meervoudige) ruimte en de aard van deze ruimtelijke praktijk als een sociale praktijk. De mobiele telefoon is (weer) een voorbeeld van de dialectiek die kenmerkend is voor de informatietechnologie, die ons meer vrijheid biedt maar tegelijkertijd meer controle over ons uitoefent. Deze dialectiek kan misschien opengebroken worden door de numerologische productie van een ruimte te onderzoeken, en deze niet alleen als een technologische ruimte te beschouwen maar ook als een materiële sociale constructie. Beschouwd als een ruimtelijke praktijk en als een praktijk die ruimte creëert, richt de mobiele telefoon de culturele voorwaarden in waaronder hij zelf wordt gemaakt, het soort ruimte waarin hij actief is, en betrekt ze op zichzelf: zoals een plattegrond, een droom, of zelfs een gebed dat doet.14 Paradoxaal genoeg zijn deze privé-luchtbellen waarin we spreken, deze luchtbellen die onze aandacht opeisen, waarin we een bepaalde vorm van zelfbevestiging vinden, waarin we meestal één-op-één spreken, deze ruimtes die zo intiem lijken, zo persoonlijk, en misschien zo vrij, in feite noch individuele, noch privé-ruimten. Ze zijn eerder te beschouwen als collectieve constructies. Ze zijn symbolisch in sociale zin.
(Vertaling: Auke van den Berg, Bookmakers)
1. Zie Species of Spaces, waarin Georges Perec zijn lezers vraagt te onderzoeken ‘hoeveel bewegingen’ er nodig zijn om een telefoonnummer te draaien. Georges Perec, Species of Spaces (Londen: Penguin, 1997), oorspr. titel Espèces d’espaces 1974.
2. Zie Michel De Certeau, The Practice of Everyday Life, (Londen: University of California Press, 1984), oorspr. titel L'Invention du quotidien.
3. Dit geldt ook voor websites, zoals Matt Hills en anderen naar voren hebben gebracht. Zie Matt Hills, ‘virtually Out Ther’, in Sally Munt (red.) TechnoSpaces, Inside the New Media (Londen: Continuum, 2001).
4. De Certeau, op. cit., p. 113.
5. Perec, op. cit., p. 13.
6. Jonathan Crary, Suspensions of Perception (Londen: MIT, 2000), p. 1.
7. Crary, ibid., p. 46.
8. Michael Bull, Michael, ‘Personal Stereos and the Aural Reconfiguartion of Representational Space’, in Sally Munt (red.), TechnoSpaces, Inside the New Media, op. cit.
9. Crary, op. cit., p. 39.
10. Henri Lefebvre, The Production of Space (Oxford: Blackwell, 1991), oorspr. titel La production de l’espace.
11. Crary. Op. cit., p. 1.
12. Lev Manovich, The database as a symbolic form, 1998.
13. Frances Yates, The Art of Memory (Londen: Routledge, 1966).
14. Volgens Frederic Jameson ‘trekt’ de beschrijvende tekst “het Werkelijke in zijn eigen textuur’’ en zou zo de wereld als droom of gebed in kaart kunnen brengen, Frederic Jameson, The Political Unconscious, Narrative as a Socially Symbolic Act (Londen: Metheun, 1981), p. 81.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte







