Jorinde Seijdel, Redactioneel (On)zichtbaarheid

OPEN 8 (On)zichtbaarheid. Voorbij het beeld in kunst, cultuur en het publieke domein
De mate van zichtbaarheid van sociale, politieke, economische en culturele gebeurtenissen via publieke beelden, wordt als indicatief beschouwd voor het democratische gehalte van een samenleving. Zichtbaarheid wordt geassocieerd met openheid en communicatie, met sociale orde en politieke balans. Het onzichtbare is het ongecontroleerde, onbestaanbare of onderdrukte, maar ook dat wat erop wacht onthuld te worden. Binnen dit regime produceren de visuele media onophoudelijk beelden, maar is ook het ‘publiek’ zelf constant bezig zijn ervaringen te visualiseren. In dit bedwelmende proces verdwijnt elke boodschap of maatschappelijke agenda uit beeld. Wat voor positie heeft de kunst hierin? Wat kan de inzet zijn van de kunstenaar, ontwerper of architect, diens engagement en legitimatie? En welke specifieke ontwikkelingen in de actuele beeldcultuur spelen hierbij een rol? Voor dit nummer werkte de vaste redactie samen met gastredacteuren Willem van Weelden en Jan van Grunsven.
De dynamiek van de hedendaagse cultuur wordt in hoge mate bepaald door het dictaat van de zichtbaarheid. Het is de mate van zichtbaarheid van sociale, politieke, economische en culturele gebeurtenissen, van dingen en mensen, via publieke beelden, die als indicatief beschouwd wordt voor het democratische gehalte van een samenleving, en voor de kwaliteit van het publieke domein. Zichtbaarheid wordt geassocieerd met openheid en communicatie, en zou het waarneembare bewijs zijn voor sociale orde en politieke balans. Het onzichtbare is volgens deze logica het ongecontroleerde, onbestaanbare of onderdrukte, maar ook dat wat erop wacht onthuld te worden. In deze zin speelt de realiteit van het onzichtbare, in het sociaal-culturele en politieke debat geen expliciete rol, maar het verlangen naar onthulling des temeer, tot een explosief punt.
Binnen dit regime van de zichtbaarheid produceren de visuele media onophoudelijk beelden, maar is ook het ‘publiek’ zelf constant bezig zijn ervaringen te visualiseren. Deze buitensporigheid garandeert echter niet het succes van de zichtbaarheidsideologie, maar laat juist ook de devaluatie ervan zien. Er heerst een groeiende argwaan jegens beelden, die zich uit in een maatschappelijke twijfel over hun bewijskracht en echtheid, en die alleen bestreden schijnt te kunnen worden met nog meer beelden, echter zonder dat daarbij een punt van vervulling bereikt wordt.
In dit bedwelmende proces verdwijnt elke boodschap of maatschappelijke agenda uit beeld. Wat voor positie heeft de kunst hierin? Wat kan de inzet zijn van de kunstenaar, ontwerper of architect, diens engagement en legitimatie, in dit ‘verstopte’ publieke domein? En welke specifieke ontwikkelingen in de actuele beeldcultuur spelen hierbij een rol? Deze vragen worden in Open 8 onderzocht in samenwerking met een gastredactie bestaande uit Jan van Grunsven, kunstenaar, en Willem van Weelden, kunstenaar en researcher/publicist op het gebied van nieuwe media. Beiden verhouden zich expliciet en direct tot vraagstukken rond de openbare ruimte en het publieke domein, en beiden staan daarbij voor een kritische en weerbare praktijk. In de inleiding, ‘Kijken: zien: wegkijken’, verwoordt de gastredactie haar visie op de problematiek van (on)zichtbaarheid.
Camiel van Winkel betoogt in een ingekorte versie van het eerste hoofdstuk van zijn nieuwe boek Het primaat van de zichtbaarheid dat dit najaar verschijnt, aan de hand van voorbeelden uit mode, kunst en design, dat er in de huidige cultuur eerder sprake is van een tekort aan beelden dan aan een overschot. De beeldbijdrage van Pascale Gatzen, ontwerper op de grens van mode en kunst, die in haar werk op kritische wijze de nadruk legt op hoe mode wordt verwerkt in fotografie, sluit hierop aan. Jouke Kleerebezem pleit in zijn essay ‘Het postmonumentale beeld’ voor strategieën die binnen de gemediatiseerde en geïnformatiseerde cultuur kunnen leiden tot ‘duurzame zichtbaarheid’. In ‘Transparantie en exodus’ zet de Britse cultuurcriticus en activist Brian Holmes uiteen hoe experimentele kunst haar stempel heeft gedrukt op hedendaagse maatschappelijke protestbewegingen. Ondergetekende schrijft in ‘Wilde beelden’ over de toenemende invloed van amateurbeelden op de nieuws- en opinievorming. De Belgische filosoof Dieter Lesage stelt in ‘Imperium en design’ dat het benadrukken van de visuele identiteit van territoria, door architecten, kunstenaars of vormgevers, een overgave betekent aan een postpolitieke toestand. Hij zoekt naar een vorm van verzet die daaraan ontsnapt. Henk Oosterling reflecteert in ‘Het publieke bestaan van Homo informans’ over de gang van zaken rond de Amerikaanse kunstenaar Steve Kurtz, van Critical Art Ensemble, die werd aangehouden op verdenking van bio-terrorisme. Architectuurtheoreticus Wouter Davidts schreef een column over een kunstwerk van Santiago Sierra voor het Museum Dhondt-Dhaenens in het Belgische Deurle.
Aanvullend in Open 8 de neerslag van een gesprek dat Jan van Grunsven en Willem van Weelden voerden met Arno van der Mark van het multidisciplinaire ontwerpbureau DRFTWD Office Associates, over een ontwerpattitude waarin zichtbaarheid en autonomie secundair zijn. Willem van Weelden interviewde het Franse conceptuele Bureau d’Etudes, dat kaarten maakt die zichtbaarheid moeten geven aan 'de organisatie van het kapitalisme'. Van Bureau d’Etudes is bij Open 8 als insert een dergelijke kaart gevoegd, getiteld The System
Tevens staat in dit nummer het verslag van een besloten gesprek over de huidige legitimatie van kunstopleidingen voor kunst en openbare ruimte, vanuit de vooronderstelling dat in Nederland een politiek geëngageerde praktijk en traditie van kunst in de openbare ruimte ontbreekt. Gesprekspartners waren Jeanne van Heeswijk, Henk Slager, Jouke Kleerebezem en Jan van Grunsven. Henk Oosterling trad op als voorzitter.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte






