Tom McCarthy, Het radicaal andere. Een gesprek over Amsterdam 2.0

OPEN 10: (In)tolerantie). Vrijheid van meningsuiting in kunst en cultuur
Geen vertoog lijkt momenteel zo uitgehold als dat over tolerantie en vrijheid van meningsuiting: in de westerse cultuur, en niet in de laatste plaats de Nederlandse, zijn die verlichte concepten nauwelijks nog in staat betekenissen te genereren die ons allen aangaan én aanstaan. Door alle politieke geledingen heen torpederen grote en kleine controverses het traditionele consensusmodel van de democratie, en doorkruisen het publieke domein. De formele en informele codes, regels en afspraken die onze vrijheden en rechten binnen dat domein bepalen, werken niet goed meer. Het effect hiervan zou je soms cartoonesk kunnen noemen, als er niet zoveel echte doden bij vielen.
In het project Amsterdam 2.0 is een politiek model ontwikkeld, waarin opnieuw inhoud en betekenis wordt gegeven aan het idee van de democratie. Het kernbegrip hierbij is ‘radicale tolerantie’: het naast elkaar bestaan van het absoluut soevereine en het radicaal andere. De Britse kunstenaar/schrijverTom McCarthy ondervraagt beeldend kunstenaar Paul Perry en architect Maurice Nio over de betekenis en mogelijke implicaties van dit model.
Amsterdam 2.0 is een grondwet voor een stad in de toekomst, bedacht door een ‘schaduwbureau voor stadsplanning' te Amsterdam. Amsterdam 2.0 is geen voorstelling van een alternatieve stad, maar een structuur waarbinnen allerlei verschillende steden naast elkaar kunnen bestaan op een en hetzelfde grondgebied. Men kan burger worden van een bepaalde stad wanneer men de regels van die stad onderschrijft. De regels van de ene stad zijn vaak volledig in strijd met de regels van een andere stad. De enige basisregel – vastgelegd in de grondwet van Amsterdam 2.0 – is dat burgers van de ene stad hun wil niet met geweld mogen opleggen aan burgers van een andere stad.
Amsterdam 2.0 is een leeg casco waarbinnen vele, uiteenlopende rechtsstelsels tegelijkertijd op een en dezelfde plek en tijd kunnen functioneren. Zo'n gedecentraliseerde en polycentrische constellatie biedt ruimte aan leefexperimenten en overlevingsstrategieën die broodnodig zijn in een tijd waarin de politiek faalt en politieke correctheid hoogtij viert.
Hoewel vrijwel iedereen na enige uitleg de theoretische schoonheid van een polycentrisch rechtsstelsel onderkent, is het zonder concrete voorbeelden toch lastig je een voorstelling te maken van hoe Amsterdam 2.0 in de praktijk functioneert. Vandaar de schaduwplanners. Nadat ze de grondwet hadden geformuleerd, stelden ze een lijst op van 400 mogelijke steden en vroegen vervolgens vijf schrijvers om een verhaal te schrijven binnen het raamwerk van de grondwet van Amsterdam 2.0. De verhalen (van Nick Barlay, Tim Etchells, Tom McCarthy, Arjen Mulder en Maaike Post, en Dirk van Weelden) geven een beeld van het leven in één of meer van de 400 verschillende steden met hun uiteenlopende rechtssystemen.
Die vijf verhalen zijn vervolgens gekoppeld aan vijf beeldend kunstenaars (Kasper Andreasen en Tine Melzer, Henk Bultstra en Jaakko van 't Spijker (SPUTNIK), Elma van Boxel en Kristian Koreman (ZUS), Sung Hwan Kim en the Lady of the Sea, en Joke Robaard) die werden gevraagd om op grond van de teksten de levensvatbaarheid van Amsterdam 2.0 te toetsen.
Al verschillen de projecten sterk van elkaar, toch hebben ze iets gemeen: ze beschrijven stuk voor stuk een persoonlijke zoektocht door een onvoorstelbare en toch reële situatie. Het is waarschijnlijk de enige manier om enigszins wegwijs te raken in een stad waarin niet langer op routine kan worden gevaren en niets nog vanzelfsprekend is.
Tom McCarthy Waar komt het project vandaan?
Paul Perry De eerste aanzet tot het project is in 1995 gegeven door Ronald van Tienhoven toen hij ‘intern adviseur' was van het Praktijkburo van de Mondriaan Stichting, een landelijk bureau voor kunst in de openbare ruimte (thans SKOR). Ronald stelde destijds een team samen van vier zeer verschillende mensen: de Rotterdamse architect Maurice Nio, toen bekend om zijn werk onder de naam NOX; de Amsterdamse Huib Schreurs, een ‘kind van de jaren zestig', die naar ik meen Paradiso heeft opgezet en er een belangrijk cultureel centrum voor Amsterdam van heeft gemaakt; de Amsterdamse kunstenaar en fotograaf Gerald van de Kaap, beroemd om zijn werk in clubs; en ikzelf, een beeldhouwer, die toen nog in Groningen woonde. We zouden met ons vieren een soort schaduwbureau voor stadsplanning gaan vormen. Acht maanden lang werkten we tweeënhalve dag per week samen. In het kort luidde onze missie: ‘ideeën bedenken en projecten uitvoeren' die betrekking hebben op de toekomst van Amsterdam.
TMcC Is Amsterdam 2.0 simpelweg een linkse vorm van stadsplanning, of situeren jullie het als project ergens anders? Het staat zo bol van de fictie en de metaforen dat ik me afvraag of het niet eerder gaat om een transformatie of ‘détournement' van het denken over steden in de kunstpraktijk, dan om het betrekken van kunst in het denken over de stad.
PP Amsterdam 2.0 is zo mogelijk eerder een rechtse dan een linkse vorm, al zou ik het zelf niet zo formuleren... Maar in zekere zin, ja... iemand was bezig om ‘kunstenaars' te betrekken in het denken over steden. Alleen heb ik het project nooit in verband gebracht met het situationisme. Daar is de taal van Amsterdam 2.0 veel te serieus voor, veel te reëel... al is het geen gemakkelijke taal. Het is ook niet de taal van het stadhuis en de gemeentelijke stadsplanners. Maar hoezo staat het bol van de fictie en de metaforen? Wil je daarmee zeggen dat fictie niet echt is en dus door de regenten van de concrete wereld kan worden afgedaan als fantasie?
Maurice Nio Volgens mij gaan er twee fundamentele misvattingen schuil achter de vraag van Tom. De eerste misvatting is volgens mij dat Paul en ik het project niet zien als fictie of metafoor, maar als een (toekomstige) werkelijkheid. Met dat idee in ons achterhoofd hebben we de deelnemers aan de meest recente fase van het project gevraagd een verhaal te schrijven en visuele artefacten te maken die die werkelijkheid documenteren. Dat de meesten van hen vervolgens verhalen en beeldend werk afleverden met een hoog science-fictiongehalte, alsof we hier te maken hadden met metaforen, was een zware teleurstelling. Begrijp alsjeblieft goed: Amsterdam 2.0 is geen fictie. We zijn niet geïnteresseerd in fantasieën en sprookjes, of we moeten ze letterlijk kunnen nemen. De tweede misvatting is, weer volgens mij, dat je kunst ziet als een autonoom gebied en planning en wetgeving als een ander politiek en metafysisch domein. Dat is gewoon niet zo. Amsterdam 2.0 is er niet op uit een of andere fictieve oppositie te versterken of anderen te overtuigen, het wil ‘snoeien'. Soms moet je net als een tuinman bomen en planten bijsnoeien opdat ze mooier worden en tot bloei kunnen komen – letterlijk en figuurlijk. Planning en wat bekend staat als democratische wetgeving zijn afhankelijk van humanistische en moralistische visies en standpunten, net als de meeste openbare kunst. Met dat in ons achterhoofd hebben we kort na aanvang van het project Paul Treanors motto overgenomen: “De stad is er voor veranderingen, niet voor mensen.’’
PP Hoe langer ik nadenk over die kwestie van werkelijkheid versus fictie, hoe verwarrender ik het vind. Als je er dicht op gaat zitten, lijkt het alsof er bij ‘werkelijkheid versus fictie' een vals onderscheid wordt gemaakt. Een tweedeling die alle volwassenen gebruiken als ze moeten onderscheiden wat serieus is – daden en beslissingen die hun neerslag hebben op henzelf en op anderen – en wat niet serieus is. Daarom verbaast het me ook vaak hoe snel en gretig wij, die leven van ons voorstellingsvermogen, zo'n valse tweedeling van anderen overnemen. Amsterdam 2.0 is beslist echt. Het is niet alleen echt omdat jij en ik erin geloven, maar ook omdat het een systeem is dat niet na vijf minuten zal instorten. Als wereld is het zowel consequent als consistent. Het is daarentegen ook volkomen fantastisch in de zin dat het voor jou en mij, en voor iedereen die eraan heeft meegewerkt, bijna ondenkbaar blijft.
MN Dat is waar. Maar er bestaat een groot verschil tussen de ondenkbaarheid van Amsterdam 2.0 en de veronderstelde ondenkbaarheid van de wereld van de situationisten. Waar vroeger Guy Debord als een soort verwende dandy dacht dat wij aan de dualiteit van realiteit versus fictie konden ontsnappen door middel van methoden en strategieën als de ‘dérive’ en de ‘détournement’, zijn wij inmiddels door diezelfde methoden volledig geconditioneerd. Die hele constructie van realiteit versus fictie is zelf een monstrueuze dérive geworden en daar is Amsterdam 2.0 het bewijs van. Daarom betekent het woord ‘ondenkbaar' niet dat wij collectief niet in staat zijn de nabije toekomst te zien, maar eerder dat de nabije toekomst niet in staat is om ons te zien. Het heden is blind of in elk geval hoogst kortzichtig als het gaat om de klassieke tegenstelling tussen realiteit en fictie. Daarom is het ook zo verdomde moeilijk een project te realiseren over het leven voorbij dat punt. Amsterdam 2.0 is ondenkbaar omdat wij, mensen, mensen die leven in verschillende culturen, niet langer worden gezien en herkend door het heden. Wat ik bedoel te zeggen is: alle uitkomsten van politieke, economische en culturele processen zijn ondenkbaar geworden omdat wij er midden in staan. We kunnen geen afstand nemen. Is dat de reden waarom we gedwongen zijn om maar wat lukraak te gaan schieten? The City of 400 Blows van: Amsterdam 2.0 is een project voor 400 mogelijke steden.
PP In de lijst die we ooit hebben gemaakt met namen en bijbehorende raison d'êtres van 400 mogelijke steden, kwam daar niet ook een Stad van Gelovigen voor? We weten nu in elk geval hoe fout dat onderscheid was... Het is wel duidelijk geworden dat elke stad in Amsterdam 2.0 een stad van gelovigen moet zijn. Is daarmee jouw vraag enigszins beantwoord, Tom?
TMcC Ja. Ik zie fictie niet als het tegendeel van de werkelijkheid. Het zijn allebei constructies. En ze zijn stevig vervlochten met elkaar. Ik schrijf niet omdat ik naar sprookjesland wil ontsnappen, maar omdat ik geloof (om een woord te gebruiken dat net werd genoemd) dat fictie de macht heeft om de wereld op elk niveau te vatten en te veranderen. Toch valt er wel een onderscheid te maken tussen de keuze voor een fictieve vertoogtrant en die voor een pragmatische vorm. Als ik zeg: ‘Amsterdam 2.0 staat zo bol van de fictie', dan bedoel ik dat er geen pragmatische taal is gebruikt, maar dat het project een breed scala aan steden voorstelt die ik alleen maar kan omschrijven als erg figuurlijk, poëtisch: Stad van de Stierenvechters, Stad van de Code, Stad van de Anachronisten, enzovoorts. Waarom is er voor die namen gekozen? Tenzij je daadwerkelijk wilt dat mensen die zichzelf als ‘anachronist' beschouwen toetreden tot de derde stad, moet die term staan voor een breder geheel van voorschriften en overtuigingen. En dan wordt de vraag interessant: wat voor geheel is dat? En hoe wordt het geïnterpreteerd, of uitgevoerd, of ervaren?
MN Daar heb je gelijk in. Ik geloof dat het aan Paul en mij te danken is dat het project zo erg figuurlijk, poëtisch overkomt, zoals jij het noemt. Zelfs al was het mogelijk om de details uit te werken zonder een ‘beeld', dan nog betwijfel ik of we daarvoor zouden kiezen, of dat zo'n aanpak effectief zou zijn. Je kunt met beelden – de essentie van poëzie – de rede transformeren en ontvoeren. Daarom hebben we voor een wat indirecte aanpak gekozen en de Stad van de Stierenvechters niet de Stad Waar men Dieren en Mensen mag Offeren genoemd. Die eerste benaming ontsluit een grotere mentale ruimte. Een ruimte waarin anderen misschien iets van herkenning ervaren en die ze, als ze zouden willen, kunnen betreden om er iets mee te doen. De 400 poëtische namen maken ook een andere keuze duidelijk, namelijk om van onderaf te werken, vanuit één detail, een detail dat een hele stad kan bezielen. Zo hopen we een interessantere stad te kunnen bedenken. Interessanter dan wanneer we ons de stad als geheel zouden voorstellen.
PP Het was zomaar een ingeving om de steden een naam te geven, een gedachtenexperiment van jaren geleden, waar we niet al te veel bij na hebben gedacht. Het feit dat die namen zijn blijven hangen is ook niet echt verrassend – gegeven de kracht die namen nu eenmaal bezitten – maar los van wat Maurice net vertelde, zie ik toch ook de schaduwzijde van die namenlijst voor het hele project. Als je zo'n ‘a priori-lijst' gaat zitten lezen, ga je toch al snel denken dat wij, de bedenkers van die namen, ofwel grappig hebben willen zijn, ofwel onze eigen idiote verlangens hebben zitten formuleren, of – en dat is volgens mij een nog groter struikelblok voor iemand die in het project stapt – je neemt aan dat wij het voor mogelijk houden om in 400 namen te geloven, en dus ook in 400 verschillende geloofssystemen. Dat is niet alleen volslagen belachelijk, maar ook onmogelijk schizofreen. Als anarchie betekent dat je afziet van een centraal bestuur dat voor iedereen bepaalt wat goed en fout is – en wij zijn niet de enigen die het gevoel hebben dat de liberale en universele wetten van tegenwoordig die voor iedereen heten te gelden, in feite voor niemand gelden – dan is Amsterdam 2.0, dus het hele toevluchtsoord met daarin 400 verschillende rechtsstelsels, anarchistisch van aard, en niet alleen de Stad van de Anarchisten. Dat betekent nog niet dat Amsterdam 2.0 wetteloos is. Het is allesbehalve wetteloos. Alle 400 rechtsstelsels moeten elk voor zich bepalen wat goed is en een gelijk aantal bepalingen leveren van wat fout is, en daarmee ontstaan ook – jammer voor onze anarchist – 400 verschillende vormen van wetshandhaving. Kun je je voorstellen om ergens te leven waar 400 vormen van wetshandhaving bestaan? 400 soorten politieagenten? Stel je voor dat je een ommetje maakt met je dochter van vier en onderweg opeens wordt geconfronteerd met een publieke terechtstelling van een inwoner van de Stad van de Stierenvechters, op bevel van het gerechtshof van de stierenvechters en geheel volgens de nauwkeurig omschreven regels in hun wetboek. Dan zijn jij en je dochter niet alleen plotseling getuige van de executie van een burger, maar ook nog eens van een executie in de historische stijl van de Leng Tch'e, ofwel de Chinese martelmethode van de ‘dood door duizend steken'.
TMcC Terwijl de vader en dochter misschien horen bij de Stad van de Mensenrechten of de Antidoodstraf Stad. Daar heb je dan een botsing van gebruiken, van waarden of overtuigingen. In mijn eigen, dystopische, fictionele respons op het project komt een passage voor waarin een zwerfhond door het Vondelpark loopt waar burgers uit de Stad van Hondeneters hem willen braden, terwijl burgers van de Stad van de Animisten vriendschap met hem willen sluiten en burgers uit de Perverse Stad hem willen neuken. In jullie visie botsen er voortdurend systemen op elkaar, alsof jullie het gevoel hebben dat ze best naast elkaar kunnen bestaan ook al sluiten ze elkaar wederzijds uit. Misschien is wat jullie beschrijven niet zozeer anarchistisch, als wel agonistisch, in de zin waarin Jean-François Lyotard dat woord gebruikt.
MN Agonistisch is ongetwijfeld het juiste woord. Anarchie belooft ons in zekere zin dat iedereen gelijk en gelijkwaardig kan zijn in een wild systeem, terwijl ‘agonistiek' in een compleet andere zin een orde oplegt waarin iedereen totaal anders kan zijn in een totaal gecontroleerd systeem. Dat is de kern van Amsterdam 2.0: hoe kan een agonistisch systeem, een systeem van radicale tolerantie, in de praktijk functioneren.
PP Ik ben het met je eens dat Amsterdam 2.0 een systeem van radicale tolerantie is. Maar wat heeft de competitieve spanning van het agonistische, de strijdlust, te maken met waar wij het over hebben? Volgens mij zijn de steden niet met elkaar verwikkeld in een competitiestrijd. Maar goed, ik ben niet erg vertrouwd met de wijze waarop Lyotard het woord gebruikt.
TMcC Ik heb die uitdrukking, ‘radicale tolerantie', al eerder horen vallen in relatie tot het project. Ik vraag me af hoe jullie, Maurice en Paul, dat begrip zouden interpreteren vanuit jullie eigen architectonische, respectievelijk artistieke invalshoek?
PP Daar zit nu net het probleem. Radicale tolerantie staat voor een wereld waarin elke partij (of in dit geval stad) fundamentalistisch tolerant is.
MN Je kunt het alleen maar over tolerantie hebben als je soeverein bent. Je kunt het alleen maar over radicale tolerantie hebben als dit idee van soevereiniteit helemaal wordt gerealiseerd. Als kunstenaar of architect is het je taak om unieke objecten of werken te maken, hetgeen soevereiniteit voortbrengt. Dus als je bijvoorbeeld een stad creëert die uniek is, creëer je soevereiniteit en daardoor partijen die fundamentalistisch zijn in hun tolerantie.
TMcC Fundamentalistsich tolerant of fundamenteel tolerant? Zitten leden van de Stad van Fascisten (om een voor de hand liggend voorbeeld te nemen) in die stad omdat ze het geloof in het totalitarisme combineren met een geloof in pluraliteit, of zijn ze eropuit om van elke stad een Stad van Fascisten te maken?
PP Niet fundamenteel tolerant. Fundamentalistsich tolerant. Je kunt stellen dat onze huidige wereld – de wereld van de laat-kapitalistische idealen – van iedereen verlangt dat we fundamenteel tolerant zijn. Amsterdam 2.0 eist iets anders: de burgers van de steden zijn bij wet verplicht om burgers uit andere steden te tolereren, maar ‘thuis', binnen hun eigen rechtsstelsel, is tolerantie geen vereiste.
TMcC Jullie hebben Amsterdam 2.0 beschreven als een terugkeer naar de oorspronkelijke uitgangspunten van Amsterdam: een soort dynamisch, kapitalistisch knooppunt waarin radicaal verschillende systemen konden samenkomen onder één regulatieve bovenbouw. En deze bovenbouw was, in de eerste versie van Amsterdam, altijd economisch van aard. In feite waren de wetten er om de handel in goede banen te leiden – en niet andersom. Is dit aspect ook te vinden in jullie nieuwe versie van Amsterdam, of is de relatie juist omgekeerd?
PP Volgens mij was tolerantie niet formeel vastgelegd in de Nederlandse wetgeving uit de zeventiende eeuw – en als dat wel zo was, was het naar alle waarschijnlijkheid geformaliseerd in kerkelijke wetgeving – maar tolerantie werd zeker als cultureel verschijnsel hoog gewaardeerd. En inderdaad, men zal min of meer hebben geweten dat deze gedeelde en overgedragen culturele regel, deze meme, tolerantie, de handel ten goede kwam. Een ander idee dat me altijd heeft geïntrigeerd, maar dat ik nooit helemaal heb kunnen uitzoeken, is dat tolerantie als vanzelf voortkomt uit één van de grondbeginselen van het calvinisme, namelijk dat je je niet in de morele dilemma's van andere mensen mag mengen. Of misschien nog wel een radicaler idee: dat tolerantie voortkomt uit het begrip van een voorbestemde of onvoorwaardelijke uitverkiezing. Maar om je vraag te beantwoorden: de historische precedenten hebben wellicht een rol gespeeld bij de totstandkoming van de Stad van Vrijhandel of de Neocalvinistische Stad, maar ze zijn zeker niet van toepassing op alle steden van Amsterdam 2.0.
TMcC Toch ben ik in hoge mate gefascineerd door dat tweeledige idee van ‘thuis' te zijn en tegelijkertijd het radicaal andere naast je te huisvesten. Dat gaat verder terug dan het calvinisme of de grondslag van het eerste Amsterdam – het gaat terug tot de oorsprong van het westerse denken, tot de Grieken. In Goede Geesten (Eumenides) van Aischylos laat de stad Athene Orestes binnen ondanks het feit dat hij zijn moeder heeft vermoord, iets wat volgens al hun wetten weerzinwekkend was, en deze geste vormt de grondslag van de Atheense democratie – dat wil zeggen, van de democratie als zodanig. Ik vraag me af of Amsterdam 2.0 niet in diepste wezen een bespiegeling is over deze opvatting van democratie, waarin de democratie wordt losgekoppeld van de neoliberale impasse waarin ze zich momenteel wereldwijd bevindt en wordt teruggevoerd naar haar radicale oorsprong.
PP Denk je echt dat welk op zichzelf staand democratisch systeem, zelfs jouw oorspronkelijke Atheense democratie, werkelijk in staat is om het absoluut andere te huisvesten? Toen de Atheners Orestes binnenlieten, gingen ze ervan uit dat hij zijn moeder al had vermoord, dat zijn moedermoord in het verleden lag en dat hij geen andere moeders had die hij nog kon doden. Maar stel dat Orestes tijdens zijn verblijf in Athene zijn moeder bleef vermoorden? Stel dat hij zijn moeder vijf keer per dag vermoordde? Wat ik zeg is natuurlijk onmogelijk in de tijd – dat wil zeggen in het tijdsregime van de wereld die de meesten van ons bewonen – maar waar het om gaat is dit: geen enkel systeem kan het extreem of radicaal andere in zich opnemen zonder zelf diep ontwricht te raken of zelfs te gronde te gaan. Nu kunnen we natuurlijk zeggen: dat is mooi, dat is verandering, dat is een paradigmawisseling. Maar culturele systemen zijn geen wetenschap. Heb je ooit Nicolas Roegs The Man who Fell to Earth gezien?
TMcC Ja, geweldige film. Wat heeft die ermee te maken?
PP Ik vind dat een onthutsende film. In de film verschijnt de ander, in dit geval een wezen van buiten het systeem. Volgens mij is jouw uitdrukking van het ‘radicaal andere' hier volkomen op zijn plaats. En wat doen we dan? Niets. Niets, behalve dat we het wezen ontvoeren en chirurgisch veranderen, waardoor het onmogelijk meer kan bewijzen dat het niet menselijk is. Dat noem ik nog eens een hartelijke ontvangst.
TMcC De film doet nogal denken aan Kafka's De hongerkunstenaar: sluit de vreemdeling op in een kooi, want we weten niet wat we met hem moeten beginnen. Dit sluit aan bij wat Maurice zei over soevereiniteit. In het voorbeeld van The Man who Fell to Earth berust onze soevereiniteit op het onderdrukken van het anderszijn van de ander. Maar in de beste filosofische formuleringen van de ethiek – met name die van Emmanuel Levinas – komt ethiek voort uit een fundamentele interruptie door de ander. Ik ben ethisch, niet omdat ik soeverein en tolerant ben, maar omdat ik te maken krijg met, door elkaar word geschud door en iets kwijtraak aan de absolute andersheid van de ander. De ander hoeft zich niet te verklaren of rechtvaardigen: alles wat hij (volgens Levinas) zegt is: ‘me voici’, hier ben ik – als een maffe buurman die je elke ochtend tegenkomt op de trap. Misschien is jullie schepping, Amsterdam 2.0, in laatste instantie een radicale beschouwing over ethiek.
PP Misschien. Ik onderschrijf in elk geval Levinas' opvatting dat ethiek voortkomt uit de confrontatie met de absolute andersheid van iedere ander.
MN De ‘ander' is niet een vreemdeling, maar iemand die je niet kunt snappen, niet kunt begrijpen. De ander is misschien niet zozeer de man die naar de aarde viel, maar (zoals Tom suggereert) je buurman of -vrouw die loopt te vloeken, of rookt, of een burka draagt. Wat moet je dan als je geloofssysteem, je stadsregels, voorschrijven dat vloeken of roken of onherkenbaar zijn absoluut verboden is? In ons huidige morele en ethische rechtsstelsel bestaat er geen andere oplossing voor dit dilemma dan een gewelddadige (neem het voor de hand liggende voorbeeld van de onoplosbare situatie waarin de Palestijnen en de Joden zich bevinden). Maar als je je stadswetten vastlegt in een amoreel rechtsstelsel, dan is er alleen maar sprake van een verschil in geloofssysteem. Natuurlijk zullen er altijd al dan niet gewelddadige conflicten blijven bestaan, maar die zullen nooit lang duren, domweg omdat ze te duur zijn. Op dat punt sluit ons project wellicht aan bij de rationele – of wat jij noemde economische – instelling van de Hollanders van de zeventiende eeuw.
PP Ik begrijp Levinas zo dat iedere ander voldoende anders is om een ethische relatie te laten ontstaan, om je door elkaar te schudden – toch? Als dat waar is, kun je ook beweren dat ethiek voortkomt uit een soevereine positie waarin je noch de noodzaak voelt om anderen te assimileren, noch de noodzaak voelt om ze van je af te zonderen en buiten te sluiten. Of zie ik het fout?
TMcC De progressief-humanistische lezing van Levinas stelt dat je de soevereiniteit van het subject kunt handhaven door het op harmonische wijze naast de ander te laten leven. Maar wat volgens mij zo sterk is aan Levinas, is dat hij zijn argumenten toepast op de meest extreme en gewelddadige situaties die er bestaan: martelingen, moord, gijzelingen – grenssituaties waarin de soevereiniteit te gronde gaat. Het ethische moment, het werkelijk ethische moment is voor Levinas zo extreem dat het bijna ondenkbaar is. Wat, als ik me goed herinner, een woord is dat jullie eerder in dit gesprek hebben gebruikt: Amsterdam 2.0 wordt erdoor gekenmerkt dat het ondenkbaar is. Maurice noemde deze ondenkbaarheid het resultaat van een blinde vlek in het heden, een blinde vlek waarin wij leven, onzichtbaar. Daar wil ik op terugkomen, want ik vind het erg intrigerend. Is Amsterdam 2.0 een poging om die blinde vlek te ‘zien', of anders om op of in die blinde vlek te worden gezien?
MN Het is een poging om er in te gaan leven en dus inderdaad om er in te worden gezien. Maar het is geen poging om een blinde vlek te zien. Ten eerste kunnen we Amsterdam 2.0 niet ‘zien' omdat het buiten het humanistische perspectief valt, buiten de bestaande, menselijke, ethische zienswijzen. Ten tweede kan de ander en het andere – je toekomst, je dood, je gesternte, je buren, je hond, je kind, je gebouw, je kunstwerk – niet naar ons kijken, omdat wij zelf de blinde vlek zijn. Alles wat wij maken komt in die blinde vlek terecht. We kunnen alleen een stel regels opstellen waarin we dit ‘ondenkbare' nieuwe paradigma tot ontplooiing trachten te brengen en door anderen te laten bekijken. Misschien is dat wel de schoonheid van Amsterdam 2.0: een overdaad aan zichtbaarheid, een poging ons zichtbaar te maken voor de ander, in plaats van hem te bestrijden.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte






