Saskia Sassen, Publieke interventies. De verschuivende betekenis van de stedelijke conditie

OPEN 11 Hybride Ruimte. Hoe draadloze media de publieke ruimte mobiliseren
De publieke ruimte is een plek waar mensen handelen en een ‘gemeenschappelijke wereld vol verschillen’ creëren. Deze ruimte is ‘hybride’ van aard geworden: een verstrengeling van concrete en virtuele eigenschappen, van statische en mobiele domeinen, van publieke en private sferen, van globale en lokale interesses. De hybride ruimte wordt niet in de laatste plaats gevormd door draadloze, mobiele media als GSM, GPS, WI-FI en RFID. Deze media worden ingezet als controlemechanismen, maar ook als alternatieve gereedschappen ter vergroting en verscherping van het publieke handelen. Een select gezelschap in de kunst, vormgeving, architectuur & stedenbouw onderzoekt en beproeft de implicaties en mogelijkheden hiervan.
Saskia Sassen, hoogleraar sociologie aan de University of Chicago, is gespecialiseerd in de transformaties die de stedelijke ruimte ondergaat door toedoen van globaliserings- en digitaliseringsprocessen. In dit essay beschouwt zij de mogelijkheden van artistieke praktijken om een type publieke ruimte te ‘maken’ dat ontregelende verhalen kan produceren en het lokale en tot zwijgen gebrachte zichtbaar kan maken.
Bij veel mensen en zelfs hele gemeenschappen hebben de immense omvang van de stedelijke ervaring, de overweldigende aanwezigheid van grootschalige architectuur en dichte infrastructuur, plus de onverbiddelijke utiliteitslogica die de investeringen in de hedendaagse steden grotendeels bepaalt, tot ontheemding en vervreemding geleid. Het zijn factoren die het traditionele beeld en de traditionele beleving van de stad in het algemeen en de publieke ruimte in het bijzonder aan het wankelen brengen. De monumentale publieke ruimten van de Europese steden blijven levendige locaties voor rituelen en voor de routine van alledag, voor demonstraties en festivals; toch heerst steeds sterker het gevoel dat de stedelijke ruimte een verschuiving doormaakt van sociaal naar gepolitiseerd, met versplintering langs diverse lijnen.
Tegelijkertijd bevatten deze steden een veelheid aan onderbenutte ruimten die hun betekenis vaak eerder ontlenen aan de herinnering dan aan wat ze nu zijn. Deze ruimten behoren tot de binnenkant van de stad, maar onttrekken zich aan haar utiliteitslogica en ruimtelijk raamwerk. Het zijn ‘terrains vagues’ waar bewoners in contact kunnen komen met de snel veranderende stedelijke conditie en naar eigen inzicht de gigantische infrastructuur kunnen omzeilen die hun stedelijke ruimten steeds meer domineert. In dit licht bezien zou het een vergissing zijn zich op deze terreinen te storten om er zo veel mogelijk nieuwbouw neer te zetten. Het is zinvol iets van deze openheid te behouden, mede met het oog op het meewegen van toekomstige opties; de utiliteitslogica verandert in deze tijd immers zo snel en vaak ook zo gewelddadig – kijk bijvoorbeeld naar het overschot aan kantoortorens.
Hier doet zich in de huidige stedelijke conditie een opvallend dilemma voor dat verder reikt dan redelijk transparante begrippen als hightech architectuur, virtuele ruimten, simulacra en themaparken. Die zijn allemaal van belang, maar het zijn stukjes van een onvolledige puzzel. Er is een type stedelijke conditie dat zich bevindt tussen de werkelijkheid van de grootschalige bouwwerken en de werkelijkheid van semi-verlaten plekken. Ik denk dat dit type centraal staat in de ervaring van het stedelijke en de overgangen en ontregeling van specifieke ruimtelijk-temporele configuraties inzichtelijk maakt. Daarnaast kunnen architectuur en stedenbouwkundig ontwerp fungeren als kritische artistieke praktijken waarmee we vat kunnen krijgen op iets dat ongrijpbaarder is dan wat de ‘verpretparking’ van steden wordt genoemd.
Ik onderzoek deze kwesties hier aan de hand van het daadwerkelijk ‘maken’ van publieke ruimte en de verschuivende betekenis van de stedelijke conditie.
Publiek ‘maken’ tegen het privatiseren en pantseren van de stedelijke ruimte
Het maken en situeren van publieke ruimte is één invalshoek om dit soort kwesties te benaderen. We beleven in de publieke ruimte een soort crisis die voortkomt uit de toenemende vercommercialisering, de ‘verpretparking’ en privatisering.1 Met name in voormalige rijkshoofdsteden zijn het de grootse, monumentale ruimten van staat en kroon die onze beleving van de publieke ruimte bepalen. De gebruikers maken deze ruimten publiek door wat ze er doen. Maar als in deze complexe steden nu eens daadwerkelijk publieke ruimte werd ‘gemaakt’, zowel via architectonische interventies als via de praktijken van de gebruikers?
Het verblijven tussen megagebouwen en terrains vagues maakt al lang deel uit van de stedelijke ervaring.2 Ook tegenwoordig nog is dit verblijven onderhevig aan overgangen en ontregeling. Het kan ook de mogelijkheid van stedelijk ‘maken’ – poësis – terugbrengen op een manier die niet met grootschalige projecten te bereiken is. Het ‘maken’ waar ik hier op doel is het creëren van bescheiden publieke ruimten, tot stand gebracht via gebruikerspraktijken en kritische architectonische interventies op kleine of middelgrote schaal. Het gaat me niet om de monumentale of kant-en-klare publieke ruimten die je eigenlijk beter publiek toegankelijk kunt noemen dan publiek. Het maken van publieke ruimte roept vragen op over de huidige stedelijke conditie die bij de grootse ruimten van de kroon of de staat of de over-ontworpen publiek toegankelijke ruimten niet naar boven komen.
Het 'maken' van publieke ruimte in deze tussenruimte is een ongrijpbare kwaliteit van de stad, die theoretisch noch praktisch eenvoudig te vatten is.3 Utiliteitslogica is hier niet bruikbaar. Zou het antwoord, zo denk ik onwillekeurig, niet gedeeltelijk kunnen liggen in het maken van kunst: tijdelijke publieke performances en installaties, of meer permanente vormen van publieke sculptuur zoals locatie- of gemeenschapsgebonden kunst of nomadische sculpturen die langs verschillende locaties circuleren? Daarnaast plaatsen de nieuwe netwerktechnologieën deze kwestie, het maken van publieke ruimte op bescheiden locaties en aan de hand van gebruikerspraktijken, in een breed perspectief. Een vraag waarmee we cruciale aspecten van dit project aan de orde kunnen stellen is misschien: hoe kunnen we ‘urbaniseren’ op een open source-manier?
De architectuurpraktijk staat hier centraal, vooral waar deze plaatsvindt op problematische of ongewone plaatsen. Die praktijk vereist architecten die met verschillende vormen van kennis overweg kunnen, zodat architectuur kan ontstaan in ruimten waar het blote oog of de verbeeldingskracht van de ingenieur geen vorm ziet en ook geen mogelijkheid tot vorm, enkel infrastructuur en utiliteit. De soorten ruimte waar ik aan denk zijn bijvoorbeeld knooppunten van verschillende vervoers- en communicatienetwerken, de daken van recyclingbedrijven of waterzuiveringinstallaties, kleine, onpraktische, ongebruikte ruimten die zijn vergeten of niet passen binnen op utiliteit gerichte plannen, enzovoort. Een ander voorbeeld is een ruimte waar met enige moeite architectonische mogelijkheden te ontdekken zijn, maar waar nu slechts formele stilte heerst, een niet-bestaan, zo'n bescheiden en bij uitstek onopvallend terrain vague – niet een groots terrain vague dat zijn luister ontleent aan de schaal van zijn verval, zoals een niet meer in bedrijf zijnde industriële haven of staalfabriek.
De mogelijkheid van dit type maken, ontdekken en interveniëren heeft nieuwe betekenissen gekregen in de afgelopen twintig jaar, een periode waarin ruimten die ooit als publiek golden steeds meer onder particulier gezag/macht kwamen. Bovendien probeert de staat vooral de laatste vijf jaar de stedelijke ruimte te pantseren en tot object van toezicht te maken. Tegelijkertijd maakt de toenemende zichtbaarheid van beperkingen, toezicht en uitsluiting de stedelijke ruimte steeds meer tot politiek terrein. Het bekendst is wellicht de invloed van de residentiële en commerciële ‘opwaardering’ van stadsdelen via de toevloed van hoge inkomens; deze brengt vormen van uitsluiting met zich mee die leiden tot maatschappelijke polarisatie in plaats van dat men zich aan beide zijden van de tegenstelling in de eerste plaats burger voelt. De fysieke verplaatsing van huishoudens met lage inkomens, niet-commerciële gebruikers en buurtbedrijfjes met beperkte winst maakt een machtsverhouding zichtbaar – directe controle door de ene kant over de andere, die direct tot uiting komt in uitzettingen of indirect via de markt. Deze politisering van de stedelijke ruimte en de zichtbaarheid daarvan komen ook tot uiting in het toenemende aantal fysieke barrières in voorheen publieke ruimten, wellicht het meest uitgesproken in Amerikaanse steden en vooral zichtbaar sinds de aanslagen van 11 september 2001. Overal ter wereld gaan de Amerikaanse ambassades steeds meer op middeleeuwse forten lijken. In deze context is de publiek toegankelijke ruimte een enorm belangrijke voorziening, en we hebben er meer van nodig. Maar we moeten publiek toegankelijke ruimte niet verwarren met publieke ruimte. De laatstgenoemde moet ‘gemaakt’ worden – via de activiteiten en subjectieve beleving van de mensen. Door wat ze in ruimten doen zijn het uiteindelijk de gebruikers die uiteenlopende soorten publiekheid creëren.4
Kort gezegd komen er verschillende trends bij elkaar die praktijken en denkbeelden mogelijk maken over het maken van, en niet alleen het toegang verkrijgen tot, publieke ruimte. Een van die trends houdt verband met situaties zoals hiervoor besproken, om precies te zijn: met de ontregeling van de oude opvattingen van publieke ruimte. Deze ontregeling is zowel te wijten aan het feit dat er grenzen zijn aan het maken van publieke ruimte op monumentale locaties, als aan de verschuiving die plaatsvindt in de richting van een gepolitiseerde stedelijke ruimte en een verzwakt burgerschapsgevoel in de steden. Beide factoren bieden openingen naar de ervaring en de optie van het maken.
Een tweede trend is de mogelijkheid bescheiden publieke ruimten te ‘maken’, wat wel eens een cruciale voorwaarde zou kunnen zijn om ruimten weer publiek te maken. Dit type maken was historisch van belang in de Europese steden en wijkt als project af van het maken van grootse, monumentale ruimten: het kwam neer op ruimte maken in de spleten en de kieren van de ruimten van kroon en staat. Dit type maken is in deze tijd gericht op de tussenruimten van de particuliere en publieke macht en bevat een toegevoegde dimensie: de herpositionering van het begrip en de beleving van plaatselijkheid en daarmee van bescheiden publieke ruimten in potentieel mondiale netwerken die een veelvoud van zulke locaties omvatten.
Een derde trend is de delicate balans tussen de hernieuwde waardering voor diversiteit, zoals die blijkt uit het multiculturalisme, en de nieuwe uitdagingen die deze stelt aan de opvattingen over en ervaring van het publieke.
Steden als grensgebieden: het maken van informele politiek
De andere kant van de grote, complexe stad, zeker als het een wereldstad is, is dat het een soort nieuw grensgebied is waar een enorme verscheidenheid aan mensen bij elkaar komt. Mensen zonder macht, achtergestelden, buitenstaanders en gediscrimineerde minderheden kunnen aanwezigheid krijgen in deze steden, aanwezigheid tegenover de macht en aanwezigheid tegenover elkaar. Ik zie hierin de mogelijkheid van een nieuw type politiek, uitgaande van nieuwe typen politieke actoren. Het is niet simpelweg een kwestie van wel of geen macht hebben. Er zijn nieuwe hybride bases van waaruit geopereerd kan worden. Met de term aanwezigheid probeer ik daar iets van in woorden te vatten.
De ruimte van de stad is voor politiek een veel concretere ruimte dan die van de natie. Ze wordt een plaats waar informele politieke actoren deel kunnen uitmaken van het politiek toneel op een manier die op landelijk niveau veel moeilijker te verwezenlijken is. Op landelijk niveau moet de politiek zich aan de bestaande formele systemen houden, of het nu gaat om het kiesstelsel of om de rechterlijke macht (overheidsinstanties voor het gerecht slepen). Informele politieke spelers worden in de sfeer van de landelijke politiek onzichtbaar gemaakt. De ruimte van de stad biedt plaats aan een breed scala aan politieke activiteiten – kraken, demonstraties tegen politiegeweld, strijden voor de rechten van immigranten en daklozen, de politiek van cultuur en identiteit, en de politiek van homo's en lesbiennes. Veel van deze activiteiten worden zichtbaar op straat. Stedelijke politiek is vaak concreet, een zaak van mensen, en niet afhankelijk van de technologie van de massamedia. Politiek op het niveau van de straat maakt de vorming mogelijk van nieuwe typen politieke subjecten die niet de gang door het formele politieke systeem hoeven te maken.
Bovendien worden plaatselijke activiteiten via de nieuwe netwerktechnologieën onderdeel van een mondiaal netwerk van activisme, zonder dat dit ten koste gaat van de gerichtheid op specifieke plaatselijke problemen. Hierdoor wordt een nieuw type grensoverschrijdend politiek activisme mogelijk dat zich in uiteenlopende locaties concentreert, die echter via de digitale technologie sterk onderling zijn verbonden. Volgens mij is dit een van de belangrijkste vormen van kritische politiek, mogelijk gemaakt door internet en andere netwerken: een politiek van het plaatselijke, met één groot verschil: het gaat hier om locaties die onderling zijn verbonden binnen een regio, een land of de hele wereld. Dat het netwerk mondiaal is, betekent nog niet automatisch dat alles op mondiaal niveau gebeurt. Politieke activisten kunnen gebruik maken van digitale netwerken voor mondiaal of niet-lokaal verkeer, maar ook voor het versterken van de communicatie op plaatselijk niveau, binnen een stad of een plattelandsgemeenschap.
De grote stad van vandaag, met name de wereldstad, wordt steeds meer een strategische locatie voor dit nieuwe type activiteit. Het is een strategische locatie voor het mondiale bedrijfskapitaal, maar het is ook een van de locaties waar nieuwe eisen van informele politieke spelers opkomen en concrete vorm aannemen.
Nieuwe gedachten over het begrip plaatselijkheid
Het zal niet lang duren voordat veel stadsbewoners het ‘plaatselijke’ gaan ervaren als een soort micro-omgeving met een mondiale reikwijdte. Veel van wat we nog steeds voor ons zien en ervaren als iets plaatselijks – een gebouw, een plek in een stad, een huishouden, een activistische organisatie bij ons om de hoek – bevindt zich in feite niet alleen op de concrete plekken waar we het kunnen zien, maar ook in digitale netwerken die de hele wereld omspannen. Het is verbonden met andere, vergelijkbare plaatsgebonden gebouwen, organisaties, huishoudens, wie weet aan de andere kant van de wereld. Wat daar gebeurt, is soms meer gericht op die andere gebieden dan op de directe omgeving. Denk bijvoorbeeld aan het financiële centrum in een wereldstad, of het huis of kantoor van een mensenrechten- of milieuactivist: die richten zich niet op wat hen omgeeft maar op een mondiaal proces. Ik zie dit soort plaatselijke eenheden als micro-omgevingen met een mondiale reikwijdte.5
Er zijn twee kwesties waarop ik hier kort wil ingaan. De ene is wat het betekent voor ‘de stad’ om een overvloed aan deze mondiaal georiënteerde en toch zeer plaatselijke kantoren, huishoudens en organisaties te bevatten. In deze context wordt de stad een strategisch knooppunt van allerlei mondiale circuits die er doorheen buitelen. Steden en stadsregio's worden steeds meer doorkruist door niet-plaatselijke, vaak zelfs uitgesproken mondiale circuits, en veel van wat we als plaatselijk ervaren omdat het zich op een bepaalde locatie bevindt, is in feite een getransformeerde conditie, omdat het wordt overlapt door niet-plaatselijke dynamiek of slechts een schakel is in een mondiaal proces. Eén manier om hierover te denken is in termen van een ‘verruimtelijking’ van de verschillende – economische, politieke, culturele – projecten. Deze levert een specifieke verzameling interacties op in de relatie van een stad met zijn topografie. De nieuwe stedelijke ruimtelijkheid die aldus ontstaat is in tweeledige zin partieel: ze verklaart maar gedeeltelijk wat er in steden gebeurt en wat de essentie van steden is, en ze beslaat slechts een deel van wat we als de ruimte van de stad zouden kunnen beschouwen, of men deze nu opvat in termen van de bestuurlijke grenzen van een stad of in de zin van de veelsoortige voorstellingen die in de verschillende sectoren van de bevolking van een stad kunnen leven. Als we de stedelijke ruimte als productief beschouwen, als een plek waar nieuwe configuraties kunnen worden gevormd, dan kondigen deze ontwikkelingen een veelheid aan mogelijkheden aan.
De tweede kwestie, die voortvloeit uit deze proliferatie van digitale netwerken die de steden doorkruisen, draait om de toekomst van steden in een steeds verder gedigitaliseerde en geglobaliseerde wereld. Het geheel aan condities en dynamieken die kenmerkend zijn voor een wereldstad kan hier bijdragen aan een beeld van de toenemende centralisering van de stedelijke ruimte in complexe steden. Om maar één belangrijke dynamiek te noemen: hoe meer geglobaliseerd en gedigitaliseerd de activiteiten van bedrijven of markten zijn, hoe meer hun centrale management- en coördinatiefuncties (en de benodigde materiële structuren) een strategisch karakter krijgen. Juist de digitalisering maakt gelijktijdig een mondiale spreiding van activiteiten (van fabrieken, kantoren of winkelvestigingen) en een geïntegreerd systeem mogelijk. En juist deze combinatie maakt centrale functies zo belangrijk. Wereldsteden zijn strategische locaties om de voor deze centrale functies benodigde voorzieningen te bundelen.6 Wat vloeiend wordt gemaakt, in digitale netwerken circuleert en zich kenmerkt door hypermobiliteit, blijft op bepaalde onderdelen dus in feite fysiek, en misschien ook wel stedelijk. Tegelijkertijd is datgene wat fysiek blijft echter getransformeerd door het feit dat het wordt weergegeven door uiterst vloeiende instrumenten die in mondiale markten kunnen circuleren. Het gebouw ziet er misschien hetzelfde uit, er komen misschien dezelfde bakstenen en cement aan te pas, het kan nieuw zijn of oud, maar het is een getransformeerde entiteit. Neem het voorbeeld van onroerend goed. Bedrijven in de financiële dienstverlening hebben instrumenten uitgevonden die onroerend goed vloeiend maken; daarmee hebben ze investeringen in en circulatie van deze instrumenten in mondiale markten mogelijk gemaakt. Toch blijft een deel van wat onroerend goed tot onroerend goed maakt zeer fysiek; maar het gebouw dat wordt voorgesteld door financiële instrumenten die wereldwijd circuleren is niet hetzelfde gebouw als dat waarmee dat niet gebeurt.
Het valt niet mee de polyvalentie van de nieuwe digitale technologieën in traditionele categorieën te vangen: als het fysiek is, dan is het ook fysiek; als het vloeiend is, dan is het vloeiend. Dat onroerend goed gedeeltelijk wordt weergeven door vloeiende financiële instrumenten leidt tot een complexe overlapping van de materiële en de gedigitaliseerde momenten van datgene wat we nog altijd onroerend goed noemen. En de behoefte van de mondiale financiële markten aan diverse materiële condities in zeer concrete financiële centra leidt tot nog een nieuw type complexe overlapping, waaruit blijkt dat juist de meest geglobaliseerde en gedigitaliseerde sectoren een zeer sterke en strategische stedelijke dimensie behouden.
Hypermobiliteit of digitalisering worden doorgaans beschouwd als louter functies van de nieuwe technologieën. Deze opvatting gaat voorbij aan het feit dat er vele materiële condities nodig zijn om tot dit resultaat te komen. Als we eenmaal erkennen dat de hypermobiliteit van het instrument of de dematerialisering van het feitelijke onroerend goed, ‘geproduceerd’ moest worden, gaan we de overlapping zien van het materiële en het niet-materiële. Het produceren van kapitaalmobiliteit vereist de allermodernste gebouwde omgeving, een conventionele infrastructuur – van snelwegen tot luchthavens en spoorwegen – en goed gehuisvest talent. Dit zijn allemaal, althans gedeeltelijk, plaatsgebonden condities, al zal de aard van hun plaatsgebondenheid verschillen van wat hij honderd jaar geleden was, toen plaatsgebondenheid misschien meer het stempel droeg van immobiliteit. Vandaag de dag is het een plaatsgebondenheid die de sporen draagt van de hypermobiliteit van sommige van haar onderdelen/producten/resultaten. Zowel kapitaalstabiliteit als kapitaalmobiliteit bevinden zich in een tijdskader waarin snelheid dominant is en een verreikende invloed heeft. Dit type kapitaalstabiliteit laat zich niet volledig vangen in een beschrijving van haar materiële en lokale merken, dat wil zeggen in een topografische interpretatie.
Een conceptualisering van digitalisering en globalisering langs deze lijnen creëert operationele en retorische openingen naar een erkenning van het blijvende belang van de materiële wereld, zelfs bij de meest gedematerialiseerde activiteiten.
Digitale media en het maken van aanwezigheid
Mediakunstenaars die met digitale netwerktechnologieën werken, voeren in een groeiend aantal steden overal ter wereld zowel politieke als artistieke projecten uit. Ik wil hier een zeer specifiek kenmerk aan de orde stellen: de mogelijkheid vormen van mondialiteit te construeren die geen deel uitmaken van mondiale commerciële media of de consumptie-industrie en ook niet van een universele elite of de ‘hoge cultuur’. Hier doet zich de mogelijkheid voor diverse plaatselijke spelers, projecten en denkbeelden zichtbaar te maken en op die manier alternatieve of contra-globaliteiten te creëren.
Aan deze interventies komen diverse technologietoepassingen te pas, variërend van politiek tot ludiek, die de commerciële globalisering kunnen ondermijnen. We zien hoe zich alternatieve netwerken, projecten en ruimten vormen. Symbolisch is misschien dat het ‘hacken’ als metafoor is losgekomen van het gespecialiseerde technische discours en onderdeel is geworden van het dagelijks leven. Tegenover een roofzuchtig regime van intellectuele eigendomsrechten zien we de blijvende invloed van de gratis-software-beweging.7 De onafhankelijke media winnen terrein, zelfs nu mondiale mediaconglomeraten zo ongeveer alle reguliere media domineren.8 De vorming van nieuwe machtsgeografieën die de elites uit het zuiden en noorden van de wereld bij elkaar brengen, vindt zijn tegenhanger in het werk van collectieven als het Raqs Media Collective, die de verdeling tussen centrum en periferie verstoren.9
Zulke alternatieve globaliteiten moeten worden onderscheiden van de gangbare opvatting dat als ‘het’ mondiaal is, het ook kosmopolitisch is. De soorten mondiale vormen waarmee ik me hier bezighoud zijn degene die ik, deels als provocatie, aanduid als niet-kosmopolitische vormen van globaliteit. Als plaatselijke initiatieven en projecten onderdeel kunnen worden van een mondiaal netwerk zonder hun focus op het specifiek plaatselijke te verliezen, ontstaat een nieuw type globaliteit. Zo kunnen groepen of individuen die zich met uiteenlopende milieukwesties bezighouden – van ontwerpen voor zonne-energie tot architectuur die haar materialen uit de directe omgeving betrekt – deel gaan uitmaken van mondiale netwerken zonder afstand te hoeven doen van het specifieke onderwerp dat hen bezighoudt.
In een poging deze verscheidenheid aan subversieve interventies in de ruimte van het mondiale kapitalisme onder één noemer te brengen, maak ik gebruik van het begrip ‘contra-geografieën van de globalisering’: deze interventies zijn in bepaalde opzichten nauw vervlochten met de dynamiek van de commerciële globalisering, maar maken geen deel uit van het formele apparaat of van de doelstellingen van dit apparaat (zoals de vorming van mondiale markten of mondiale firma's). Deze contra-geografieën gedijen bij de intensivering van transnationale en translokale netwerken, de ontwikkeling van communicatietechnologieën die zich gemakkelijk onttrekken aan conventionele toezichtpraktijken, enzovoort. Daarnaast kunnen deze nieuwe mondiale circuits ironisch genoeg alleen sterker worden, of überhaupt tot stand komen, dankzij hun inbedding in het mondiale economische systeem dat ze bestrijden, maar waaraan ze in feite hun bestaan danken. Deze contra-geografieën zijn dynamisch en veranderlijk in hun plaatselijke kenmerken.10
Het vertellen, vormgeven en aanwezig maken waar het in gedigitaliseerde omgevingen om draait, krijgt zeer speciale betekenissen als het wordt ingezet om iets specifiek plaatselijks weer te geven/uit te beelden in een mondiale context. Naast het nederige geploeter van alledag hebben mediakunstenaars en -activisten – vaak ook kunstenaars – een sleutelrol gespeeld in deze ontwikkelingen, hetzij via tactische media, onafhankelijke media, of eenheden als de oorspronkelijke versie van De Digitale Stad Amsterdam11 en de in Berlijn gevestigde Transmediale.12 Maar mediakunstenaars hebben zich ook beziggehouden met andere kwesties dan de wereld van de technologie. Wellicht niet verrassend richt de aandacht zich in sterke mate op het steeds restrictievere regime ten aanzien van migranten en vluchtelingen in een mondiale wereld waar het kapitaal kan stromen waarheen het wil. Organisaties als Nobody is Illegal,13 het webproject Mongrel,14) het tijdschrift Mute,15 het in Manchester gevestigde Futuresonic16 en het in Bonn en Keulen gevestigde Theater der Welt 17 hebben allemaal projecten gedaan die om immigratie draaien.
Samenvattend kunnen we stellen dat zowel het maken van publieke ruimte als het maken van de politiek in de stedelijke ruimte van cruciaal belang worden in een tijd van toenemende snelheid, het overwicht van proces en flow over artefacten en duurzaamheid, enorme constructies die geen menselijke schaal meer hebben, en branding als de meest fundamentele vorm van bemiddeling tussen personen en markten. Het ontwerpproces levert verhalen op die waarde toevoegen aan bestaande contexten, en in de meest enge zin aan de utiliteitslogica van de economische zakenwereld. Maar er is ook een soort publiekelijk ‘maken’ gaande dat ontregelende verhalen kan produceren en dat het lokale en tot zwijgen gebrachte zichtbaar kan maken.
1. Er bestaat hierover interessante literatuur. Het is onmogelijk daar recht aan te doen, maar laat ik in elk geval een paar teksten vermelden waaruit de verscheidenheid van benaderingen blijkt: Richard Lloyd, Neobohemia: Art and Commerce in the Post-Industrial City (New York/Londen: Routledge, 2005); Annette W. Balkema en Henk Slager (red.), Territorial Investigations (Amsterdam/Atlanta: 1999); Mari Carmen Ramirez, Theresa Papanikolas, Gabriela Rangel, Art (International Center for the Arts of the Americas: 2002); George Yudice, The Expediency of Culture: Uses of Culture in the Global Era (Durham: Duke University Press, 2003); Roger A. Salerno, Landscapes of Abandonment: Capitalism, Modernity and Estrangement (Albany: State University of New York Press, 2003); John Phillips, Wei-Wei Yeo, Ryan Bishop, Postcolonial Urbanism: Sout East Asian Cities and Global Processes (New York/Londen: Routledge, 2003); Joan Ockman (red.), Pragmatist Imagination: Thinking about Things in the Making (Princeton: Princeton Architectural Press, 2001); Malcolm Miles, Art, Space and the City: Public Art and Urban Futures (New York/Londen: Routledge, 1997); Peggy Phelan, Jill Lane (red.), The Ends of Performance (New York: New York University Press, 1998); Thad Williamson, Gar Alperovitz en David L. Imbroscio, Making a Place for Community: Local Democracy in a Global Era (New York/Londen: Routledge, 2002); Andre Drainville, Contesting Globalization: Space and Place in the World Economy (Londen: Routledge, 2005); Linda Krause en Patrice Petro (red.), Global Cities: Cinema, Architecture, and Urbanism in a Digital Age (New Brunswick, New Jersey en Londen: Rutgers University Press, 2003).
2. Voor een van de beste besprekingen van zulke ‘terrains vagues’ zie Ignasi de Solá-Morales, Obra, dl. 3 (Barcelona: Editorial Gigli, 2004). Voor een voorbeeld van een interventie in zo'n terrain vague, in dit geval in Buenos Aires, zie Kermes Urbana, een organisatie die probeert publieke ruimte te produceren door dit soort plekken nieuw leven in te blazen (zie www.m7red.com.ar/m7-KUintro1.htm)
3. Bijvoorbeeld Arie Graafland, The Socius of Architecture (Rotterdam: 010 Publishers, 2000); John Beckmann, The Virtual Dimension: Architecture, Representation, and Crash Culture (Princeton: Princeton Architectural Press, 1998); Kester Rattenbury, This is not Architecture: Media Constructions (Londen/New York: Routledge, 2002); Susannah Hagan, Taking Shape: A new Contract between Architecture and Nature (Oxford: Architectural Press, 2001).
4. Zie bijvoorbeeld het soort projecten op www.transgressivearchitecture.org.
5. Elders heb ik gedetailleerd de overlappingen tussen het digitale en het materiële laten zien, en tussen flows en plaatsen. Zie: Saskia Sassen, Territory, Authority, Rights: From Medieval to Global Assemblages (Princeton: Princeton University Press, 2006), hfdst. 7.
6. Er zijn nog andere dimensies die de wereldstad bepalen; zie Saskia Sassen, The Global City (Princeton; Princeton University Press, 2001), 2de druk.
7. Zie www.gnu.org voor meer informatie.
8. Indymedia is ‘een netwerk van collectief beheerde media met het doel op radicale, accurate en harstochtelijke wijze de waarheid te vertellen’. Zie www.indymedia.org.
9. Zie www.raqsmediacollective.net.
10. Ze zijn ook polyvalent, d.w.z. sommige zijn ‘goed’ en andere ‘slecht’. Ik gebruik de term als een analytische categorie om een heel scala aan dynamieken en initiatieven mee aan te duiden, die gebruikmaken van de nieuwe mogelijkheden om mondiaal te opereren; ze danken deze mogelijkheden aan de mondiale commerciële economie maar gebruiken ze voor andere doeleinden dan waarvoor ze ontworpen zijn: voorbeelden variëren van anders-globalistische politieke strijd tot informele mondiale economische circuits en, in de marge, mondiale terroristische netwerken.
11. De Digitale Stad Amsterdam (DDS) was een experiment dat mogelijk werd gemaakt door cultureel centrum De Balie. Met subsidie van de gemeente Amsterdam en het ministerie van Economische Zaken bood het mensen toegang tot de centrale computer van de digitale stad, waar ze raadsnotulen en officiële beleidsstukken konden inzien of digitale cafés en spoorwegstations konden bezoeken. Voor documentatie zie reinder.rustema.nl/dds/; voor de volledige ontwikkeling van DDS van begin tot eind, zie het hoofdstuk door Geert Lovink en Patrice Riemens in: Global Networks, Linked Cities (New York/Londen: Routledge, 2002).
12. Een internationaal mediakunstfestival. Zie www.transmediale.de.
13. Een campagne uitgevoerd door autonome groepen, religieuze initiatieven, vakbonden en individuen ter ondersteuning van vluchtelingen en immigranten zonder papieren. Zie www.contrast.org/borders voor meer informatie.
14. In Londen gevestigde media-activisten en -kunstenaars. Zie www.mongrelx.org.
15. Zie www.metamute.com.
16. Een festival dat zich richt op draadloze en mobiele media. Zie www.futuresonic.com.
17. Een theaterfestival. Zie www.theaterderwelt.de.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte






