Jorinde Seijdel, Redactioneel Kunst als publieke zaak. Hoe de kunst en haar instituten de publieke dimensie opnieuw uitvinden

De publieke sfeer als ruimte waarin rationele discussies gevoerd worden vrij van dwingende machten en de publieke ruimte als gezamenlijke wereld waren lang toonaangevende concepten in het discours over openbaarheid, gedefinieerd door onder anderen Jürgen Habermas en Hannah Arendt. Deze verlichte vormen van ‘beschaafde openbaarheid’ lijken ver verwijderd van zowel de hedendaagse theorie als de praktijk. Neoliberale krachten, zoals privatisering en commercialisering, torpederen de moderne ideaalbeelden van de publieke sfeer, die als praktische opgave steeds meer wordt bepaald door acute verwachtingen omtrent veiligheid en gevaar. Tegelijkertijd wordt er aanspraak gemaakt op de publieke ruimte door groepen/publieken als illegalen, vluchtelingen en migranten, die in het officiële beleid over die ruimte niet of nauwelijks worden meegerekend.
Het huidige denken over de publieke sfeer en publiekheid gaat dan ook niet langer uit van harmoniemodellen waarin consensus centraal staat. Er wordt veelvuldig gerefereerd aan Jacques Rancière of Chantal Mouffe, die de politieke dimensie van de publieke ruimte en het uiteenvallen ervan in verschillende ruimten, publieken en sferen benadrukken en voor wie vormen van conflict, dissensus, meningsverschil of ‘agonisme’ juist constructief zijn en recht kunnen doen aan velen. De publieke ruimte is zo wederom een urgent intellectueel onderwerp in de discussie over de liberale democratie, die zich, geschraagd door radicaal-linkse filosofen als Giorgio Agamben of Alain Badiou, steeds meer richt op de verhouding tussen politiek en leven, waarbij ‘het politieke’ vaak staat tegenover dé politiek.
In het kielzog van deze ontwikkelingen wordt ook de artistieke ruimte van de kunst en haar instellingen veelvuldig beschouwd als sociale of zelfs politieke ruimte, als publieke zaak. Het esthetische en het politieke worden tegen elkaar uitgespeeld en rond autonomie en dienstbaarheid worden nieuwe vragen geformuleerd. In dit nummer van Open komt aan de orde hoe de kunst en haar instituties hun publieke dimensie en betrokkenheid opnieuw uitvinden, formuleren of legitimeren. Een neutrale positie lijkt hierin immers op zijn minst naïef: zowel kunst als kunstinstellingen manifesteren zich nog steeds bij de gratie van het publiek(e). Zij kunnen niet anders dan zich hernieuwd afvragen wat waarom (niet) publiek is, wie het publiek is en hoe zij zich daartoe willen verhouden. Durven zij deel uit te maken van ‘het politieke’, of laten zij zich instrumentaliseren door marktpartijen en partijpolitiek?
Chantal Mouffe gaat in op haar ‘agonistische’ model van de ruimte en de rol die zij daarin ziet weggelegd voor de kunstenaar. Nina Möntmann betoogt hoe kleine kunstinstituten de rol van ‘wild child’ kunnen spelen en een zinvolle (tegen) positie kunnen innemen in de publieke ruimte. Simon Sheikh constateert dat er met de erosie van de natiestaat sprake is van een postpublieke situatie, waarin de publieke sfeer of ‘het publiek’ niet meer exact te plaatsen is.
Sven Lütticken grijpt de controverse aan die er in Duitsland ontstond over de glas-in-loodramen van Gerhard Richter in de Dom van Keulen voor een reflectie over de kathedraal, het museum en de moskee als openbare ruimte. Sjoerd van Tuinen pleit voor een Sloterdijkiaans perspectief op het openbare, waarin het intieme serieus wordt genomen en kunst concrete vormen van ‘convivialiteit’ actualiseert. Kunstenaars Bik van der Pol maakten een bijdrage over een plek in het Park van de Vriendschap in Belgrado waar ooit het Museum van de Revolutie was gepland.
Jan Verwoert verzet zich tegen de eis aan kunstenaars en tentoonstellingsmakers hun publiek te benoemen. Hij vindt deze rieken naar een economische legitimering van cultuur en ziet juist anonimiteit als voorwaarde voor zinvolle ontmoetingen binnen het culturele domein. 16Beaver roept in de column op tegen de getalwording van de wereld, de kunst en haar instellingen, omdat ‘er ontelbaar veel op het spel staat’. BAVO doet een oproep aan kunstenaars radicaal artistiek activisme te verbinden met radicaal politiek activisme.
Maria Hlavajova, artistiek directeur van BAK in Utrecht werkte als curator voor het Nederlandse paviljoen op de laatste Biënnale in Venetië samen met Aernout Mik, die de video-installatie Citizens and Subjects maakte. Dit leidde tot overwegingen over de relatie tussen kunst en samenleving, en over begrippen als gemeenschappelijkheid en nationalisme. Florian Waldvogel ondervraagt Kasper König over zijn ervaringen met ‘Skulptur Projekte Münster’, die König tussen 1977 en 2007 organiseerde, en schetst zo een beeld van de veranderende relatie tussen kunst, openbare ruimte en stedelijke omgeving. Max Bruinsma sprak met Jeroen Boomgaard, lector Kunst in de Openbare Ruimte aan de Rietveld Academie, en Tom van Gestel, artistiek leider van SKOR, over de rol van de kunst in een openbare ruimte waar publiek-private samenwerkingen domineren en waar publieke belangen vermengd zijn met economische en beheertechnische belangen.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte