Jan Verwoert, Vrijuit liegen tegen het publiek. En andere, wellicht betere manieren om te overleven

Mensen verwachten veel van kunstenaars, curators, intellectuelen en opleiders. Ze verwachten dat we altijd iets te bieden hebben, iets opwindends, moois of waars. Steeds vaker verwachten ze ook dat we weten aan wíe we bieden wat we te bieden hebben. Tot welk publiek richten we ons? Wat zijn de behoeften van de gemeenschap die we bevredigen? Wat is de samenstelling van onze achterban? Hoe kunnen we die gemeenschap en die achterban in kaart brengen? Het lijkt vanzelfsprekend dat we ons dat afvragen. Wie zou niet willen weten tegen wie hij het heeft? Natuurlijk willen we graag weten wie de cultuur tot zich neemt die wij produceren. Toch heeft de eis om je publiek te benoemen iets dubieus. Het onderzoek naar de samenstelling van ons publiek heeft een merkwaardige bijsmaak. Het riekt naar de dwingende, maar onlogische eis tot economische legitimering van cultuur. Waar gaat het immers anders over dan over product placement via doelgroepmarketing?
Het lijkt erop dat de instrumentele logica van strategische marketing is binnengedrongen in het discours over de legitimering van de cultuur, vermomd als gewetensvolle zorg om maatschappelijke rechtvaardigheid. Gemeenschap en achterban: het zijn woorden die lijken te komen uit de mond van de ware sociaal-democraat, terwijl ze in feite wel eens afkomstig zouden kunnen zijn van een keiharde cultuurbureaucraat of marketingmanager. We moeten ons afvragen in hoeverre ons gewetensvolle streven om het publiek te dienen neerkomt op meedoen aan het kleingeestige machtsspel van opgelegde rechtvaardigingsrituelen.
Maar wat moet je dan antwoorden als men je vraagt wat het publieke belang is van wat je doet? We weten allemaal dat er geen externe rechtvaardiging is voor wat we doen en willen, en dat de argumenten die door de eeuwen heen naar voren zijn gebracht om aan te tonen waarom kunst een gemeenschappelijk goed is en waarom het in het belang van het publiek is haar te steunen, allemaal leugens waren. Wat was de Verlichting uiteindelijk anders dan het succesverhaal van kunstenaars, intellectuelen en pedagogen die het publiek hebben gewonnen voor de allergrootste leugen: dat kunst en denken goed voor je zijn omdat je er een beter mens van wordt. Dat is belachelijk en dat weten we. Toch dient die leugen tot op de huidige dag als het rookgordijn dat eeuwenlang onze overleving heeft gewaarborgd. De ironie is dat hij nog steeds werkt: met name bij de conservatieve politici van de oude school, niet omdat ze erin geloven, maar omdat ze aan liegen gewend zijn en niets anders verwachten. Juist de politici ter linkerzijde, vooral de sociaal-democraten, zijn zo naïef te verwachten dat ze de waarheid zullen horen. Traditioneel zijn zij degenen die onophoudelijk en onverbiddelijk willen weten waar kunst nu precies goed voor is. Als ze een helder inzicht hebben in het algemeen belang, zullen ze dat waarschijnlijk definiëren in termen van meer financiële steun voor gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs en sport. En wie zal ontkennen dat zij verstandige mensen zijn?
Denkfout
Willen we komen tot een geëmancipeerde benadering van wat we doen, dan zullen we ons publiek moeten respecteren en onze eigen praktijk gaan begrijpen als ingebed in een bepaalde maatschappelijke context. Onze bereidheid om de grondslagen van onze praktijk ter discussie te stellen keert zich ook tegen ons, zowel binnen het institutionele apparaat dat over het cultuurbeleid gaat als in het denken van iedereen die vindt dat cultuur moet beantwoorden aan de behoeften van de maatschappij. Het modernistische streven om de grondslagen van de cultuurproductie kritisch tegen het licht te houden maakt dan de weg vrij voor figuren die, om hun eigen macht veilig te stellen, inspelen op de notoire angst van moderne kunstenaars en intellectuelen dat ze geen solide redenen hebben voor wat ze doen of willen. Met name in de geïnstitutionaliseerde gemeenschap van deugdzame critici zien mensen ondanks jaren onderwijs in de sociale wetenschappen het voor de hand liggende over het hoofd: door de illegitimiteit van de kunst in het licht van de behoeften van de maatschappij aan de kaak te stellen, versterken de moreel overijverige critici de druk die de dominante maatschappelijke orde toch al op de kunst legt. Het is comfortabel en gemakkelijk om op de stoel van de openbare aanklager te gaan zitten; Ironisch genoeg spannen zo juist degenen die het nooit moe worden de kongsies van de kunst (met de markt, et cetera) aan de kaak te stellen, het hardst met de gevestigde machten samen.
Dat zou wel eens de grootste denkfout van de moderne kritiek kunnen zijn: het recht om van alles en iedereen de legitimiteit in twijfel te trekken mag dan de conditio sine qua non zijn van alle kritiek – de overtuiging dat er werkelijk positieve maatstaven van legitimiteit bestáán is de dood van alle kritiek en de primaire bron van ideologie. Tegenover het publiek bevindt de kritiek zich daarom in een even ongewisse positie als de kunst zelf. Ze is vrij om alles en iedereen in twijfel te trekken, maar er is geen mandaat of wet die de legitimiteit van die vrijheid garandeert. Dan wordt het de uitdaging om publiekelijk kritiek uit te oefenen zonder mandaat, blootgesteld aan de legitimiteitsvraag en weerstand biedend aan de drang om zich te conformeren aan ideologische, door specifieke gemeenschappen onderschreven normen van deugdzaamheid.
Uiteraard zou het de omgang met het publiek aanzienlijk vergemakkelijken als we allemaal een barok gevoel voor grootsheid, genialiteit en goddelijke roeping hadden behouden. Dan zou een enkele verontwaardigde blik volstaan om de ignoranti het zwijgen op te leggen. Een ware modernist kan deze positie onmogelijk innemen. Ze is een farce waaraan moet worden toegevoegd dat deze farce in politieke onderhandelingen over de legitimering en financiering van kunst nog altijd een succesverhaal is. Kijk maar eens naar het respect dat iedereen in Düsseldorf heeft voor een figuur als Markus Lüpertz, en de gretigheid waarmee ze zijn academie financieren: hij geeft de mensen wat ze willen, de volmaakte verpersoonlijking van de pompeuze hofschilder uit een andere eeuw. Het is onwerkelijk maar beantwoordt aan de verwachtingen dat ‘grote’ kunst onbegrijpelijk is en moet zijn. Het publiek is bereid er meer geld aan uit te geven.
Het probleem is dat dit rollenspel van oudsher alleen maar werkt voor mensen die toevallig man, blank en charismatisch zijn. Het veronderstelt ook liefde voor spektakel en het intuïtieve vermogen onbekommerd dubbele normen te hanteren. Als je geen man bent en niet blank of charismatisch, moet je andere manieren zoeken om de mensen in je te laten geloven. Hard werken, hoge normen en morele deugdzaamheid lijken als alternatief goed te werken, maar kunnen in de verkeerde context de verdenking wekken van bekrompenheid. Als je wel man, blank en charismatisch bent, of erin slaagt daarvoor door te gaan, dan blijft nog de vraag hoe je met dat voorrecht wenst om te gaan. Als je de condities die het gedrag van het publiek bepalen helder genoeg ziet om ze te verafschuwen, dan zul je, als je je onder die condities inlaat met het publiek, onvermijdelijk alle zelfrespect verliezen en op den duur veranderen in de zoveelste trieste cynicus
Ethiek
Zelfs als blijkt dat je met moraal niets opschiet, dan nog blijft ethiek onmisbaar bij de omgang met het publiek. Ethiek draait om de praktische kennis hoe je een goed leven moet leiden, voor jezelf en met anderen. Als je om in het publieke domein te overleven uiteindelijk het leven moet gaan leiden van een bekrompen workaholic of een charmante, cynische oplichter met een alcoholprobleem, dan kun je dat niet echt een goed leven noemen. Vanuit het perspectief van een existentiële ethiek, of desnoods een geëmancipeerd, syndicalistisch hedonisme, is de meest verreikende vraag een fundamenteel pragmatische: hoe willen we als publieke persoon in het publieke domein leven en overleven als het publiek wil hebben wat we niet kunnen bieden – spectaculaire openbaringen van waarheid en schoonheid – maar stilletjes verwacht te krijgen wat we niet bereid zijn te geven: leugens, mythen en ideologieën?
Als we, vanuit het standpunt van een geëmancipeerd hedonisme, erkennen dat we een goed leven willen leiden, in het publieke domein, als publieke persoon, dan moeten we zien te ontdekken waar het fout gaat. Misschien is een van de momenten waarop het fout begint te gaan het moment waarop we tegen onszelf beginnen te liegen over de vraag waarom we iets doen en dat ook willen. Het verlangen eerlijk tegenover jezelf te zijn is een romantische kwaal en, vanuit een pragmatisch perspectief, bron van misverstanden. Maar over eerlijkheid hoef je niet romantisch te doen. Het is zinvoller om tegenover eerlijkheid een hedonistische houding aan te nemen. De ware hedonist weet uit ervaring dat eerlijkheid het leven op den duur voor iedereen beter maakt. Eerlijkheid haalt het gif uit de menselijke relaties, het gif dat, als je het eenmaal begint te verspreiden, vroeger of later je eigen leven evenzeer zal gaan vergiftigen als dat van anderen. Intrige en roddel zijn het gif van het publieke domein. Mensen uit de kunstwereld weten dat, omdat ze er als publieke personen uitzonderlijk kwetsbaar voor zijn. Vanuit hedonistisch perspectief is er dus een simpel antwoord op intrige en roddel: als je voor jezelf en anderen een beter leven wilt, bezondig je er dan niet aan, verspreid het niet; wees hoffelijk en getuig van goede smaak.
Roddelen is het rondstrooien van leugens en halve waarheden over anderen. Maar de leugen begint al als we tegen onszelf spreken met stemmen die niet de onze zijn. Het verlangen om stemmen in je hoofd die de jouwe niet zijn te elimineren is een betreurenswaardige misvatting, want welke stemmen zou je in je hoofd anders kunnen aantreffen dan die van anderen, van mensen aan wie je bent blootgesteld, naar wie je hebt geluisterd, die je hebt gelezen en liefgehad? Het is dus maar goed dat ze daar zitten en het kunnen er niet genoeg zijn. Het uitgangspunt voor elke ideologiekritiek, of ‘emancipatie’ zo u wilt, is echter altijd geweest dat je die stemmen die je leugens vertellen en je dwingen de legitimiteit van de bestaande machtsstructuren te accepteren, moet isoleren en uitbannen. Daarmee zijn we terug bij het begin, bij de vraag: wie geeft er antwoord als we onszelf stilzwijgend, uit gewoonte of in woede en wanhoop vragen: ‘Voor wie doe ik wat ik doe? Voor wie wil ik doen wat ik wil doen?’ We moeten op onze hoede zijn voor de stem die naar legitimering vraagt. Misschien is het wel gewoon de geïnternaliseerde stem van de dominante maatschappelijke orde; een sardonische, vaderlijke stem, onverbiddelijk in zijn eis tot een rechtvaardiging die niet te geven is omdat ze er nu eenmaal niet is, en meedogenloos in zijn vaststelling van een schuld waarvan we ons niet kunnen bevrijden omdat, bij gebrek aan een aannemelijke legitimering voor wat we doen en willen, onze onschuld toch al reddeloos verloren is. Zijn we dus niet onbewust het discours van de dominante maatschappelijke orde aan het papegaaien als we zitten te piekeren wat ons legitieme publiek is?
Leugenachtige retoriek
Zelfs als blijkt dat we voor onze overleving moeten liegen tegen het publiek en tegen de vertegenwoordigers van het cultuurbeleid, om zo de steun te krijgen die we nodig hebben, dan is dat nog geen reden om ook tegen onszelf te liegen! We moeten oppassen dat we niet zelf gaan geloven in de leugens die we aan het publiek vertellen. Als de aanprijzende, in de reclame en bij subsidieaanvragen gehanteerde retoriek doorsijpelt in de kritische stukken van kunstprofessionals is dat een duidelijke aanwijzing. Als lezer voel ik me niet serieus genomen als ik het nieuwste verkooppraatje voorgeschoteld krijg. De slogan waarmee het publieke belang van de kunst werd verkocht, was nog niet zo lang geleden het praatje dat kunst ‘de culturele diversiteit helpt bevorderen’ (en niet alleen dient ter vermaak van de hoogopgeleide middenklasse). De laatste draai die eraan wordt gegeven is dat kunst ‘een vorm van kennisproductie’ is (alsof we ooit geweten hebben wat we deden en wilden). Ik vind het niet erg als mensen zulke dingen schrijven om van sponsors, overheidsinstanties of universiteitsdecanen geld los te krijgen. Maar ik erger me eraan als er kritische essays en academische publicaties worden geproduceerd in een wanhopige poging de lege huls van zulke frasen met betekenis te vullen. Tot wie richten zulke publicaties zich? Als lezer kan ik me niet voorstellen dat ik dat ben, want de taal die ze hanteren is de taal waarmee je je tot subsidiegevers of sponsors richt. Ze zouden hun schrijfruimte moeten reserveren voor beschouwingen over wat echt de moeite van het bespreken waard is.
Maar welke taal moeten we dan hanteren om openhartig te spreken? Misschien moeten we het genre van het handboek heruitvinden. Handboeken zijn altijd een goed medium geweest om een praktische ethiek te formuleren. Ze vertegenwoordigen een vorm van schrijven die is gericht op het delen van adviezen en ervaringen over de vraag hoe je gelukkig kunt worden, hoe je de politiek moet benaderen en hoe je in het publieke domein moet optreden. Van Epicurus via Machiavelli tot Crowley is er een lange traditie van handboeken over de praktische beginselen, omgangsvormen en magische trucs die van pas kunnen komen als je een vrij en gelukkig leven wilt leiden samen met degenen die je vrienden zijn. Dus in plaats van onze intellectuele energie te verspillen aan het onderbouwen van de nieuwste praatjes en ideologische kreten kunnen we die tijd en mediaruimte beter gebruiken om te schrijven over hoe we willen overleven als we besluiten ons te wijden aan kunst, educatie en denken.
Tegen het voornemen om tegen sponsors en autoriteiten te liegen en de waarheid voor je vrienden te reserveren, zou je natuurlijk kunnen inbrengen dat je dan voor eigen parochie preekt en de pretentie opgeeft dat je ook een breder publiek nog iets te zeggen hebt – en vooral diegenen in dat bredere publiek die je vrienden zouden kunnen worden (of je vijanden) als ze eenmaal hebben gelezen wat je ze te zeggen hebt. In zekere zin zijn we dan dus weer terug bij af, bij de nijpende vraag: hoe kun je weten tot welk publiek je je richt en welke modus (liegen of de waarheid spreken) daarbij de juiste is? Er doen zich natuurlijk situaties voor dat je weet dat de mensen met wie je over subsidie onderhandelt graag willen dat je liegt en ze een verkooppraatje voorschotelt waaraan ze je verzoek kunnen ophangen, zodat ze het gemakkelijker kunnen afhandelen. En natuurlijk zijn er ook situaties waarin je juist niet moet liegen, omdat de mensen met wie je praat of aan wie je schrijft zich in dezelfde positie bevinden als jijzelf. Maar er blijven nog talrijke situaties over waarin het moeilijk, zo niet onmogelijk is om de juiste strategie te bepalen, gewoon omdat je niet, althans niet met absolute zekerheid, kunt vaststellen wie je voor je hebt en in welke modus je je dus tot hen moet richten.
Anonimiteit als voorwaarde
Maar misschien brengt juist de erkenning dat we in bepaalde situaties waarin we ons tot het publiek richten niet absoluut zeker weten tegen wie we het hebben ons wel bij een van de grootste bezwaren tegen de eis dat je je publiek moet kennen en de gemeenschap of achterban moet identificeren die je geacht wordt legitiem te dienen: dit bezwaar is gegrond op het simpele besef dat, hoeveel demografisch onderzoek en marketing research er ook wordt uitgevoerd, het moderne stedelijke publiek nu eenmaal per definitie grotendeels anoniem blijft. In feite is anonimiteit zelfs een sleutelconditie voor het moderne stedelijke publiek. Als je aan de cultuur deelneemt , met andere mensen wilt omgaan en wilt zien wat ze je te zeggen of te laten zien hebben, dan is het een voorwaarde dat je aannames over mensen opschort; dat je geen moralist bent maar gewoon kunt luisteren en kijken naar wat ze je te zeggen of te laten zien hebben. Als we elkaar werkelijk kenden, zouden we niet nieuwsgierig zijn en openstaan voor anderen of nieuwe dingen of bereid zijn mensen zichzelf te laten heruitvinden en te laten zijn wat ze willen zijn in plaats van wat de maatschappelijke instituten waartoe ze behoren (zoals hun gezin of gemeenschap) zeggen dat ze moeten zijn. Natuurlijk, de anonimiteit van de moderne cultuur is ook de conditie voor isolement, vervreemding en uitsluiting, precies die dingen die we proberen te overwinnen als we cultuur creëren en eraan deelnemen. Paradoxaal genoeg is echter datgene wat we door middel van culturele communicatie uit alle macht proberen op te heffen, namelijk anonimiteit, nu juist de voorwaarde om althans te proberen iets te creëren wat het delen waard is.
De anonimiteit van het moderne sociale leven is daarom in zekere zin de voorwaarde voor zowel de onmogelijkheid als de mogelijkheid van zinvolle ontmoetingen tussen mensen in het culturele domein. Het gaat er niet om deze anonimiteit op te hemelen, maar misschien wel om de praatjesmakers, doelgroeponderzoekers en cultuurbureaucraten de pas af te snijden: we moeten laten zien dat we mogelijkheden willen creëren waaronder zinvolle ontmoetingen plaatsvinden en gemeenschappen zich vormen, maar dat we alleen maar kunnen doen wat we doen als we erkennen dat de anonimiteit van het moderne publieke domein de allereerste, onoverkomelijke voorwaarde is voor het aantrekken en inwijden van een publiek. Uiteindelijk krijgt wat we zéggen alleen zin doordat we niet weten tegen wie we het hebben, ook al wordt wat we dóen ten diepste gemotiveerd door het verlangen iemand anders, een ander iemand te leren kennen (of te zijn). Klinkt dat waarachtig? Volgens mij wel. Maar misschien zit ik wel weer tegen u te liegen, omdat ik met een positieve noot wil eindigen en de tijd die u hebt gespendeerd aan het lezen van dit pamflet wil rechtvaardigen met een opbeurende conclusie die wat we doen en willen wat meer gerechtvaardigd en verdedigbaar doet lijken. Alsof er überhaupt een rechtvaardiging zou zijn voor wat we doen en willen, buiten het feit dat we het doen en willen! Of niet soms?
Stichting Kunst en Openbare Ruimte