Redactioneel

Maakbaarheid
Hoe geef je vorm aan de samenleving in de 21ste eeuw?
Jorinde Seijdel
Deze Open reflecteert over oude en nieuwe vormen van maakbaarheidsdenken in relatie tot de stedelijke en sociale ruimte én tot het (samen)leven daarin. Is maakbaarheid als ideaal uitgehold of biedt het nieuwe, urgente perspectieven?
‘Maakbaarheid’ duidt in objectieve zin slechts op een analyse van de mogelijkheden om iets te kunnen construeren. Ten aanzien van ‘iets’ als de sociaal-politieke werkelijkheid maakte een sterk geloof in de maakbaarheid daarvan bijvoorbeeld deel uit van de negentiende- en begin twintigste-eeuwse utopieën en heilstaten. In de loop van de vorige eeuw werd maakbaarheid echter ook een specifieker, bijna op zichzelf staand begrip. Er ontstond, als onderdeel van het modernistische project en uitdrukking van een optimistisch vooruitgangsgeloof, met name in Nederland* een expliciet maakbaarheidsdiscours aangaande te realiseren samenlevingsmodellen (welvaartsstaat, verzorgingsstaat) of te stimuleren vormen van burgerschap (de geëmancipeerde burger), dat tevens gespiegeld werd door grootscheepse fysieke maakbaarheidsprojecten op het gebied van stedelijke planning (Bijlmermeer) en ruimtelijke ordening (inpoldering Zuiderzee, Deltaplan). Maakbaarheid werd geassocieerd met een sociaal-democratisch georiënteerd vertrouwen in overheidsingrijpen en met het geloof in een door de mens beheersbare natuur.
De laatste decennia werd er schijnbaar afscheid genomen van dit maakbaarheidsdenken en zijn idealen. Door cultuurcritici als John Gray werd het algemene geloof in maakbaarheid en vooruitgang aangevallen als een desastreuze terugval op de utopieën van de Verlichting, die ontaardt in een vernietiging van cultuur en natuur en voeding geeft aan totalitaire denkwijzen. Tegelijkertijd ervoer men binnen de westerse welvaartslanden het failliet van de verzorgingsstaat en veroorzaakten ontwikkelingen als privatisering, globalisering, migratie, internationaal terrorisme en klimaatsverandering voor steeds meer scepsis ten aanzien van de maakbaarheid van de wereld. In de neokapitalistische postmoderniteit of, zoals cultuurfilosoof René Boomkens het noemde, ‘de nieuwe wanorde’, leek maakbaarheid een fantasma.
De vraag is echter of het maakbaarheidsdenken echt is verdwenen of dat het wordt geütiliseerd door het neoliberale denken, dat zich bedient van de procedures en instrumenten van de markt en het bedrijfsmanagement en zich richt op het individu. Het model van de ‘creative city’, waarin creativiteit en ondernemerschap in het stedelijk weefsel worden geïmplanteerd, lijkt bij uitstek een product van deze ‘neo-maakbaarheid’. Andere ‘neo’-maakbaarheidsmodellen zijn wellicht de netwerkmaatschappij, de informatiemaatschappij, de kennissamenleving, en natuurlijk de veiligheidsstaat. Het neo-maakbaarheidsdenken lijkt immers ook te putten uit de logica van de politie en de geheime diensten: de veiligheidsstaat doemt op als het meest actuele en complexe samenlevingsideaal van dit moment, dystopisch en verontrustend als het beschouwd wordt vanuit het oude maakbaarheidsdenken, maar tegelijkertijd gebaseerd op het utopische verlangen dat vrijheid en veiligheid samen kunnen vallen – een verlangen dat ook deel uitmaakt van de neoconservatieve ideologie van de Amerikanen dat, zoals John Gray benadrukte, het huidige rechtse maakbaarheidsdenken illustreert.
En dan is er nog die andere actuele obsessie waarin het geloof in maakbaarheid speelt, namelijk ‘de burger’: volgens het Nederlandse ‘Deltaplan inburgering’, een staaltje van hedendaagse biomacht, worden legale nieuwkomers van buiten de EU tot staatsburgers getransformeerd, terwijl het programma van de Europese Commissie ‘Burgers voor Europa’ van staatsburgers Europese burgers wil maken. En al deze burgers moeten ‘actieve’ burgers zijn – illegalen en vluchtelingen uitgezonderd.
Filosoof Lieven De Cauter benadrukt in zijn boek De capsulaire samenleving de onmogelijkheid van een niet-maakbare maatschappij: “Het is niet omdat totale maakbaarheid gevaarlijk is, dat de maatschappij niet maakbaar zou zijn, zij het relatief maakbaar. Indien de maatschappij niet maakbaar zou zijn, dan zou het een natuurproces zijn, of een toevalsconstellatie, of een noodlot. Nu, geen politiek die daarmee kan worden bedreven, en geen historicus die niet kan aantonen dat de maatschappij gemaakt is, niet geschapen, en wel in een complex proces van beslissingen.” De Cauter geeft aan te geloven in de tegenwerkende kracht van een relatieve maakbaarheid en raakt daarmee aan discussies van dit moment over urbane politiek en sociale systemen, waarin theoretici en ontwerpers opnieuw de vraag stellen of maakbaarheid geen vereiste is bij het menselijke verlangen naar organisatievormen en interventies die een aangenaam samenleven garanderen. BAVO stelt in haar bijdrage aan dit nummer terecht de vraag in hoeverre relatieve maakbaarheid kan leiden tot een werkelijke repolitisering en niet blijft hangen in een consequentieloos ethisch appel. Zijn er nieuwe, emancipatoire vormen van maakbaarheidsdenken, waarin handelen (‘agency’) voorop staat, die een tactisch, politiek of activistisch antwoord zouden kunnen geven op dominante neoliberale en neoconservatieve tendensen?
*De term ‘maakbaarheid’ bestaat veelzeggend genoeg niet buiten het Nederlands taalgebied: de Engelstalige editie van dit nummer is getiteld Social Engineering.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte