Wouter Vanstiphout

Maakbaarheid van stad en stedenbouw
Ideologie als achilleshiel
Aan de hand van twee op ideologische leest geschoeide stedenbouwkundige plannen voor een nieuwe stad – een in een totalitair regime en een in een democratische omgeving – laat architectuurhistoricus Wouter Vanstiphout zien hoe de stedenbouwkundige vereenzelviging met een politiek maatschappelijk bestel zich uiteindelijk tegen zichzelf keert. Stedenbouwkundigen zouden er beter aan doen de stad niet te zien als maakbaar vanuit het niets, maar als een weerbarstige realiteit waarvoor ze instrumenten ontwikkelen, zodat ze in al haar complexiteit en gelaagdheid kan groeien.
In de kelder van de Akademie der Bildende Künste in Wenen, dezelfde school waar zowel Otto Wagner als Joost Meuwissen lesgaven – en die tot twee maal toe een jonge Adolf Hitler op basis van zijn armzalige tekentalenten wegstuurde als student – bevindt zich de Anatomie Saal. Stijve houten banken staan in een steile tribuneopstelling rond een sokkel met daarop een met bloedgoten ingekerfde witmarmeren plaat. Vroeger werden hier ten overstaan van de kunst- en architectuurstudenten lijken ontleed. Nu wordt de donkere en muffe ruimte af en toe gebruikt als collegezaal, vooral door de architectuur- en stedenbouwopleiding van de Akademie.
Het was hier dat een student, nadat mijn college was afgelopen, vroeg: “zeg je dan eigenlijk dat het helemaal geen zin heeft om architectuur te studeren, en dat we beter politici, of sociaal werkers kunnen worden?” “Nee, nee, nee, je moet juist... etc.” haastte ik me om te zeggen, ongerust dat ik mijn plicht als leraar ernstig verzaakte. Wat had de student zo uit het lood geslagen? Mijn college was de zoveelste in een reeks waarin een nieuwgebouwde stad uit de jaren vijftig en zestig werd toegelicht, hoe deze was ontworpen, wat er vervolgens mee gebeurde, en hoe men zich gedwongen ziet deze stad nu opnieuw heftig aan te pakken. De casus was dit keer Toulouse – Le Mirail, de beroemde Ville Nouvelle van Candillis Josic & Woods in Zuid Frankrijk. De vraag van de student of hij niet beter sociaal werker of politicus had kunnen worden, kwam na een aantal voorbeelden hoe krachten, die niets met architectuur te maken hebben, uiteindelijk het lot van steden als Toulouse Le Mirail bleken te bepalen.
Het ontwerp voor Toulouse Le Mirail, evenals andere voorbeelden uit het oeuvre van Candillis, Josic & Woods en van de andere architecten die tot de Team X beweging uit de jaren zestig hoorden, waren pijnlijk herkenbaar voor de studenten, ook al zagen velen van hen ze voor het eerst. De organische metaforen, de eindeloze stapelingen van rechthoekige eenheden in geometrische woekeringen, die aan het computerspel Tetris doen denken, de patio-patronen, het fantaseren over de eigen invulling door de bewoners, de zwevende voetgangersplatforms, de collages van abstracte architectuur met scènes uit films en uit lifestyle magazines, en vooral de harde kritiek op de technocratische en rigide bouwproductie, kwamen overeen met wat zijzelf, in 2008, in de atelierruimtes van de Akademie produceren, ditmaal met computers. Ze verbleekten, als iemand die ineens zichzelf herkent in het gezicht van een veel ouder persoon, toen ze zagen hoe weinig hun idealistische projecten verschilden van die van hun voorouders, waarin ze zich nauwelijks hadden verdiept. Toen ik Karl Marx nazei dat alles in de geschiedenis tweemaal gebeurt, de eerste keer als tragedie, de tweede keer als farce, werden ze er niet geruster op, zeker niet toen ik de tragedie toelichtte.
Het plan voor Toulouse Le Mirail werd destijds door de architecten voorgesteld als een radicale breuk met de technocratische stedenbouw van de jaren vijftig. Zij hadden zich laten inspireren door sociologische en psychologische studies, die aantoonden hoe zielloos het leven tussen de schijven in het groen kon zijn, in vergelijking met dat in de oude steden. De organische, responsieve, complexe schijven en megastructuren waaruit Toulouse Le Mirail is opgebouwd, moesten gezien worden als een radicale breuk met de conventies in de geïndustrialiseerde woningbouw van dat moment. Ondanks deze breuk met de grands ensembles en cités, die in dezelfde periode werden gebouwd, onderging Toulouse Le Mirail decennia later precies hetzelfde lot als al die zielloze schijven in het groen in de periferie van Franse steden: immigratie, werkloosheid, criminaliteit, vervreemding, frustratie, rellen. De onvrede kwam tot een hoogtepunt in de nazomer van 2005: Toulouse Le Mirail stond in de top vijf van de brandhaarden, opgesteld door de vergelijking van de hoeveelheid ’s ochtends aangetroffen uitgebrande autowrakken. In dat licht leken de eindeloze reeksen neo-Team X projecten, die door de studenten werden geproduceerd, inderdaad iets farce-achtigs te hebben.
Dit is geen pleidooi voor meer geschiedenisonderwijs, of een jammerklacht over de oppervlakkigheid van de studenten van tegenwoordig, integendeel. De reactie uit de anatomiezaal wijst er eerder op dat deze aanstormende architecten het succes van de architectuur afmeten aan de mate waarin zij de maatschappij daadwerkelijk beter maakt. Als dat tegenvalt, is de teleurstelling groot. Het is een symptoom dat laat zien dat architectuur nog steeds droomt van de maakbaarheid van de samenleving. Zij ziet nog steeds een direct en lineair verband tussen de vorm van de architectuur en de vorm van de maatschappij. Net als Candilis, Josic & Woods met hun organische stadsvorm een organische stedelijke maatschappij dachten te creëren, denken de studenten en architecten van nu eveneens in architectonische termen over de maatschappij, meer dan dat zij in maatschappelijke termen over hun architectuur denken. Maar dát ze nadenken over de maatschappij, en zich er met een bewonderenswaardige verbetenheid op storten, is zeker.
De reactie op het Toulouse Le Mirail verhaal laat zien dat het zeker voor jonge architecten moeilijk is om in strategische en dialectische termen over hun werk te denken. Zij zien architectuur dikwijls als een middel om de maatschappij te veranderen, maar tegelijkertijd als de fysieke uitdrukking van een reeds veranderde maatschappij. Deze ambigue opvatting over hun vak maakt hen kwetsbaar voor acute gevallen van diepe desillusie. Het is ironisch dat deze pure opvatting over architectuur als de uitdrukkingsvorm van de maatschappelijke orde die de jonge architect drijft, gedeeld wordt juist door die krachten, die de architectuur lijken te overspoelen. Juist bureaucraten en technocraten hanteren de eenheid van vorm en inhoud als een argument voor dikwijls heftige fysieke ingrepen, waar allerlei onmiddellijke maatschappelijke en economische effecten van worden verwacht voor de wijken en steden die het betreft.
Deze architectonische opvatting van de maatschappij – als een permanente verbouwing in de meest letterlijke betekenis – heeft echter de architect zélf in een dikwijls marginale, afhankelijke en puur dienende rol geplaatst. Door een historisch uitziend stadscentrum te bouwen, hoopt men de authenticiteit van de historische stad te produceren. Door het bouwen van afwisselende gevels in een nieuwe woonwijk, hoopt men langs dezelfde logica op een diverse en afwisselende wijkcultuur. Door de armoedige en monotone hoogbouwwijken af te breken, hoopt men de daar levende problemen op te lossen. De oude technocraat en de jonge idealistische architect lijken het over één principe eens te zijn: architectuur = maatschappij, maatschappij = architectuur. De eerste gelooft het in de regel niet echt, maar hanteert het als retorische strategie om op simpele wijze draagvlak voor zijn dikwijls lompe optreden te verkrijgen; de tweede gelooft het meestal wel echt, waarmee hij en zijn vak soms in een uiterst merkwaardige positie terechtkomen.
Dat het niet blijft bij de teleurstelling van de jonge architect, maar de vereenzelviging van de architectuur met een bepaald maatschappelijk ideaal tot bizarre situaties en onverwachte wendingen kan leiden, wil ik illustreren met twee voorbeelden. Het eerste in Teheran, het andere in Amsterdam.
Slechte stedenbouw is beter dan goede stedenbouw.
Op 1 januari 1979 vluchtte na maanden van gevechten en opstanden de Sjah van Iran naar Egypte. Op 1 februari keerde Ayatollah Khomeini, de geestelijk leider van de opstand, uit een decennialange ballingschap terug in Teheran en riep de bevolking op om niet naar de interim-regering van premier Bakhtiar te luisteren, maar de op 11 februari uitgeroepen islamitische regering als enige rechtmatige te aanvaarden. Het referendum van 1 april resulteerde in 98% steun voor het stichten van de Islamitische Republiek Iran, met aan het hoofd een raad van geestelijken onder leiding van Khomeini. Daarmee kwam een eind aan 38 jaar leiderschap door de Sjah Mohammed Pahlavi, aan 54 jaar regering door de dynastie van de Pahlavi’s en – volgens de Pahlavi’s – aan een meer dan 2500 jaar onafgebroken monarchie, sinds de stichting van het rijk door keizer Cyrus de Grote in 529 v.C.
Er kwam in 1979 óók een einde aan de Witte Revolutie, één van de grootste en meest alomvattende moderniseringscampagnes die ooit is gevoerd. De Sjah gebruikte zijn intense band met de Verenigde Staten en de miljarden aan oliedollars om het land in één keer de twintigste eeuw in te loodsen. Landhervormingen, kiesrecht voor vrouwen, alfabetisering, nationalisering van water en landbouwgrond en nog veel meer campagnes werden vervat in 19 punten die vanaf 1963 in een moordend tempo werden doorgevoerd. Ieder aspect van het land werd als maakbaar beschouwd, ook de snelheid waarmee het land zich ontwikkelt. Het uitbreiden en moderniseren van de hoofdstad zou de meest monumentale demonstratie van deze extreme maakbaarheidsgedachte zijn.
In een land zonder enige instituties voor masterplanning, stedenbouw, infrastructuur en architectuur, was het maken en uitvoeren van een masterplan voor Teheran een immense onderneming. Het resulteerde in een invasie van consultants, ingenieurs, architecten, planners en andere professionals, die vanuit het niets niet alleen een plan moesten maken, maar ook de organisatorische infrastructuur moesten opbouwen om het plan uit te voeren. Voor het maken van het masterplan, waarmee Teheran 25 jaar vooruit moest komen, en daarmee enkele malen in omvang vermenigvuldigd worden, vroeg men het in Los Angeles gevestigde bureau van Victor Gruen, die samenwerkte met de Iranese Architect Abdol Aziz Farman Farmaian. Gruen, een Weense Jood, uitvinder van de shopping mall en ontwerper van tientallen Amerikaanse downtowns, integreerde het oude Teheran in een hiërarchisch systeem van snelwegen, parken en groenstroken, en satellietsteden, ieder voor honderdduizenden nieuwe inwoners. Het nieuwe Teheran werd van de regionale schaal tot en met de schaal van de voordeur gedefinieerd met precieze toewijzingen en typologieën per inkomensklasse. Groene valleien, die van de Alborzbergen naar beneden liepen naar het dichterbebouwde lagere deel, werden in het plan opgenomen, daarmee lucht, groen en water door de stad geleidend. De beste van Amerikaanse en Europese architecten en landschapsontwerpers werden ingezet om nieuwe steden, landschapsparken, universiteiten, paleizen, monumenten en ziekenhuizen te bouwen. Bovendien werd een volledig uitgewerkte infrastructuur opgezet voor bestemmingsplannen en procesmanagement. Buitenlandse consultants werden ingehuurd om namens de regering bouwaanvragen te controleren en wetboeken vol te schrijven. De bouw van de stad werd aan een nauwkeurige fasering onderworpen, met contouren die iedere vijf jaar werden uitgebreid, zodat de stad zich gelijkmatig naar buiten toe zou uitbreiden. De planningshorizon was 1991, het jaar waarin het nieuwe Teheran zijn maximale uitgestrektheid zou bereiken.
Toen Ayatollah Khomeini na decennia ballingschap landde op het vliegveld van Teheran zal hij de stad niet meer herkend hebben; het raamwerk van snelwegen, de beheerste groei en vooral de enorme en hypermoderne mondaine hoogbouwwijk Ekbatan vlakbij het vliegveld, met glinsterende zwembaden tussen de flats, zullen hem verbijsterd hebben. Het bleef echter niet bij verbazing; alles wat door de Sjah en de gehate Amerikanen was gesticht en achtergelaten, werd beschouwd als walgelijk en slecht en moest dan ook uit de herinnering weggevaagd worden. Soms gebeurde dat fysiek, zoals met de mausolea van de voorouders van de Sjah, soms gebeurde het symbolisch, door monumenten te hernoemen, of de modernistische gebouwen te bedekken met muurschilderingen van de Ayatollah en later van martelaren in de oorlog met Irak. Maar wat te doen met een hele stad, en haar bijbehorend masterplan, die in haar geheel als een monument voor de gehate afgezette heerser gezien kon worden?
Eerst deed de islamitische regering het voorspelbare: zij liet een nieuw masterplan ontwerpen dat wel beantwoordde aan de ideeën van de islamitische revolutie. Dit plan werd echter nooit aangenomen, ten eerste omdat er geen stedenbouwkundige ideeën waren die men als des revoluties kon beschouwen; ten tweede omdat er geen middelen waren om het plan uit te voeren. Door de oorlog met Irak moest men bezuinigen; gemeentelijke departementen moesten zichzelf bedruipen, en bovendien was één van de beloftes van het nieuwe regime dat iedere Iraniër zijn eigen huis moest kunnen bouwen.
Dat leidde tot een concept dat in zijn cynisme briljant te noemen is, of in ieder geval postmodern, vooral in de combinatie van neoliberalisme en religieus fundamentalisme. Het plan Gruen, met zijn tot in de details uitgewerkte regels, en zijn precieze beheersing van open ruimte, bebouwingsdichtheid, functiescheiding, groen, infrastructuur en landschap, werd om ideologische redenen diep en diep gehaat. Toch, of juist daaróm, besloot men het plan overeind te houden. Men begon echter met het plan in de hand het recht op het overschrijden van de maximale bebouwingsdichtheden, het niet gehoorzamen aan het bestemmingsplan, het bouwen in als park aangewezen gebieden, te verkopen aan de aanvrager. De hele infrastructuur van regels, ontwerpen, controlerende instanties, draaide op volle toeren, maar dan als een gigantische supermarkt van vrijstellingen. Om de toestroom van aanvragers met diepe zakken nog te versterken, stelde men de contour direct op de eindstand van 1991. De enorme bevolkingsgroei van Teheran deed de rest. Het masterplan speelde een cruciale en onmisbare rol, in het binnen enkele decennia creëren van één van de meest chaotische, dichtbebouwde, ongezonde, maar tegelijkertijd fascinerende en spectaculaire steden ter wereld. Het lijkt in zijn spectaculaire ligging aan de voet van bergen, met de permanente deken van smog die er overheen hangt op Los Angeles, maar dan zonder de zee, zonder palmbomen en met miljoenen auto’s die permanent stilstaan in één van de eerste chronische verkeersinfarcten ter wereld. Van de miljarden, die het kannibaliseren van het masterplan opleverden, werden onder andere de honderdduizenden gemeenteambtenaren betaald. Ook betaalden ze hiervan immense prestigeprojecten als de Navab Street doorbraak en het nog steeds niet voltooide Imam Khomeini Airport.1
Als men met het masterplan op schoot over Teheran vliegt kan men, als een archeoloog, de lijnen en vlekken van het plan Gruen nog ontwaren in de eindeloze huizenmassa. Hier en daar breekt bovendien een modernistisch monument door de chaos; als een verlaten antieke tempel in de jungle. Deze stad heeft in enkele jaren voor elkaar gekregen waar middeleeuwse steden honderden jaren over hebben gedaan: het absorberen in de ongeplande chaos van het oorspronkelijke grid. Voor de ayatollahs van de Islamitische Revolutie was een gehaat en slecht plan als dat van Gruen veel nuttiger en beter voor hun doelstellingen dan een zogenaamd ‘goed’ plan, dat ze hadden moeten uitvoeren en waarvoor ze hadden moeten betalen. Doordat het plan de contravorm wilde bieden voor een maatschappij, die het omgekeerde was van die waar de Ayatollahs in geloofden, konden zij het inzetten om niet alleen één van de grootste stedelijke groeistuipen te veroorzaken die de twintigste eeuw heeft gekend, maar er ook nog eens heel erg veel geld aan verdienen. De mate waarin het plan hieraan bijdroeg gaat gelijk op met de mate waarin de makers juist het omgekeerde nastreefden.
De beste stedenbouw is helemaal geen stedenbouw
Teheran na de Islamitische Revolutie lijkt veel te extreem om voor ons in West Europa leerzaam te zijn; toch is het mechanisme erachter herkenbaar in stedelijke projecten ook in onze nauwelijks nog groeiende democratieën. De overeenkomst zit in het in negatieve zin gebruik maken van de ideologische bevlogenheid, die achter het project van de voorgaande generatie ligt, en in het soms hardhandig aan de kant schuiven van de hele discipline stedenbouw in het kader van het realiseren van het meest recente type maakbaarheid.
Een interessant voorbeeld hiervan vinden we in de Bijlmermeer. Deze satellietstad van Amsterdam werd in de jaren zestig gebouwd vanuit een voor Nederland zeldzame ideologische urgentie. De dienst Stadsontwikkeling wilde laten zien dat zij, na de grachtengordel van de zeventiende eeuw, Berlage’s Plan Zuid van de eerste jaren na de eeuwwisseling en het Algemeen Uitbreidingsplan van Van Eesteren uit de jaren dertig, ook nu weer in staat was tot het zetten van een reuzenstap voorwaarts. Daarbij kwam het optreden van een zeer principiële wethouder, geheten Joop den Uyl, die vond dat het plan als een principieel en dus compromisloos statement over het nieuwe collectieve wonen moest worden uitgevoerd, dus geen mengvormen van hoog en laagbouw. De Bijlmermeer is dus gebouwd als een ideologisch statement over hoe er gewoond zou moeten worden. Voor iedereen zouden er ongekende hoeveelheden vierkante meters woonoppervlak, groen, collectieve voorzieningen, bereikbaarheid met auto en openbaar vervoer beschikbaar zijn. Men zou samen kunnen leven in grote dichtheden, en een nieuwe collectiviteit stichten in de gemeenschappelijke ruimten en routes waar men elkaar zou tegenkomen. Het plan voor de Bijlmer was beïnvloed door enerzijds Oost-Duitse en Russische stedenbouwhandboeken, anderzijds door Toulouse Le Mirail, en uiteraard door de grote oerbron: La Ville Radieuse van Le Corbusier.
Onder andere door de vertraagde afbraak van de Nieuwmarkt buurt en daarmee de vertraagde instroom van Amsterdammers, door de bouw van Almere, door de onafhankelijkheid van Suriname en door immigratie in het algemeen, werd de Bijlmer in plaats van een hypermoderne wijk voor Amsterdamse witte middenklasse gezinnen, de ‘eerste Nederlandse Derde Wereldstad’. Ze werd in plaats van een eenduidig gebouwd statement over het moderne wonen, een fascinerend amalgaam van Caribische en Afrikaanse groepen, met harde kernen van witte Bijlmerbelievers, die op allerlei manieren, die de planners nooit hadden voorzien, de Bijlmer gebruikten.
Toen de Bijlmer zich al meerdere generaties lang op deze manier ontwikkelde, vonden de planners dat het ‘experiment’ mislukt was en dat het tijd werd om haar af te breken. Inderdaad, net toen de Bijlmer iets begon te worden. De vele woningbouwcorporaties die de Bijlmerflats bezaten waren sinds het einde van de jaren tachtig geprivatiseerd en begonnen te fuseren totdat feitelijk één woningcorporatie de hele Bijlmer bezat. Zij nam de afbraak van de Bijlmerflats en hun vervanging door eengezinswoningen en marktconforme appartementsgebouwen stevig ter hand.2
Waar de oorspronkelijke Dienst Stadsontwikkeling onder leiding van de hoofdontwerper Siegfried Nassuth, en gesteund door wethouder Den Uyl, het ontwerp van de Bijlmer volledig wist te beheersen, en zelfs in de uitvoering heel ver kon gaan in het vasthouden aan het concept, waren er twee andere niveaus waarover zij veel minder controle had. Ten eerste bleken de groepen Amsterdamse middenklasse gezinnen – vanwege de hierboven opgesomde redenen – niet in voldoende mate op de woningen af te komen, en kwamen er heel andere mensen voor in de plaats. Ten tweede had de Dienst Stadsontwikkeling weinig invloed op andere diensten, zoals Volkshuisvesting, Verkeer en Vervoer, Economische Zaken, waardoor veel elementen tussen de kieren van het plan vielen en in het geheel niet of totaal anders werden uitgevoerd, zoals de collectieve ruimten en de parkeergebouwen.3
Heel anders ging het eraan toe met de woningcorporaties dertig jaar later. Door hun fusies en door het feit dat zij met het idee van sloop de gemeente voor een voldongen feit stelden, waar deze zich weliswaar snel achter schaarde, was er sprake van een veel grotere controle over alle aspecten van de immense operatie om de Bijlmer weg te vagen ten gunste van een eigentijdsere stadswijk. Ook hadden de corporaties juist wél controle over de in- en uitstroom van bewoners. Sterker nog, dat was niet slechts een voorwaarde voor het slagen van de operatie, dat was het doel van de operatie. Daarbij komt dat woningcorporaties steeds meer eigenlijke taken van de volkshuisvesting op zich nemen. Zij bouwen scholen, doen mee met het ontwikkelen van buurtwinkelcentra, krijgen steeds meer invloed op inrichting en gebruik van openbare ruimte, doen mee met werkgelegenheidstrajecten, werken samen met moskeeën en kerken, bóuwen zelfs moskeeën en kerken, investeren een vermogen in voorlichting, identiteitscampagnes en branding projecten, onder de noemer van reputatiemanagement. Dit alles wordt de integrale opgave genoemd, waarbij men op zelfbewuste wijze stelt dat de herstructurering in de eerste plaats een sociaal-economische opgave is, met de ‘fysieke poot’ slechts als een middel. Daarbij wordt met een uitgebreid arsenaal aan middelen gewerkt aan een harmonieuze, sociaal-economisch rendabele, etnisch gevarieerde maar niet overdreven diverse wijk, met veel nadruk op sociale cohesie, participatie, integratie en emancipatie. Zelden is het instrumentarium voor het realiseren van een maakbare samenleving zo uitgebreid geweest en is het op zo’n vanzelfsprekende wijze aangewend. ‘We touch your life in every way’ is de angstaanjagende slogan van het ontwikkelingsbedrijf van de Indiase hoofdstad Delhi; het zou beter passen bij de woningcorporaties, die de herstructureringen in de naoorlogse wijken van de grote Nederlandse steden uitvoeren.
De Bijlmervernieuwing was ten eerste en ten laatste een ingreep in de bevolkingsstructuur van de Bijlmer, waarbij de fysieke ingrepen slechts een middel waren. Door het slopen van de flats, waar zich de concentraties van Ghanezen, Sierra Leoners, Surinamers, Vietnamezen et cetera ophielden, waarbij illegaal en legaal volledig door elkaar liepen, waar veel criminaliteit was en weinig werk, kon op lokaal niveau razendsnel een nieuwe sociaal-economische realiteit worden gerealiseerd. Door het vervolgens toewijzen van de nieuwe woningen aan die Bijlmerbewoners die wel de huur betaalden en aan allerlei voorwaarden voldeden, en door de rest van de woningen op een gesofisticeerde wijze in de onder hoge druk staande Amsterdamse woningmarkt te zetten, kon men met vrij grote precisie een gemeenschap construeren, die radicaal anders was dan die men aantrof, maar die er genoeg elementen van overhield om zich te laten begrijpen als een vernieuwde en verbeterde versie van de oude Bijlmer. Dit is maakbaarheid op een grote schaal, integraal uitgevoerd en volgens de criteria, die men zichzelf heeft gesteld, uiterst succesvol. Bovendien is het een vorm van maakbaarheid, die verder doordringt in de persoonlijke levenssfeer van de bewoners, en in de demografische opbouw van de maatschappij, dan ten tijde van Nassuth en Den Uyl mogelijk was.
Stedenbouw speelde in deze massieve en ideologisch zwaar aangezette ingreep een belangrijke rol, door haar afwezigheid. In de eerste fase van de vernieuwing verbond men de deelplannen nog met elkaar door een grotendeels metaforisch masterplan van Ashok Bhalotra, die de alleen nog als simulacrum acceptabele multietniciteit van de Bijlmer verbeeldde met zijn straat voor 1000- culturen.4 Uiteindelijk verdween dit planningsperspectief uit de vernieuwing, zelfs uit de beeldvorming. De woningcorporaties en de dienst stadsontwikkeling verklaarden masterplannen van een grote schaal tot relicten uit een vervlogen tijd, toen men nog dacht dat de maatschappij maakbaar was. Er werd gesteld dat we nu in een tijd leven van individualisering, en de stad zich dus organisch moet kunnen ontwikkelen. De organische groei van de Bijlmer werd het stedenbouwkundige statement, dat het statement van de satellietstad van de toekomst moest doen vergeten; of dat juist als beeld zijn kracht ontleende aan het retorische contrast met de eenheid van vorm van de oude Bijlmer.5
Zodoende wordt de Bijlmermeer nu volgebouwd zonder masterplan, als een collage van bij ontwikkelaars en corporaties uitgezette deelplannen, met als gevolg een generieke structuur van laagbouwwijkjes, treurige lanen met bakstenen appartementsgebouwen, winkelcentra, en aan de overkant van het spoor een ’s avonds en in het weekend verlaten kantorenpark. Juist in de afwezigheid van stedenbouwkundige bedoeling, in het automatisme van de stedelijke groei, in de banaliteit en entropie van het resultaat, is de organische groei van de Bijlmer te herkennen. Het gaat zelfs zo ver dat één van de projectleiders van de Bijlmervernieuwing, Willem Kwekkeboom, in een essay over de vernieuwing, smakelijk vertelt over hoe men een architect gebouwen liet ontwerpen, die de schaalovergang tussen de nieuwe laagbouw en de oude hoogbouw moest maken, maar dat men uiteindelijk toch besloot om de hoogbouw af te breken, met als gevolg een onvoorspelbaar en onbegrijpelijk ensemble, van middelhoge flatjes tussen twee laagbouwontwikkelingen, dat volgens Kwekkeboom juist laat zien hoe afwisselend en avontuurlijk de organische groei van een stad kan zijn. Het disfunctioneren van de meest elementaire stedenbouwkundige controle wordt als een bewijs voor de bij-de-tijdsheid van het project gezien.6
De ingrijpende en fijnmazige maakbaarheid, die men in de sociaal-economische structuur van de Bijlmermeer hanteert, heeft als ruimtelijke contravorm gekregen wat juist het tegenovergestelde moet uitdrukken: organische groei en bottom up transformatie. De afwezigheid van de stedenbouw camoufleert de bovenmatige aanwezigheid van de corporaties in de ontwikkeling van deze wijk; het gebrek aan ruimtelijke controle is het rookgordijn voor de overmaat aan sociaal-economische controle. De intelligentie zit in het feit dat men zich al vroeg realiseerde dat de stedenbouwkundige discipline niet in staat is om een overtuigend beeld van organische groei te geven, zelfs niet Ashok Bhalotra, maar dat het uitschakelen van de stedenbouwkundige controle en het bewust toelaten van generieke, chaotische processen wel tot het gewenste resultaat leiden.
Achilleshiel
De voorbeelden uit Teheran, de Bijlmermeer en ook Toulouse hebben gemeen dat de diepe vereenzelviging van een stedenbouwkundig project met een bepaald maatschappelijk ideaal of bestel, uiteindelijk tegen de gerealiseerde projecten zelf is gaan werken. In Teheran is dat op de meest perverse wijze gebeurd, door de politieke onaanraakbaarheid van het plan te gebruiken om het zichzelf te laten kannibaliseren en de stad met de hoogst mogelijke snelheid uit te laten wonen. Met de Bijlmer en ook Toulouse Le Mirail is het echter op een veel geraffineerdere wijze gebeurd. Daar werd met een beroep op de historisch-culturele betekenis van het oorspronkelijke project een architectonische zondebok voor sociaal-economische problemen gevonden, en daarbij direct een politieke spin gegeven aan een radicale ingreep in de wijken zelf, in plaats van het te laten zien als machtsovername door de corporaties zelf, een imaginaire bevrijding van een karikatuur van de planning uit de jaren zestig. In alle drie de gevallen bleek de grootste kracht van deze projecten, hun ideologische energie, hun achilleshiel te zijn. Maar in alle drie gevallen was ook de stad zélf het echte slachtoffer in deze immolatie van stedenbouwkundige utopieën.
In het geval van Teheran kunnen we alleen maar gissen naar hoe het plan Gruen zich uiteindelijk had gedragen, als het decennia lang stap voor stap was geabsorbeerd door het Iranese stedelijke leven, dat in een afwisselende lappendeken van dicht en open, groen en stedelijk, parkachtig en commercieel zich op allerlei manieren had kunnen manifesteren. Maar in Toulouse Le Mirail en de Bijlmermeer was het evident dat het zogenaamde mislukken van het oorspronkelijke concept – doordat er heel andere mensen kwamen wonen dan waarvoor het was bebouwd, die het complex dan ook op een heel andere manier gebruikten – juist had geleid tot iets dat vele malen gelaagder, complexer, organischer en flexibeler was, dan wat de planners ooit hadden durven dromen en ook dan wat de herstructureerders nu zeggen te willen creëren. Juist dit wordt nu hardhandig gesloopt.
Het probleem van de nieuwe maakbaarheid, die we aantreffen in de Europese en met name de Nederlandse stadsvernieuwings- en herstructureringsgebieden, is dat deze zo onuitgesproken en eufemistisch is, maar tegelijkertijd zo krachtig, paternalistisch en onvermijdelijk. Doordat deze nieuwe maakbaarheid zich niet meer laat uitdrukken in eenduidige en herkenbare stedenbouwkundige modellen, is het moeilijk geworden haar te bekritiseren. In deze vergaande postmoderne fase van het stedelijk project, waarin maakbaarheid zich hult in een mantel van onmaakbaarheid, en de afwezigheid van het stedenbouwkundige plan de rol van het stedenbouwkundige plan heeft overgenomen, en private ondernemingen steeds meer publieke rollen op zich nemen, verdwijnt de realiteit van de hedendaagse stad steeds verder naar de achtergrond.
Als we vanuit het zeer beperkte perspectief van de architectuur en stedenbouw redeneren, is het van groot belang dat deze vakken zich niet langer laten gebruiken als symbolen, modellen of iconen van een bepaald maatschappelijk bestel of een ideologie. In de meeste gevallen zal zich dit immers niet alleen na een aantal generaties tegen de projecten zelf keren. Maar het betekent vooral dat architecten het vormgeven van nieuwe iconen voor het een of ander idee of politiek ideaal (‘Creative City’, ‘Prachtwijk”, ‘Organische stad’, ‘Sustainability’), verwarren met het daadwerkelijk realiseren van een maatschappelijk effect. Als we maakbaarheid definiëren als ‘realiseerbaarheid’, dan kunnen architecten hun inventiviteit en vasthoudendheid en idealisme inzetten voor het ontwikkelen van instrumenten, die vanuit een hele specifieke professionaliteit bepaalde problemen kunnen oplossen en nieuwe mogelijkheden demonstreren, die niemand anders had kunnen bedenken. Dat zou ook betekenen dat zij de maatschappij niet zien als maakbaar, in de zin van ‘construeerbaar’, maar accepteren dat het een weerbarstige realiteit is, veel complexer dan een maakbaar iets ooit zou kunnen zijn. De rol van architecten zou kunnen zijn deze onmaakbare palimpsest te voorzien van nieuwe onderdelen, impulsen, lijnen en plekken, en deze daarmee nog complexer, beter en rijker maken.
Maar we moeten ook weerstand bieden aan de neiging om direct weer een optimistisch nieuw vergezicht te willen formuleren. Misschien is de verwarring, die zo makkelijk in het hoofd van architectuurstudenten ontstaat, wel het best haalbare voor de huidige ontwerpwereld in zijn geheel. Een openlijk beleden identiteitscrisis, veroorzaakt door drie of vier decennia van steeds snellere cycli van maatschappelijke omarming en afstoting, zou dan misschien eindelijk kunnen leiden tot een heroverweging van wat de architectuur en stedenbouw zélf wil met de maatschappij. Met dit artikel hoop ik daar een kleine bijdrage aan te hebben geleverd.
1. Zie: Ali Madanipour, Tehran, The Making of a Metropolis (Chichester: John Wiley & Sons, 1998); Soheila Shahshahani, ‘Tehran: Paradox City’, in: IIAS Newsletter #31, juli 2003, p.15; Wouter Vanstiphout, ‘Teherans “Lost Civilization”’, in: Stadtbauwelt (2005), 36, 2005, pp. 76-81.
2. ‘De Nieuwe Bijlmermeer’, Archis (1997), nr. 3, pp. 8-84.
3. Wouter Bolte & Johan Meijer, Van Berlage tot Bijlmer, Architektuur en stedelijke politiek (Nijmegen: Socialistische Uitgeverij Nijmegen, 1981, pp. 192-391.
4. Marieke van Giersbergen, ‘Afscheid van een utopie, interview met Ashok Bhalotra’, Archis (1997), nr. 3, pp. 43-45.
5. Anne Luijten, ‘Een modern sprookje, de Bijlmer in verandering’, in: Dorine van Hoogstraten & Allard Jolles (red.), Amsterdam ZO, Centrumgebied Zuidoost en stedelijke vernieuwing Bijlmermeer 1992 – 2010 (Bussum: Uitgeverij Thoth, 2002), pp. 7-25.
6. Willem Kwekkeboom, ‘De vernieuwing van de Bijlmermeer 1992 – 2002, Ruimelijk en sociaal’, in: Dorine van Hoogstraten & Allard Jolles (red.), op. cit., pp. 7-25
Stichting Kunst en Openbare Ruimte