Marc Schuilenburg

Een korte inleiding bij Agambens ‘Voorbij de mensenrechten’
In discussies over maakbaarheid, en dan specifiek wanneer het gaat over beheersbaarheid en biopolitiek, wordt altijd veelvuldig verwezen naar het denken van filosoof Giorgio Agamben. Open liet voor dit nummer zijn sleuteltekst uit 1993 Beyond Human Rights vertalen en inleiden door filosoof-jurist Marc Schuilenburg. Volgens Schuilenburg leidt de figuur van 'homo sacer' die Agamben in deze en in andere geschriften opvoert tot veel misverstanden. Tevens gaat hij in op het verschil van Agamben's gedachten over biopolitiek en die van Foucault.
In 1993 publiceert Giorgio Agamben (1942), Italiaans politiek filosoof aan de Universiteit van Verona, een tekst over de status van de vluchteling, ‘Voorbij de mensenrechten’, waarin hij de vluchtelingenproblematiek verbindt met de mensenrechten. In het eerste artikel van de Verklaring van de Rechten van de Mens is de beroemde leus opgenomen van de Franse revolutie (liberté, égalité, fraternité): “Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.” Maar hoewel het artikel spreekt van ‘mensen’, kunnen de mensenrechten volgens Agamben niet overweg met ‘het menselijke’, het puur in-leven-zijn, als zodanig. In het geval van de vluchteling wordt zijn politiek-juridische status opgevat als een tijdelijke toestand, zo schrijft hij in ‘Voorbij de mensenrechten’. Aangekomen in een ander land wordt hij, na een positief oordeel van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, onderworpen aan allerlei beheersingstechnieken (inburgeringsexamen, handen schudden, taaltest, etc.) die tot doel hebben van hem een ‘volwaardige burger’ te maken. Exit vluchteling, welkom burger.
De omgang met vluchtelingen toont voor Agamben hoe de moderne politiek werkt. Volgens Agamben, die hierbij sterk is beïnvloed door Michel Foucault, staat het leven in het teken van een biopolitiek, die hij in zijn boek Homo sacer definieert als ‘de opneming van het natuurlijke leven in de mechanismen en berekeningen van de staatsmacht en de politiek’.1 De macht over het leven wordt daarin niet uitgeoefend door een soevereine vorst, statistieken worden als input gebruikt voor het optreden van de overheid. Voor Agamben vangt deze biopolitiek niet aan tegen het midden van de achttiende eeuw, zoals Foucault in De wil tot weten (1976) schrijft, ze is minstens zo oud als de westerse politieke geschiedenis. Al in de Griekse tijd werd een onderscheid gemaakt tussen ‘het menselijke’, dat het eenvoudige of natuurlijke leven (zoè) werd genoemd, en een ‘gekwalificeerd leven’ waaronder de specifieke levensvorm of levenswijze van een individu of groep werd verstaan (bios). Biopolitiek vertrekt ook niet vanuit een optimalisering van de condities van het leven om, zoals Foucault stelt, het ‘lichaam als soort’ onder beheer te stellen via allerlei maatregelen op het gebied van de volksgezondheid, voedingsgewoonten, huisvesting, immigratie, maar, zo schrijft Agamben, vanuit “het leven dat in de ban is gedaan”, om daarmee “de grens aan te geven die verbindt en scheidt wat binnen en wat buiten is”.2 Ten slotte blijft Agambens opvatting van biopolitiek sterk gericht op een algemeen juridisch vertoog (dat zich met diens notie van ‘uitzonderingstoestand’ bovendien grotendeels afspeelt op het rechtsstatelijke niveau van de natiestaat). Foucault daarentegen breekt met een juridische opvatting van macht en laat biopolitiek kruisen met disciplinerende machtswerkingen die actualiseren in lokale praktijken in een “bepaald tijdperk, in een bepaald land, als reactie op bepaalde behoeften”.3
De positie van de vluchteling komt volgens Agamben overeen met de homo sacer, een figuur uit het oude Romeinse recht die door iedereen gedood mocht worden zonder dat daarmee een moord (in de juridische betekenis) werd gepleegd. De dubbelzinnigheid die in deze definitie ligt besloten ziet Agamben terug in de status van vluchteling. Hoewel hij of zij een levend wezen is, beschikt de vluchteling over veel minder rechten dan de burgers van natiestaten. De principiële gelijkheid van alle mensen als sprekende wezens wordt hiermee ongedaan gemaakt. De mensenrechten zijn volgens Agamben niet in staat het verschil te overbruggen tussen beide ‘levensvormen’. Volgens Agamben, en hij volgt hierin Hannah Arendt, valt de uitdrukking ‘geboorte’ in het eerste artikel van de rechten van de mens samen met het staatsburgerschap. De consequentie van deze analyse is dat er geen plaats meer is voor het louter in-leven-zijn, het meest elementaire kenmerk van ieder levend wezen. Het leven wordt consequent ingevoegd in abstracte grootheden die ‘natiestaat’ of ‘maatschappij’ of ‘wet’ of ‘burger’ (en zoverder) worden genoemd. Vanuit dat perspectief blijken de mensenrechten ook niet werkelijk universeel te zijn, maar feitelijk het bezit van staatsburgers.
Dit betekent niet dat de vluchteling búiten de maatschappij staat. Hij is als element opgenomen bínnen de maatschappij (zoals de outlaw altijd ‘in-the-law’ is). Het koppel ‘binnen-buiten’ (in- en uitsluiting) kan niet worden gereduceerd tot een binaire tegenstelling. Beide vormen maken mensen onderdeel van een homogeen en unificerend geheel dat zelf niets verklaart, maar steeds opnieuw gedefinieerd wordt.
Agamben noemt dit de “insluitende uitsluiting” van het naakte leven binnen de sociale levensvorm (bios). In termen van de Franse filosoof Alain Badiou: het ‘mens-zijn’ is hier verworden tot een intensionele verzameling die gekenmerkt wordt door het unificerende en herleidbare principe van burgerschap. Daarmee ontnemen de mensenrechten ons het zicht op die individuen en groepen die niet door diezelfde rechten worden gerepresenteerd, oftewel mensen van wie de wettelijke status niet volledig is geregeld. Al in de Romeinse tijd kon de homo sacer namelijk in geen geval in de stad van de burgers wonen. Hij werd verdreven (zoals nu de illegale vluchteling) naar de marges of ‘zwarte gaten’ van de maatschappij die ver uit het oog lagen van de gemiddelde stadsbewoner. Vandaag de dag verschijnt de vluchteling dan ook als een margizen wiens leven zich kwalitatief onderscheidt van de burger (citizen) en een tijdelijk ingezetene (denizen).4 Hij is een persoon die geen toegang heeft tot de collectieve goederen en diensten van onze samenleving (veiligheid, verzekeringen, werk, etc.).5
De figuur van homo sacer leidt tot veel misverstanden. Is niet iedereen een homo sacer: criminelen, homo’s, krakers, zwakzinnigen, feministen, werklozen, bedelaars, daklozen, verslaafden, kunstenaars? Zelfs Amerikaanse neorepublikeinen, zo vertrouwde Slavoj Žižek zijn publiek ooit toe, beroepen zich tot groot ongenoegen van Agamben op het feit dat ze een leven leiden dat steeds verder wordt gemarginaliseerd. Hoewel Agamben schrijft dat er “vandaag de dag geen duidelijke figuur van de homo sacer meer bestaat”, noemt hij in zijn nog onvoltooide reeks van werken gewijd aan de figuur van de homo sacer enkele concrete voorbeelden van wat hij verstaat onder een naakt leven. Naast de vluchteling spreekt hij over de kwestie euthanasie en het lot van comapatiënten. En in State of Exception gaat hij in op de positie van de gevangen Taliban in Guantánamo Bay.6 Met krachtige bewoordingen stelt hij de juridische positie van de Joden in de concentratiekampen op één lijn met die van de ‘detainees’ van Guantánamo die vast worden gehouden zonder vorm van proces en zonder aanklacht. De gevangenen hebben de status van ‘vijandelijke strijders’, een categorie die niet voorkomt in het internationale recht waardoor ze niet vallen onder de Geneefse Conventie over de bescherming en behandeling van krijgsgevangen.
Wat nu? In ‘Voorbij de mensenrechten’ valt de term “een komende politieke gemeenschap”, een notie die Agamben al voorzichtig aan de orde stelde in zijn artikel over de studentenopstand in 1989 op het Tiananmen-plein in Peking.7 Hoe deze gemeenschap eruitziet, blijft erg duister. Wel is duidelijk dat Agamben in de nog te verschijnen delen van de Homo sacer-cyclus er een onderzoeksveld van wil maken, een potentialiteit die de heersende orde en samenhang doorbreekt en een verbinding legt met andere elementen, ‘voorbij’ het punt waarop van ieder levend wezen een gecontroleerd en beheersbaar voorwerp is gemaakt.
1. Giorgio Agamben, Homo sacer. De soevereine macht en het naakte leven (Amsterdam: Boom/Parrèsia, 2002), p. 9, 129.
2. Ibidem, p. 142.
3. Michel Foucault, Ervaring en waarheid (Nijmegen: Te Elfder Ure, 1985), p. 85.
4. Een denizen is een persoon die een nauwe band onderhoudt met een land zonder er staatsburger van te zijn. Niet alleen woont hij er, hij spreekt ook de taal, heeft daar kinderen gekregen, bezit een baan of gaat er naar school. Tot in de negentiende eeuw werd de term gebruikt voor een vreemdeling die door de koning door zogenaamde ‘octrooibrieven’ de status kreeg toegewezen van onderdaan. Bij langer legaal verblijf kregen deze personen steeds meer rechten en werden zo semi-citizens of denizens. Uiteindelijk genieten denizens minder rechten als staatsburgers maar beschikken ze wel over meer rechten dan vreemdelingen.
5. Marc Schuilenburg, Citizenship Revisited: Denizens and Margizens, in: Peace Review. A Journal of Social Justice, 20, 3, 2008, forthcoming
6. Giorgio Agamben, State of Exception (Chicago: The University of Chicago Press, 2005), pp. 3-4.
7. Giorgip Agamben, The Coming Community (Minneapolis: The University of Minnesota Press, 2003), pp. 85-87.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte