Charles Esche

Fundament 1989
Ik ben opgegroeid in Engeland, een land binnen een grotere staat, het Verenigd Koninkrijk, die nog geen mensenleven geleden een wereldrijk was. De grandeur daarvan, in de jaren zeventig weliswaar tanend maar nog wel voelbaar, maakte deel uit van het beeld dat ik had van wie ik was en wie ik kon zijn. Tegelijkertijd was ik me wel zodanig van mijn klasse en etniciteit bewust dat ik besefte dat ik er niet op moest rekenen dat deze staat waartoe ik behoorde op zijn beurt om mij zou geven. Er waren economische en maatschappelijke krachten die elk beroep op loyaliteit uitsloten en ondermijnden. Kortom, ik wist dat het Verenigd Koninkrijk mijn hele leven lang nooit ‘aan mijn kant’ zou staan; een wetenschap die zich heeft vastgezet in mijn houding, stem en gebaren. In het beste geval zouden onze belangen tijdelijk kunnen samenvallen – een licht wederzijds misbruik.
Toen ik een baan kreeg in Zweden ontdekte ik tot mijn blijde verrassing een maatschappij waar de mensen geloofden dat de staat aan hun kant stond. Jaren van sociaal-democratie hadden veel mensen ervan overtuigd, hen zelfs bewezen, dat de staat en hun identiteit grotendeels samenvielen. Persoonlijke transparantie leidde tot een succesvolle samenleving, zo leek het, een samenleving die tevreden was met zichzelf.
Deze overtuiging liep mede door de rellen in Gothenburg in 2002 een deuk op. De Zweden waren oprecht geschokt toen ze zagen hoe gewelddadig hun politie optrad tegen de demonstraties van de antiglobalisten tegen de bijeenkomst van de EU-leiders. Als buitenlander had ik echter al eerder een zekere onrust gevoeld. De Zweedse sociaal-democratie vertoonde een mate van bemoeizucht die ik in Engeland nooit had ondervonden. Deze bemoeizucht had een diepgaande invloed op de persoonlijke moraal, de stedenbouwkunde en de fysieke beweging, en vereiste een bepaalde mate van homogeen gedrag over een breed spectrum. Ook had ik de indruk dat dit systeem van stilzwijgende sociale controle voor mij, een buitenstaander, veel zichtbaarder was dan voor degenen die erin waren opgevoed. Er bestond een zekere hang naar een moederstaat, de gedachte dat de staat voor het leven moest zorgen in plaats van het alleen maar mogelijk te maken. Op mijn momenten van diepste wanhoop leek mijn lichamelijke ervaring hierdoor gereduceerd tot het leven in de moederschoot, met warme, van dubbel glas voorziene woningen en kraakheldere linoleumvloeren die klinisch tegen de muur omhoog welven.
In 2004 verhuisde ik naar Nederland, waarvan ik de reputatie en de problemen kende. Natuurlijk vond ik een ander lichaam in een ander bestaan dan in Zweden, maar het sociaal-democratische klimaat was tot op zekere hoogte vertrouwd. Wat me het eerste opviel was het voortleven van wat ik als typisch ‘jaren zestig’ beschouwde. De kreet ‘gewoon doen waar je zin in hebt’ leek nog steeds in zwang. Vergaderen deed je om mensen te zeggen wat je dacht, niet om verbonden te smeden, instemming werd eerder gegeven dan gevraagd. Ook kwam ik voor de eerste keer puur ‘autonome kunst’ tegen, en een passie voor authenticiteit die me herinnerde aan de hippies op zoek naar zichzelf in het hooggebergte van Afghanistan.
Toch werd, net als in Zweden, mijn aanvankelijke enthousiaste nieuwsgierigheid onvermijdelijk getemperd door het besef dat het jaren zestig model toch ook niet alles was. De politieke gevolgen van het sociaal-democratische falen waren al voor mijn komst duidelijk zichtbaar, maar er leek maatschappelijk – lichamelijk – buitenproportioneel op te worden gereageerd. Misschien kreeg men plotseling het idee dat een gebrek aan zelfbewuste identiteit niet een kracht, maar een zwakte was en werd dat overgecompenseerd. Voor een buitenstaander is dit moeilijk te begrijpen, denk ik.
Eén ding vond ik echter opvallend anders. Als de jaren zestig nog steeds de maatstaf waren, leek dat een miskenning van de gebeurtenissen van 1989 – de politieke en daaropvolgende maatschappelijke veranderingen in Europa, Zuid-Afrika en China. Wat voor mij een verandering van overweldigende draagwijdte was, misschien omdat ik in bepaalde opzichten tussen twee ideologieën ben opgegroeid, leek hier te worden geïnterpreteerd als een ‘ver-van-mijn-bed-show’.
Het project Be(com)ing Dutch, waar we twee jaar geleden aan begonnen, was in veel van zijn facetten een observatie en studie van deze ene vraag: is er in 1989 ook hier, net als ‘daar, in het voormalige oosten’, een nieuw tijdperk begonnen en zo ja, wat zijn daarvan twintig jaar later de gevolgen? De discussies en kunstopdrachten die we initiëren zijn er zeker op gericht deze vraag te internationaliseren, door kunstenaars te vragen ons naar onszelf te laten kijken zoals anderen ons zien, toch blijft de vraag ook dicht bij zijn specifieke context in dit land. Als ik na één maand naar de expositie kijk, zie ik kunstenaars die in vrijwel alle gevallen proberen vat te krijgen op de kwestie van de Nederlandse identiteit, maar dan wel vanuit hun eigen positie en integriteit. Dit betekent vaak dat ze heel letterlijk naar het onderwerp kijken en hun werk een zweem van etnologie meegeven, waarmee ze het cruciale inzicht van Jacques Rancière bevestigen dat “het werkelijke moet worden gefictionaliseerd om te kunnen worden gedacht”.1 Als dit waar is, dan geeft het de kunst een rol. Persoonlijke en maatschappelijke identiteit blijven altijd ‘in wording’, maar het werkterrein waarbinnen ze ‘worden’, wordt deels door deze ficties afgebakend.
De behoefte om door uitvergroting van de details datgene zichtbaar te maken wat in het leven van alledag voor vanzelfsprekend wordt aangenomen of genegeerd was de belangrijkste leidraad voor de expositie Be(com)ing Dutch. Doel is deels te fictionaliseren om te kunnen denken, maar ook het detail te gebruiken als een hiëroglief voor de bredere stand van zaken – een aanpak die volgens mij niet zo goed te begrijpen is vanuit het perspectief van vóór 1989. In de jaren zestig hadden gebaren nog enigszins de grandeur van ideologische zekerheid, exotisme was spannend, verschil (tot op zekere hoogte) aantrekkelijk. Dat denkkader schiet tekort als het wordt gehanteerd om Be(com)ing Dutch te interpreteren.
Als we op tweederde van dit omvangrijke project de balans opmaken, zijn Rancières ficties van het werkelijke, en dan op kleine schaal, misschien een van de weinige opties die ons vandaag de dag nog resten. Ze bieden ons de mogelijkheid de wereld van na 1989 bewust onder ogen te zien zonder onze toevlucht te hoeven nemen tot grote programma’s en nieuwe utopieën. De meest waardevolle kunstenaars van vandaag ziet men vaak moeizaam hun weg banen door de vele overgebleven ficties van dat maatschappelijk funderende moment in de jaren zestig, om erachter te komen hoe lang de weg is die we hebben afgelegd, en in welke richting. Hoewel alle geschiedenis onvermijdelijk geconstrueerd is, moet onze collectieve historische constructie toch in grote lijnen kloppen met observaties uit de betreffende tijd zelf. Als daartussen een te grote kloof ontstaat, zijn frustratie en vervreemding het gevolg. Be(com)ing Dutch, dat dus moet worden gezien als een onderdeel van een potentieel breder proces dat verdergaat dan artistieke expressie, probeert die frustratie te temperen door in te zoomen op de details en close-ups van onze verbeelde verledens, hedens en toekomsten. Zo’n focus is niet erg heroïsch, en waarschijnlijk gaat de expositie daarom in tegen veel artistieke verwachtingen in Nederland.2 In dit opzicht blijft het project Be(com)ing Dutch eerder een bescheiden voorstel voor een specifieke heroriëntatie op hoe het er hier momenteel met de kunst voorstaat dan een groots ‘verhaal’. De volgende stap, het configureren van nieuwe zelf-bewuste ficties voor onze huidige situatie – lijkt nog ver weg. Het is ongetwijfeld een grote collectieve taak, maar de verbrokkelde Nederlandse (kunst)scene is niet van plan vandaag met zo’n project te starten. Ikzelf blijf er echter van overtuigd dat het in de toekomst een cruciaal thema zal blijken en dat dit project daar een weloverwogen bijdrage aan zal hebben geleverd.
1. Jacques Rancière, Politics and Aesthetics (Londen/New York: Continuum Press, 2004).
2. In dit verband is het interessant het overweldigende succes te vermelden dat exposities van belangrijke kunstenaars uit de jaren zestig de laatste jaren in Nederland ten deel is gevallen, en de populariteit van politici als Pim Fortuyn, Geert Wilders en Rita Verdonk, die het bijna doen voorkomen alsof een terugkeer naar die jaren nog altijd mogelijk is.
Meer informatie over het tweejarige project is te vinden op www.becomingdutch.com
Stichting Kunst en Openbare Ruimte