Arjen Oosterman

Nieuwe vormen van betrokkenheid
Vijf bijdragen over architectuur en stadspolitiek
De redactie van Open vroeg aan vijf jonge ontwerp- en onderzoeksbureaus een bijdrage te maken waarin zij hun missie uiteenzetten ten aanzien van het huidige maakbaarheidsdenken in relatie tot de stedelijke ruimte. BAVO, Partizan Publik, ZUS, Flexmens en Dennis Kaspori/ Jeanne van Heeswijk geven ieder op geheel eigen wijze invulling aan deze opdracht. Arjen Oosterman, architectuurhistoricus en hoofdredacteur van Volume, schreef hierbij een inleiding.
Wie de teksten in deze speciale bijdrage doorneemt stuit op niet minder dan een queeste. Niet alleen is de ‘geest van ‘68’ (en eerder) wederom vaardig over de auteurs, soms als inspiratie, soms als ijkpunt, ook wordt er actief gezocht naar een actuele vertaling van die bevlogen maatschappelijke betrokkenheid – die schijnbaar belangeloze strijd voor vrijheid pur sang – die vanuit het heden beschouwd moeilijk op juiste wijze getaxeerd kan worden naar de culturele en politieke kaders waarin de aanstormende generatie zich destijds bevond.1
Van simplisme is bij de vijf acterende partijen echter geen sprake. Ze lijken zich elk terdege bewust van het verschil tussen inspiratie en navolging. Laten we ons dus niet verliezen in bespiegelingen over Constants homo ludens, Debords spektakelmaatschappij of Le Corbusiers sanitaire burger, het gaat hier immers over de maakbare samenleving, niet over de kracht van de utopie. Laten we ons ook niet verliezen in een pathologie van de hedendaagse consumptiecultuur. Het debat over de rol van architectuur verengt momenteel al te snel tot het zich afzetten tegen een doorgeslagen commercialisme in combinatie met een overgewaardeerd individualisme. Grapte Dada niet al ooit ‘Jedermann sein eigener Fussball’?
‘Bespreekbaar maken’, kent u die uitdrukking? Iets bespreekbaar maken. Typisch een uitdrukking voor een volk van open gordijnen, een volk dat overleeft en vooruitgaat door onderlinge verschillen en tegenstellingen uit te praten, in overleg op te lossen, naar ‘werkbare verhoudingen’ te streven, het conflict te mijden, inderdaad de consensus te zoeken. Onder meer door alles wat maar even onder de oppervlakte dreigt te blijven genadeloos en zonder gêne aan het daglicht bloot te stellen. De kaarten op tafel, net als de handen, het speelveld egaliseren, de potentiële ongelijkheid en hiërarchie neutraliseren, we hebben toch allemaal de beste bedoelingen?
Dat ‘bespreekbaar maken’ heeft een bijzondere betekenis gekregen in dit land sinds het begin van het derde millennium. Opeens bleken er allerlei zaken helemaal niet besproken en min of meer collectief onder de pet gehouden te zijn. En vanaf het moment dat dit publiekelijk duidelijk werd, opende zich een ware doos van Pandora. Plotseling bleken de als min of meer vaststaand ervaren regels van het spel niet meer geldig. De zaken werden niet alleen ‘bespreekbaar’ gemaakt, wat toch een vorm van dialoog veronderstelt en dus respect voor ‘de ander’, maar letterlijk alles wat iemand dwars zat kon en kan en moest ook opeens ongeclausuleerd wereldkundig gemaakt worden. Vrijheid verengt tot recht.
‘Bespreekbaar maken’ is niet alleen een sociaal-culturele kwestie, tijd en plaatsgebonden, maar ook uitdrukking van de organisatie, de interne logica van een samenleving. Het is niet eens geforceerd hier een ‘ontwerp’ in te willen zien. Niet in de zin van een of andere geheime overheidsdienst, die op subtiele wijze de bevolking naar zijn hand zet. Wel als uitdrukking van een onderliggende structuur. Wie die eenmaal op het spoor is, kan er mee spelen natuurlijk, dat weer wel. En overhoop halen blijkbaar.
Ook in de architectuur moest er veel bespreekbaar gemaakt worden, bleken er tal van taboes en anathema’s aanwezig. En ook daar blijkt de bevrijding relatief. Het was geestig en to the point toen Sjoerd Soeters begin jaren tachtig pleitte voor onbeschaamd genieten door de Amerikaanse architect-ontwikkelaar John Portman ten voorbeeld te stellen met zijn ‘If you like ice cream, why not have three scoops?’ Het was nuttig dat de gebroeders Krier de betrekkelijkheid van de moderne aanpak aan de kaak stelden en de rijkdom van ‘in het verleden behaalde resultaten’ in het vak naar voren haalden. Of die ook meteen tot onwankelbare waarheid gebombardeerd moesten worden is een andere kwestie, zoals het nadrukkelijk door Soeters omarmde populisme hoogstens een optie kan zijn. Hier is van belang dat deze en andere onderzoekingen, experimenten en pamfletten een verbluffend effect en invloed hebben gehad. Juist in de tijd van de postmoderne relativering, van de fundamentele betrekkelijkheid van waarden, beweringen en standpunten, juist in die tijd blijkt de maatschappij een fors aantal graden te kunnen kantelen. Jo Coenens ‘de geschiedenis als vriend’ blijkt in de handen van het koningskoppel Rob Krier–Christoph Kohl een formule op te leveren die in verbluffend tempo over ons land wordt uitgerold. Kortom: maakbaarheid in de zin van beïnvloeding tot op fysiek niveau is allerminst een gepasseerd station.
Toch is dat niet het maakbaarheidsbegrip dat meestal ter sprake komt in de kritiek. Dan gaat het vooral over social engineering, over overheidsingrijpen waarbij burgers of complete bevolkingsgroepen worden gemodelleerd naar een van overheidswege gestelde norm of praktijk. Edward C. Scott heeft er een nog altijd behartigenswaardige analyse van gegeven in zijn Seeing Like a State.2 In een democratie kan dat idealiter niet voorkomen, maar de praktijk wijst anders uit. En daar komt een deel van de ambitie van BAVO, Flexmens, Partizan Publik, ZUS en Kaspori/Van Heeswijk vandaan.
Als alles politiek is, van waar we wonen en welk werk we doen tot welk soort aardappelen we consumeren, of eigenlijk het feit dat we aardappelen kopen en niet in onze achtertuin verbouwen, of daaraan voorbij, dat we een achtertuin hebben en dus een potentieel economisch intensiever gebruik van die grond blokkeren en sociaal gezien ons ruimtelijk afscheiden (onderscheiden?), wat goed is of juist slecht is, als alles politiek is, dan valt er veel te kiezen. Dat weten architecten als geen ander: ontwerpen is kiezen (en reduceren). Toch valt het blijkbaar tegen met de keuzevrijheid en mogelijkheden werkelijk te ‘maken’. Zoals BAVO en Flexmens hier en elders demonstreren moet er voortdurend bevrijd, verhelderd, doorgeprikt en tegen het licht gehouden worden om ruimte te creëren voor … verbetering. BAVO gaat daarin het verst. Met nietsontziende radicaliteit binden ze ook veronderstelde bentgenoten de bel aan van Misvatting, Tekortkoming en Mislukking. Zoals in de hier gepubliceerde tekst. Het gevaar loert binnen de eigen gelederen. Dat ze in de scherpte van hun analyses soms wat doorslaan en in elke van overheidswege aangeplante boom een potentiële schuilplaats voor een politieagent ontwaren zij ze vergeven, de bijdrage aan denken en debat over de stedelijke conditie vanuit een politiek-filosofische invalshoek is er niet minder om.
Partizan Publik en ZUS staan wat anders in de praktijk. Ook zij zijn zich sterk bewust van de politieke dimensies van het ruimtelijk handelen. ZUS pleit expliciet voor een repolitisering van de stadsontwikkeling, al lijkt zich dat eerder op het niveau van sturing dan van ideologie af te spelen. Laat de overheid weer wat duidelijker aangeven wat de kaders en keuzen zijn, om zo tot intelligentere en zinvollere ontwikkeling van onze ruimtelijke orde te kunnen komen. Uiteindelijk ligt er een grote zorg over de conditie en ontwikkeling van ons openbaar domein ten grondslag aan de gevraagde en ongevraagde projecten die zij voorstellen.
Ook Partizan Publik is sterk doordrongen van het verband tussen politiek en ruimte. En net als ZUS kiezen ze ervoor via directe actie en interventie aan de kwaliteit van die openbare ruimte te werken. Door bewust te maken, door zichtbaar te maken, door bij te dragen aan transformatie en versterking. Omdat Partizan Publik geen ontwerpers binnen eigen gelederen heeft, leidt dat (tot dusverre) niet tot ontwerpen en gaat het primair over spatial politics. Maar wat ZUS en Partizan Publik gemeen hebben is dat via de actie gewerkt wordt aan die ‘publieke zaak’. In binnen en buitenland, want zoals de projectenlijst van Partizan Publik laat zien wordt er even gemakkelijk in voormalig Oost-Europa, het Midden-Oosten of de VS gewerkt als in Nederland. Gemeenschappelijk in die projecten is een sterke interesse in ‘postconflict’ condities, omdat daarin potentieel zoveel mogelijkheden open liggen en tegelijkertijd zo ontzettend veel misgaat.
Het duo Kaspori/Van Heeswijk bezet misschien wel de meest klassieke positie in het maakbaarheidsdebat, door van onderop, of bottom up zoals dat nu moet heten, bewoners de mogelijkheid tot ruimtelijk handelen te bieden. Zoals Aldo van Eyck de architect beschreef als iemand die behulpzaam is bij het tot stand brengen van onderdak en ruimte, zo zijn Dennis Kaspori en Jeanne van Heeswijk behulpzaam bij het tot stand brengen van vooral buurtvoorzieningen. Er gaat een opvatting achter schuil over het activeren van bewonersgroepen door ze op hun creatieve vermogens aan te spreken en het vertrouwen dat dit op individueel en groepsniveau tot een plezieriger samenleving leidt. Betrokkenheid maakt (mede)verantwoordelijk en creëert trots.
Wat alle vijf de partijen demonstreren is dat de handen weer jeuken om aan de slag te gaan vanuit engagement. Engagement, kent u dat begrip nog? Is dat niet verschrikkelijk old school, welhaast verdacht? Nee, het mag weer; of liever gezegd, er wordt door een groeiende groep die zich betrokkenen weet of betrokken voelt bij de ruimtelijke ontwikkeling weer ruimte voor opgeëist. Maken dat doe je.
1. Zoals het van een ergerlijk gebrek aan contextueel inzicht getuigt om de Bijlmer als megalomane maakbaarheidsmislukking af te doen en de huidige sloop/nieuwbouw als het finale bewijs daarvan, zo is het even kortzichtig om de antiautoritaire oprispingen van destijds simpelweg als inspiratie te nemen voor een omgang met de door angst ingegeven rechtzinnigheid van dit moment.
2. Scott toont in zijn alweer meer dan tien jaar oude studie over social engineering aan dat de poging grootschalige vraagstukken grootschalig aan te pakken tot mislukken is gedoemd. In het bijzonder de monocultuur moet het ontgelden in zijn onderzoek naar landbouw, bosbouw, en stedenbouwkundige experimenten. James C. Scott, Seeing Like a State. How Certain Schemes to Improve the Human Condition Have Failed (New Haven/Londen: Yale University Press, 1998).
Stichting Kunst en Openbare Ruimte