Verslag symposium de introductie van het onverwachte
Verslag van het symposium over Kunst en Ruimtelijke Ordening op 30 juni 2005 in het NAi in Rotterdam
Mail uw reactie op het verslag naar forum@skor.nl
Welke bijdrage kan de beeldende kunst leveren aan de vaak complexe processen van de ruimtelijke ordening in Nederland? Wat betekent dit voor de opdrachtgever en de gebruiker, welke positie neemt de kunstenaar daarbij in? En hoe kijken andere disciplines hier tegenaan en tot welke resultaten heeft dit totnogtoe geleid? Deze vragen stonden centraal in het symposium ‘De introductie van het onverwachte’ dat op 30 juni 2005 plaatsvond in het auditorium van het Nederlands Architectuurinstituut (NAi). Het symposium was een initiatief van SKOR en het Ruimtelijk Planbureau en werd georganiseerd in samenwerking met het NAi.
Het programma bestond uit de presentatie van drie projecten die zich hebben beziggehouden met de actuele problematiek van het landelijk gebied: de film De Uitbreiding van Polder Mastenbroek van Sjaak Langenberg en Theo van den Aker – de film werd voorafgaand aan de discussie vertoond; Case Study Krabbeplas van Esther Didden en Nieuwe Marke in de Rijssenervallei, een samenwerkingsproject van Jeroen van Westen, Peter de Ruyter en Jan Winsemius.
De discussies, waaraan behalve de kunstenaars ook de betrokken opdrachtgevers en het publiek deelnamen, vonden plaats onder leiding van moderator Pieter den Boeft en de middag werd afgesloten met een rondetafelgesprek met Jeroen Boomgaard, (lector Kunst en de Publieke Ruimte van de Gerrit Rietveld Academie en UvA), Gijs van Oenen (rechtsfilosoof, docent Erasmus Universiteit Rotterdam), Kees de Ruiter (Hoofd Directie Platteland, Ministerie van LNV), Wouter Veldhuis (architect, MUST) en Willem Giezeman (adviseur bewonersparticipatie, Urban Support) en Han Lörzing (sectordirecteur Afdeling Verkenningen & Ontwerp, Ruimtelijk Planbureau).
Gespreksleider Pieter den Boeft wendt zich eerst tot het bomvolle auditorium met de vraag welke beroepen zich daar bevinden. Bij zijn vraag ‘wie is er kunstenaar’ gaan bijna alle vingers de lucht in. Verder bevindt zich een handjevol opdrachtgevers, ruimtelijke ordenaars, enkele grafisch ontwerpers, beleidsmedewerkers, een filosofe en een melkveehouder in de zaal.
Den Boeft introduceert vervolgens de initiatiefnemers van het symposium: Govert Grosfeld (senior-adviseur van SKOR) en Han Lörzing (sectordirecteur Afdeling Verkenningen & Ontwerp, Ruimtelijk Planbureau), “het nationale kennisbureau voor alles wat met ruimte te maken heeft�, volgens Den Boeft, en vraagt naar het waarom van dit initiatief.
Voor SKOR is het belangrijk, zo stelt Govert Grosfeld, “dat de drie projecten die vanmiddag worden gepresenteerd gaan over ruimte en ruimtelijke ordening en dat het voorbeelden zijn van een werkwijze waarbij vooral wordt ingegaan op het proces waarmee ruimte geordend wordt. Ze richten zich dus niet op een eindproduct, maar grijpen in in het proces waarin opdrachtgevers, vormgevers, bewoners of gebruikers hun rol spelen.�
Op de vraag van Den Boeft wat dan de specifieke rol van de kunstenaar is, stelt Grosfeld: “beeldend kunstenaars zijn heel vrij in die interactie van partijen, ze hebben geen eindverantwoordelijkheid, niet als opdrachtgever, niet als vormgever en ook niet als gebruiker van de ruimte. Ze kunnen een vrije rol spelen en dat is wat wij bij SKOR willen laten gebeuren, die vrijheid die op al die terreinen op een aanstekelijke manier kan werken en tot verrassingen kan leiden.�
“De reden waarom deze drie projecten zijn gekozen,� zo gaat hij verder, “is dat ze zich alle afspelen in landelijk gebied, een gebied dat momenteel aan enorme veranderingen onderhevig is. Het is dus een actueel ruimtelijk onderwerp en bovendien gaat het om projecten die in zoverre bijzonder zijn dat de processen iets merkwaardigs ondergaan, ze krijgen iets ongebruikelijks. Bij alle drie is het zo dat afgeweken wordt van de geijkte patronen, het instrument zelf van de ruimtelijke ordening krijgt aandacht, daar wordt iets aan veranderd.�
SKOR wil tevens meer bekendheid geven aan een aantal projecten die buiten de directe betrokkenen nog weinig bekend zullen zijn, en discussie uitlokken over de betrokkenheid van kunst en een kunstorganisatie bij het proces van ruimtelijke ordening.
Voor Han Lörzing van het Ruimtelijk Planbureau is het onderwerp interessant omdat het gaat over de manieren waarop planvorming verandert, een van de terreinen waar het bureau zich mee bezig houdt. “Kreten als ontwikkelingsplanologie�, zo stelt Lörzing, “die tegenwoordig opgeld doen hebben een heleboel vormen en één vorm zou kunnen zijn als bewoners of gebruikers van een bepaald gebied – of het nou landelijk of stedelijk is – al of niet in corporatieverband, met eigen suggesties komen en wellicht ook een eigen vorm van invloed op het grondgebruik.� Ruimtelijke ordening van onderop dus. Ook Lörzing is geïnteresseerd in projecten die niet aansluiten bij de gangbare praktijk en vindt het juist leuk dat twee van de drie projecten niet in puur landelijk gebied zitten, maar in het grensvlak, een soort botsingsveld tussen stad en platteland, een veld waarin, zoals Grosfeld al aangaf, veel gebeurt.
Case Study Krabbeplas
Het eerste project is Case Study Krabbeplas, volgens Den Boeft een uitermate saai gebied en daarom nieuwsgierigheid opwekkend. Het wordt gepresenteerd door kunstenaar Esther Didden. Ging het bij de film De Uitbreiding van Polder Mastenbroek vooral om het gevecht om ruimte, een gevecht tussen stad en platteland, bij Case Study Krabbeplas gaat het om een onderzoek naar nieuwe mogelijkheden van een recreatiegebied dat in de jaren ’70 is aangelegd en dat inmiddels zijn functie grotendeels heeft verloren.
Didden stelt eerst het gebied voor en gaat dan in op de geschiedenis van het project dat al loopt sinds 2002 toen de gemeente Vlaardingen contact zocht met SKOR over een intern programma, ‘Markeer de stad’, waarbij men de kunst in wilde schakelen om uit te zoeken hoe aandacht besteed kon worden aan de omliggende gebieden. Maar in gesprek met SKOR was de vraag juist, zo zegt Didden, of je kunst wel moest inzetten in dit soort gebieden. Didden: “We hebben toen besloten dat tot onderzoeksvraag te maken, een onderzoek dat een antwoord probeert te vinden op de vraag of kunst een bijdrage kan leveren aan een nieuw programma door het landschap vanuit cultureel en zelfs artistiek opzicht te benoemen.�
Het onderzoek is in 2002 begonnen met filosofische expedities. Aan acht landschapsarchitecten, wetenschappers en kunstenaars is gevraagd door het gebied te trekken en een persoonlijke visie op te tekenen. In de bevindingen werd vooral de overregulering, de ordentelijkheid en de gevaarloosheid geconstateerd. Didden citeert Mohammed Benzakour die in een brief aan de Burgemeester van Vlaardingen het gebied aldus karakteriseerde: “Toch was er iets wat aan mij bleef knagen. Iets had mij gestoord, en wat dat precies was besefte ik pas veel later, ergens in de Marokkaanse woestijn, liggend in mijn slaapzak, suizebollend van de muntthee en nobele gevoelens. Toen pas besefte ik dat men in de Krabbeplas bij praktisch alles bepaald heeft wát er mag groeien en wélke dieren er mogen leven; de Krabbeplas is een geheel naar mensenverstand ingericht stukje groen, en in die zin geenszins een natuurlandschap, doch veeleer een cultuurlandschap.�
Saai dus.
Uit de workshops die begin 2003 volgend op de expedities plaatsvonden, kwamen voorstellen om het landschap tijdelijk aan te bieden aan groepen die het gebied opnieuw in gebruik kunnen nemen. Het idee was om kavels, voor kortere of langere tijd, uit te geven aan tijdelijke gebruikers.
Culturele uitgifte van grond dus. Hoe pak je dat aan? Didden: “Er is een raamwerk geformuleerd en twee vragen waren daarin belangrijk. Hoe ontwikkel je plannen en activiteiten om mensen te interesseren om mee te doen en hoe zorg je er dan voor dat mensen naar die plannen en activiteiten komen kijken. En om welke kavels gaat het. Kavels hebben een omgevingscontext. Die aan de Westwijk liggen kun je anders typeren of clusteren dan die in de Zuidbuurt, wat een lange weg is tussen Vlaardingen en Maassluis en waar vooral biologische boerderijen liggen. Dus afhankelijk van de typering worden kunstenaars of curatoren uitgenodigd occupatiestrategieën te ontwikkelen en vervolgens te testen. Voor dit eerste jaar hebben we Buro MA.AN en Martine Herman, allebei uit Rotterdam, uitgenodigd om die occupatiestrategie te ontwikkelen. In 2006 en 2007 willen we weer andere mensen uitnodigen. Die occupatiestrategie biedt weer voldoende vrijheid om persoonlijke visies op los te laten. Buro MA.AN hebben we gekozen omdat zij zich in hun werk bezighouden met regel- en wetgeving, Martine Herman is juist iemand die heel goed in staat is mensen in beweging te krijgen en hen zelf activiteiten te laten ontplooien. Zij zitten nu volop in de ideeënontwikkeling en in gesprekken met bijv. recreatieschap Midden Delfland, wat kan en wat kan niet, de beroemde overregulering.�
De vraag is nu hoe dit soort processen zich verhouden tot het ambtelijk circuit .
Sandór Góra, namens de opdrachtgever gemeente Vlaardingen, stelt dat er drie gunstige condities waren: 1. gunstig getij, een soortgelijk project De Strip van Jeanne van Heeswijk was net succesvol afgesloten; 2. het was financieel te overzien, de gemeente Vlaardingen participeert samen met SKOR en het Recreatieschap Midden Delfland, dus heel weinig financieel risico; 3. de kwaliteit van Esther.
Op de vraag wat hij verwacht van de projecten die in september gaan lopen, antwoordt Góra: “het is een drietrapsraket. De gemeente verwacht dat er goede dingen voor de burgers gebeuren, Midden Delfland verwacht dat het gebied aantrekkelijker wordt gemaakt en voor SKOR is het eindresultaat van het onderzoekstraject interessant.�
Toch blijft het bijzonder dat zo’n samenwerking met de gemeente mogelijk is. Is de gemeente Vlaardingen ontkokerd? Góra: “nee, wat ik wel bij de gemeente merk is dat de dienst stadswerk cultuurminded is. Het kost geen moeite om daar kunst te brengen, men denkt er zelf ook heel graag aan.�
Een vraag uit het publiek: Ligt er ruimtelijke visie ten grondslag aan het plan?
Didden: “Wat ik wel weet is dat er een enorme beheersconstructie onder het hele gebied ligt en dat zal ook de inzet worden van het eerste project waarin kavels worden uitgegeven in september. Sommige kavels zijn nog eigendom van andere partijen en ook de golfbanen moeten we met rust laten, maar verder hebben we de vrije hand.�
Nieuwe Marke en de Rijssenervallei
Bij het project Nieuwe Marke en de Rijssenervallei gaat het om een gefragmenteerd gebied dat een nieuwe samenhang moet krijgen. Geert Tuinstra van Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van LNV is de opdrachtgever en schetst hoe een ontwerpopdracht onderweg veranderde in iets heel anders: “Het plan was om samen met kunstenaars en landschapsarchitecten gebiedsplannen te ontwerpen voor het stroomgebied van de rivier de Regge, die dwars door Overijssel loopt en die helemaal gekanaliseerd is. Een van de ideeën die daaruit is voortgekomen, en dat was een verrassing, was ‘De Nieuwe Marke’, het oprichten van een organisatie voor planologie van onderaf. Omdat we van die hele Regge natuur willen maken en ook was gebleken dat mensen vanuit het gebied zelf zoeken naar nieuwe functies en zelf eigendom en beheer willen doen, hebben we ism SKOR en KCO (Kunst en Cultuur Overijssel) een aantal commissies gevraagd en die hebben gezegd dat ze dit verder willen gaan uitwerken. En dat was de aanleiding om De Nieuwe Marke als opdracht te verstrekken.�
Jeroen van Westen is als beeldend kunstenaar betrokken bij het project. Hij schetst de fragmentatie en de versnippering van het prachtige rivierdal waarvoor hij oorspronkelijk, samen met landschapsarchitect Peter de Ruyter en beeldend kunstenaar Joost van Hezewijk, was gevraagd om een nieuwe beek te ontwerpen, om nieuwe en bestaande natuur aan elkaar te koppelen. Het in kaart brengen van die fragmentatie leidde tot de conclusie dat het ontwerpen van een beek nog geen oplossing was.
Van Westen: “We zijn er opnieuw over gaan nadenken en hebben ons afgevraagd: zou je niet mensen tot een soort samenwerkingsverband kunnen krijgen waarbij zij de ontwikkeling van het landschap gaan bepalen als een eenheid. Maar dan moet je je wel voorstellen: wat voor landschap. Dat is het moment dat ik het over wil geven, want dit was het idee zoals het geboren werd binnen de discussie van die drie mensen die er aanvankelijk aan begonnen, Joost, Peter en ik. En vanuit de kunst hebben we dat aangezwengeld, het is opgepakt door KCO, SKOR en het Overstigt, een belangrijke kunsthistorische organisatie.�
Ook Peter de Ruyter, landschapsarchitect bij Bureau Alle Hosper, legt de nadruk op de fragmentatie van het landschap van de Rijssenervallei, dat wordt bedreigd door lelijke bedrijfsterreinen en dat ook qua beplanting en boerenstand is versnipperd. Als je de leesbaarheid van het landschap wilt vergroten, zo stelt hij, moet er radicaal iets veranderen, niet alleen ruimtelijk, maar ook organisatorisch. Een ruimtelijke visie is daarbij belangrijk, zonder de eindbeelden vast te leggen.
“We hebben gezegd dat we het oorspronkelijke kampenlandschap langs de Holterberg dat van oudsher kleinschalig is willen intensiveren. Dat betekent het toevoegen van een aantal kavels, daarmee introduceer je ook een economische drager voor de ontwikkeling van het landschap. Daarnaast zou je het oorspronkelijke lagere veengedeelte, dat relatief nat is, zo open mogelijk moeten maken, wel met een aantal lanen erin die een recreatieve relatie leggen tussen de Holterberg en het Reggesysteem, maar met een open middengedeelte. Op de rand van het kampenlandschap en het open middengebied willen we een waterleiding leggen die het water zo lang mogelijk kan vasthouden door de
waterleiding evenwijdig aan de hoofdlijnen te leggen, ipv loodrecht op de hoofdlijnen zodat je het water zo snel mogelijk kwijt bent. En dat levert een nieuw beeld op van de toekomst van het landschap van de Rijssenervallei, waarbij we hebben gezegd van: het is interessant om na te denken over het koppelen van rechten en plichten, dus de nieuwe gebruikers van het landschap zouden niet alleen rechten kunnen krijgen, maar ook plichten, en dat zou je willen verbeelden in een nieuw organisatiebeeld.
“De eindbeelden zien er zo uit: waar de boeren verdwijnen, verschijnen tegenwoordig de paarden in het Nederlandse landschap en onze insteek is om die grootschaligheid in het landschap terug te brengen, de contrasten te vergroten zodat de leesbaarheid kan worden opgeschroefd en daarnaast een aantal collectieve schuren te introduceren en die schuren zouden ook een onderdeel kunnen zijn van organisatie ‘De Nieuwe Marke’.�
Jan Winsemius van Bureau Middelkoop is als jurist betrokken bij het project en onderzoekt het juridisch instrumentarium.
“En het waarom daarvan�, zo voegt hij daaraan toe. “Iedereen is wel zo’n beetje overtuigd van de waarde van dit soort landschappen en de reactie daarop is dan te zeggen dat er niks meer mag. En iedereen die een tuin heeft weet dat die tuin niet in stand blijft door er niks aan te doen. Je ziet het bijv. in het Groene Hart, een gebied waar formeel niks mag en het gevolg is dat alles wat er gebeurt informeel is. Er worden caravans neergezet, er ontstaat allemaal rommel. Tegelijk is het lastig, zoals we met woningbouwlocaties doen, om die dingen actief te ontwikkelen, want de gebieden zijn groot en er gebeurt relatief weinig, dus als je die grond moet kopen is je geld al drie keer op. Dus je kunt er niks doen, dus je zou initiatieven van onderaf moeten stimuleren.
“Wij hebben geen regel in Nederland die zegt je mag hier een huis neerzetten als je een boom plant. Daar zou het land een stuk van opklaren. Je mag geen kwalitatieve randvoorwarden stellen bij die bebouwing. Dat zagen we ook bij de Mastenbroek polder, je mag er een huis neerzetten, maar als je zegt er moet een brug komen dan gebeurt er niks.
Het leuke van de Marke is hoe het vroeger ging, het was een club waar rechten en verplichtingen werden uitgewisseld, je mocht iets als je iets deed. Ontzettend modern. We hadden het idee om zo ook het plan vorm te geven. Dus aan de ene kant van het gebied mag je een huis bouwen, als je aan de andere kant van het gebied het landschap inricht. De vraag is alleen hoe moet je dat nou binnen de regelgeving organiseren, omdat de overheid niks op mag leggen, maar je mag natuurlijk wel jezelf wat opleggen. De gedachte van de Marke is dat vanuit de gebruikers van het gebied zelf een club wordt opgericht die zich bereid verklaart verplichtingen om het gebied in te richten op zich te nemen als ze bepaalde rechten krijgen. Op het moment dat die verplichtingen en rechten zijn dichtgetimmerd door de club, op zo’n manier dat de gemeente voldoende garantie heeft dat het geen troep wordt, dan kan het bestemmingsplan worden opgeheven en wordt het gebied zelfregulerend.�
De Uitbreiding van Polder Mastenbroek
Dit project onderscheidt zich van de twee andere doordat het een tastbaar product heeft opgeleverd: een film. Waarom?
Sjaak Langenberg: “voordat ik erbij betrokken raakte was er al een heel traject geweest. Er lag een structuurvisie, er waren heel veel partijen bij betrokken. Wij werden een aantal dagen rondgeleid door de polder. Twee dingen vielen op: ondanks de positieve insteek bleef iedereen vanuit zijn eigen visie, positie nadenken, ook in die structuurvisie, ook al was die interactief, de boeren bleven in een defensieve rol, iedereen bleef netjes binnen die kaders van de polder. Het andere wat er gebeurde tijdens de rondleiding was dat een van de mensen die ik daar sprak, hij zit ook in de film, een grapje maakte en zei: ‘waar kunnen wij eigenlijk nog een stuk land erbij krijgen?’ We hebben die uitbreidingsgedachte letterlijk genomen, vanuit de polder, niet vanuit de stad. Het is een absurde strategie, maar we nemen hem tegelijk heel serieus, we betrekken al die partijen erbij.�
Waarom hebben ze toch de ruimtelijke ordening erbij betrokken, waarom zijn ze niet doorgegaan als vrije kunstenaars.
Sjaak Langenberg: “ik vond het juist goed om iedereen actief mee te nemen in dat proces. Ik zou niet willen belanden op de stoel van de ontwerper, ik denk dat wij meer voorwaardescheppend bezig zijn: een nieuwe situatie scheppen waarbij iedereen opnieuw nadenkt vanuit die nieuwe situatie. Wat me verbaasde is dat landschapsarchitecten die er al langer bij betrokken waren, pas na onze strategie zeiden: gelukkig, nu kunnen we iets leuks gaan maken. Ik dacht, waarom is dat dan niet in die eerste fase gebeurd. Het is dus een soort vrijheid van denken die je inbrengt in die hele maalstroom van plannen.�
Wat is rol van de kunstenaar daarin?
Sjaak Langenberg: “we hebben geschipperd tussen enerzijds het serieus nemen van een grap, het absurdisme ervan, en anderzijds het wortelen in de realiteit, door er allerlei mensen bij te betrekken. En van daaruit zijn er concrete plannen naar voren gebracht, nl. het plan voor de oprichting van een wooncoöperatie en het woonquotumplan. Nu zitten we in een fase dat de film er is en iedere keer als die film vertoond wordt merken we dat hij opnieuw een soort energie losmaakt. Er ligt heel veel op tafel en wat is nu onze rol. Gaan wij nu zorgen dat die coöperatie wordt opgericht? Gaan wij ervoor zorgen dat dat woonquotum er komt?�
Theo van den Aker: “Volgens mij is het zo dat wij het op dit moment willen loslaten.�
Rober-Jan Muller, die ook bij het project betrokken is, zit in de zaal en vertelt over het vervolg van het project: “We zitten met een aantal partijen om de tafel, met iemand van innovatienetwerk, met iemand van VROM. Die woningcoöperatie is het begin voor een aantal plannen waarvan de uitkomst nu nog niet duidelijk is. Het is eigenlijk een aanjager waardoor er iets anders kan ontstaan. Die coöperatie zou kunnen bestaan uit boeren, dat is een hypothetische mogelijkheid, en gebaseerd kunnen zijn op een equivalent van melkquota en mestquota. Dus hoe meer land je hebt, hoe meer melk of mest je mag produceren. Als je meer land hebt zou je ook meer kunnen bouwen, maar een heel beperkt aantal woningen per ha. Dus wel woningen in de polder, maar toch heel leeg, want de boeren hebben besloten binnen die coöperatie heel weinig woningen te bouwen. Zo zouden de boeren steeds meer land kunnen aankopen, en ze zouden erfpacht ontvangen, waardoor de gemeenten niet meer aan dat gebied kunnen komen. Dat zou het plan zijn, in ideale vorm.�
Forumdiscussie
De forumleden Jeroen Boomgaard, Wouter Veldhuis, Gijs van Oenen, Han Lörzing, Willem Giezeman en Kees de Ruiter hebben statements ingeleverd. Den Boeft vraagt hen te reageren op de gepresenteerde projecten. De reacties gaan vooral over de rol van de kunstenaar, over het creëren van openheid, maar ook over de samenwerkingsverbanden die ontstaan nadat een kunstenaar zich met het project heeft bemoeid.
Wat dat laatste betreft spreekt Han Lörzing, weliswaar met een relativerend kuchje, zelfs over een CDA-achtige benadering. Want alle drie de projecten neigen naar een nieuw soort middenveld, als het erom gaat ruimtelijke ontwikkelingen van de grond te krijgen. “Het gaat in alle drie de gevallen om denkbeeldige of nog komende corporaties, groeperingen, bij elkaar gewaaide groepen mensen die toch een gemeenschappelijk belang hebben en van daaruit proberen een omgeving te verbeteren.�
Ook Gijs van Oenen wijst op de mobilisatie van mensen die uit de projecten naar voren komt. Het bijzondere daarvan vindt hij dat die niet zozeer gericht is tegen de overheid, maar eerder tegen de macht van de projectontwikkelaars. En dat doen ze in de ouderwetse vorm van de corporatie uit de 18de en 19de eeuw, die in de 20ste eeuw grotendeels is afgeschaft in het licht van de individualisering en nu weer in ere wordt hersteld door inderdaad het CDA. Van Oenen vraagt zich wel af wat het doel is van die nieuwe sociale verbanden. Hij vindt niet dat dat duidelijk naar voren komt uit de drie projecten, uit De Uitbreiding van Polder Mastenbroek misschien nog het meest. Waar zijn die mensen precies mee geëngageerd, zo vraagt hij zich af. Zijn ze ergens voor, zijn ze ergens tegen?
Hoewel Van Oenen positief is over deze drie projecten omdat ze openheid introduceren, het wilde binnen het geregelde, waarschuwt hij de kunstenaar die aan dit soort planningsprocessen deelneemt. “De kracht van de kunstenaar kan zijn dat hij weer over het probleem zelf kan reflecteren, en dat probleem in zijn ontwerp of project kan terug projecteren. Dat moet ook, er moet een soort weerstand in blijven zitten, een soort frustratie, dat geldt ook in het uiteindelijke gebruik. Het moet niet uitmonden in consumptie of aangenaam gebruik, hoewel dat ook belangrijk is. Je probeert dat planningsproces te doorbreken. Maar hoe voorkom je dat je alleen weer de volgende pion wordt in dat proces.�
De architect in het gezelschap, Wouter Veldhuis (“maar ik doe geen architectenwerk�) vindt juist dat je geen kunstenaar hoeft te zijn om dit soort processen te sturen. Hij zegt dat hij drie goede projecten heeft gezien die de juiste zaken aan de orde stellen en de juiste instrumenten aanwenden om iets voor elkaar te krijgen. Maar: “het zijn projecten die ik ook doe in mijn dagelijkse praktijk. Ik begrijp niet wat een kunstenaar ermee te maken heeft. Ze stellen dingen aan de orde waarvoor je geen kunstenaar hoeft te zijn.� Hij pleit ervoor in dit soort open planprocessen te stoppen met het denken in disciplines. “Er zijn mensen nodig die geïnspireerd zijn, het kan een kunstenaar zijn, een groenteboer, een melkveehouder. Mensen die mensen op sleeptouw kunnen nemen. Want wat is nou de kwaliteit van de Krabbeplas�, zo stelt hij, “dat is Esther Didden die als een soort boegbeeld de troepen vooruit gaat. Dat heeft niks met kunst te maken, maar met sterke persoonlijkheden die iets goeds willen doen met de omgeving.�
Jeroen Boomgaard definieert de samenwerkingsverbanden als “algemeen belang�. “De laatste jaren heeft de overheid het algemeen belang verkwanseld in een grote serie eigenbelangen waarover men maar moet onderhandelen en in deze projecten zie je opeens via een achteringang het denken in termen van algemeen belang terugkeren. Ik vraag me wel af of daar niet weer iets anders tegenover gezet moet worden, omdat er toch een soort weerstand moet zijn, zoals Gijs het noemt, omdat het anders weer zo’n vrolijk voortkabbelend proces van belangetjes wordt.“
De rol van de kunstenaar is volgens Boomgaard een “symbolische voorbeeldhandeling�. Hij moet zich niet laten betrekken “in het uiteindelijke verwezenlijkingproces, omdat kunst zich niet leent voor denken in termen van rendement. Zodra je een kunstproces moet gaan berekenen op wat het uiteindelijk heeft opgeleverd, zit je op het verkeerde spoor. Het moet een voorbeeldhandeling zijn en Mastenbroek is daar een heel goed voorbeeld van, het biedt een mogelijkheid, het is een omslag in het denken, er wordt een film gemaakt die dat laat zien en dat is genoeg.�
Willem Giezeman geeft als voorbeeld het festival van Huize Assisië in Biezenmortel, een psychiatrische inrichting in de buurt van Tilburg. Giezeman: “Het gaat om een enorm landgoed dat totaal inefficiënt is voor die psychiatrische zorg en waar iets mee moest gebeuren. Toen is er een groots opgezet festival georganiseerd, een hele zomer lang, waarin kunstenaars een sfeer creëerden, waarbij iedereen er naartoe gehaald werd op de meest gekke manieren, bijvoorbeeld in een junglebus, die hele setting van Assisië was tot iets totaal vervreemdends gemaakt, daardoor ontstond er een sfeer waardoor breed overlegd kon worden met de samenleving over wat er moest gebeuren. En dat mis ik in die projecten, het is voortreffelijk opbouwwerk, procesmanagement, maar waar de kunst zit daarover zou ik het willen hebben.�
Kees de Ruiter stelt zichzelf voor als een uitgesproken ruimtelijk ordenaar en benadert het onderwerp vanuit het landschap. Dat wordt volgens hem door twee zaken bedreigd. 1 de consensusprojecten waardoor plannen vaak “verworden tot verzamelingen van maatregelen waar iedereen het over eens is en dat is een gevaar, want daardoor worden plannen vaak saai, grijs en traag.� 2 omdat alles volgens hetzelfde concept wordt gaat het Nederlandse landschap er overal hetzelfde uitzien.
Hij heeft drie aanbevelingen: 1 verlaat de idylle van de schilderijen van Vermeer, maar probeer na te denken over het nieuwe landschap, stop niet alles weg achter boompjes, maar probeer eens een zuiveringsinstallatie te ontwerpen die zo mooi is en zo schitterend is ingepast dat je hem niet graag aan het zicht zou onttrekken. 2 net als binnen de bebouwde kom moet er ook buiten de bebouwde kom veel meer aandacht en geld besteed worden aan architectuur en ontwerp. 3 Juist om die grijsheid tegen te gaan moet er in al die gebiedsgerichte processen in het platteland uitdrukkelijk ruimte gemaakt worden voor het doen van omstreden dingen.
Wat vindt De Ruiter van het idee om rechten en plichten te verbinden.
De Ruiter: ‘Een landgoed wordt vereenzelvigd met een majestueus pand omgeven door bossages. De werkelijkheid is anders, een landgoed is een manier om grondeigendom te beheren en te regelen. Een landgoed kan niet bestaan als er geen eigenaar is, geen pachters zijn en geen pachtovereenkomst. Als je een hedendaags landgoed wilt ontwikkelen, moet er een eigenaar zijn - dat kan ons ministerie zijn samen met Fortis en ABP - het kan ook een polder zijn, ook een heel klein gebiedje, als er maar een eigenaar is. Dan kun je daar misschien onder architectuur bijzondere woningen bouwen waarbij je wat kunt sturen qua vorm, ligging, kleur of wat dan ook, en dan kun je vervolgens zeggen deze huizen worden bewoond, je kunt ze niet kopen, je kunt ze alleen pachten, en in de pachtovereenkomst komt te staan dat het gebied openbaar toegankelijk moet blijven, dat er een houtwal wordt onderhouden en dat de pacht wordt afgedragen aan een fonds dat bedoeld is om de kwaliteit van het gebied op peil te houden.’
Wat is nu toch de rol van de kunstenaar? Wordt hij alleen gevraagd om vastgelopen processen vlot te trekken, en moet je daar per se kunstenaar voor zijn? En is het niet zo dat – als de kunst erbij wordt betrokken – dat daar een zak geld aan vastzit? En dat hij daarom wordt gevraagd? Dit soort vragen kwam naar voren in de discussie die volgde op het forum.
Er wordt opnieuw gewezen op de autonomie van de kunst. Wouter Veldhuis: “Op het moment dat je opgaat in een planologisch proces, is het geen kunstproject meer, dan gaat het om de werkelijkheid. Kunst moet een andere blik op de werkelijkheid geven, maar op het moment dat je door die werkelijkheid geabsorbeerd wordt, kan dat niet meer.�
Op het algemeen belang. Jeroen Boomgaard: “Er zit een kant aan kunst die je algemeen belang zou kunnen noemen. Waarbij de kunstenaar natuurlijk wel in de gaten moet houden wat zijn specifieke rol daarin is. En dat zou ik niet autonomie willen noemen, want met die term maak je het jezelf erg moeilijk. En die rol gaat veel verder dan alleen maar leuk creatief zijn, hij biedt juist de mogelijkheid meer midden in de samenleving te staan en contact te leggen met een publiek.�
Volgens Gijs van Oenen gaat het vooral om de persoon: “Er is veel kritiek op regels, procedures, bureaucratie en eigenlijk is er steeds de vraag naar iemand die een soort vrijheid heeft om de zaak tot een goed einde te brengen. Dat speelt ook in de stedenbouw, stadsmariniers hebben een vrijheid in fysieke en financiële zin om door grenzen heen te breken. En dat is ook met die discussie over de kunstenaar aan de orde. Dat maakt het ook moeilijk om er modellen voor te ontwikkelen. Als je zo sterk afhankelijk bent van de persoon van de kunstenaar, ook mede in relatie met de persoon van de opdrachtgever, dat kan heel positief uitwerken, maar je bent heel erg afhankelijk van personen.�
Esther Polak (uit de zaal) pleit voor een nieuwe manier van kijken naar het landschap en wijst op de traditie van de kunstgeschiedenis die al eeuwen bezig is om het landschap zichtbaar te maken. Zij vindt het bijzondere van het project van polder Mastenbroek dat het voor het eerst de coöperatie laat zien als esthetisch object.
En is het zo dat kunst geld genereert, is de kunstenaar een excuustruus?
Sjaak Langenberg: “in het begin voelde ik dat wel. Ik ben bij dit project erachter gekomen dat ik een autonomere kunstenaar ben dan ik dacht. Die film is duidelijk een eindproduct.�
Jeroen van Westen daarentegen is steeds verder weggegroeid van de autonomie: “ik vrees op geen enkele manier om opgenomen te worden in organisaties om daar tijdelijk in onder te duiken. Dat is een rol die een kunstenaar kan spelen, je kunt tijdelijk een organisatie binnen dringen, daar als natuurlijk persoon in functioneren en tegelijk een nieuwe denkrichting implanteren.� En wat het geld betreft: “vaak zijn het cofinancieringen die door de kunst een klein beetje extra krijgen, en als kunstenaar weet je dan vaak binnen het project geld te genereren. Maar het gaat niet om het geld, het gaat om de creativiteit.�
Maar het werkt, zoals blijkt uit een opmerking van de melkveehouder uit polder Mastenbroek, Marco van der Vegte: “doordat je de kunst erbij betrokken hebt, zit iedereen opeens recht op zijn stoel.�
Er komen ook geluiden uit de zaal waaruit blijkt dat het steeds vanzelfsprekender wordt om de kunstenaar bij processen te betrekken. P.v.d.Berk: “dit proces is al een hele tijd aan de gang. In Brabant krijg je voor kunst alleen subsidie bij geïntegreerde projecten, dus samen met architecten, stedenbouwkundigen. Anderen zijn dus bezig om kunstenaars meer zichtbaar te maken, gelijkwaardig aan architecten en stedebouwkundigen. Om samen te werken of als vertegenwoordiger van een specifieke discipline er zijn veel kunstenaars die heel veel kunnen, maar ook specifieke discipline. Geen verdringing, maar kunstenaar wordt als praktijk in de markt gezet.�
Politicus/raadslid: “mijn ervaring is dat kunstenaars iets toevoegen aan wat dan ook, dat wordt als lastig ervaren en is kostenverhogend. Ik zeg altijd dat kunstenaars niet zo bijzonder zijn, je hebt ze nodig, naast de bestrater, de loodgieter, de architect, je moet ze
als gelijkwaardig beschouwen. Niet alle kunstenaars moeten in een proces worden opgenomen als ze er de ballen verstand van hebben, die moeten blijven doen wat ze doen.�
En wat de opdrachtgever betreft:
Sandór Góra wordt als een voorbeeldig ambtenaar gezien. Hij pleit voor symbiose, voor een goede verstandhouding tussen ambtenaren en kunstenaars. Vaak is de ambtenarij opdrachtgever, zo stelt hij, dus die zit op het geld, hij bepaalt de rol van de kunstenaar, hij vraagt of de kunstenaar een rol wil gaan vervullen.
En tot slot de gebruiker:
Marco van der Vegte: “Toen er werd gezegd we moeten kunstenaars uitnodigen, was mijn eerste reactie: wat schieten we daarmee op? Toch is het opgezet. En het is het leukste deel.�
Zo onverwacht is het!

Still uit 'De Uitbreiding van Polder Mastenbroek' van Sjaak Langenberg en Theo van den Aker
Stichting Kunst en Openbare Ruimte












