Jorinde Seijdel, Een precair bestaan. Kwetsbaarheid in het publieke domein

Open 17
Een precair bestaan
Kwetsbaarheid in het publieke domein.
Sinds enige jaren is er een internationaal discours gaande rond het begrip ‘precariteit’ of ‘precairheid’, aangezwengeld door Europese sociale bewegingen en filosofen als Paolo Virno. Precariteit verwijst naar de relatie tussen tijdelijke en flexibele arbeidsarrangementen en een bestaan zonder voorspelbaarheid en zekerheid, die de levenscondities van steeds grotere groepen in de samenleving bepaalt.
Precariteit doet zich op vele plekken van de samenleving tegelijk voor, als gevolg van de neoliberale, postfordistische economie, waarin de nadruk ligt op de immateriële productie van informatie en diensten en een continue flexibiliteit, ook in de creatieve sector: kunst, cultuur- en communicatiebedrijven, waarin sprake is van flexibele productie en outsourcing van werk, kenmerkend voor de diensteneconomie.
In dit nummer van Open wordt ingegaan op precairheid in een culturele en sociale context, onder meer door in te gaan op het functioneren van de kunstscene, en op de condities van de precaire stad en publieke ruimte.
Met bijdragen van Nicolas Bourriaud, Brian Holmes, Ned Rossiter/Brett Neilson, Jan Verwoert, Paolo Virno, Pascal Gielen/Sonja Lavaert, Gerald Raunig, Recetas Urbanas en Merijn Oudenampsen.
Met de internationale kredietcrisis wordt steeds vaker gesproken van het afbrokkelen van de neoliberale hegemonie. Wat dit ook precies mag betekenen, in relatie tot de theorie en praktijk van kunst en publieke ruimte lijkt precies die afbrokkeling ook implicaties en effecten van het neoliberalisme manifest te maken, die voorheen werden verdrongen, althans in de mainstreamvertogen. Ervan uitgaande dat het neoliberalisme, bewust of onbewust, min of meer is geïnternaliseerd in het beleid en de programma’s van kunst en publieke ruimte, raakt een crisis van het marktdenken ook het hart van deze domeinen. Met andere woorden, als het neoliberalisme economisch, sociaal en politiek faalt, wat zijn daarvan dan de symptomen binnen kunst en publieke ruimte? En hoe ermee om te gaan?
In deze Open resoneren twee begrippen, ‘postfordisme’ en ‘precariteit’, waarvan het eerste een uitingsvorm van het neoliberalisme genoemd kan worden en het tweede een effect. De premisse is dat de postfordistische samenleving de orde van het fordisme heeft afgelost: niet langer is het hiërarchische en bureaucratische productiesysteem zoals uitgewerkt door Henry Ford en Frederick Taylor dominant. Dit systeem werd gekenmerkt door massaproductie van homogene, gestandaardiseerde goederen voor een massamarkt. Sinds de jaren zeventig echter ligt in de arbeidsorganisatie de nadruk op de immateriële productie van informatie en diensten en op continue flexibiliteit. Beide systemen reflecteren verschillende sociale en economische waardesystemen – het postfordisme zou drijven op fysieke en mentale mobiliteit, creativiteit, arbeidskracht als potentie, communicatie, virtuositeit en opportunisme – en kennen eigen vormen van controle.
Het postfordisme wordt onder meer door politiek filosoof Paolo Virno in direct verband gebracht met precariteit, dat verwijst naar de relatie tussen tijdelijke en flexibele arbeidsarrangementen en een ‘precair’ bestaan – een dagelijks leven zonder voorspelbaarheid en zekerheid – die de levenscondities van steeds grotere groepen in de samenleving bepaalt (parttimers, flexwerkers, migrantenwerkers, contractwerkers, zwartwerkers et cetera). Deze structurele discontinuïteit en permanente fragiliteit doet zich ook voor in de ‘creatieve klasse’: kunst, cultuur- en communicatiebedrijven, waarin sprake is van flexibele productie en outsourcing van werk. Door toedoen van Europese sociale bewegingen en activisten, en filosofen als Virno, is precariteit in landen als Spanje, Frankrijk en Italië al enige jaren een politiek issue.
Brian Holmes schrijft in dit nummer over de videoserie Entre Sueños, waarin kunstenaar Marcelo Expósito verslag doet van de ‘nieuwe sociale kwestie’. Merijn Oudenampsen gaat heel concreet in op het antwoord van Nederlandse schoonmakers op hun precaire situatie. Brett Neilson en Ned Rossiter betogen dat de opkomst van precariteit als object van wetenschappelijke analyse samenvalt met haar neergang als politiek concept dat tot sociale actie aanzette. Zij toetsen het vermogen van precariteit om nieuwe vormen van verbinding, subjectiviteit en politieke organisatie tot stand te brengen. Gerald Raunig stelt de vraag of de postfordistische verslaving aan versnelling ook strategieën kan opwekken die communicatie en connectie nieuwe betekenis geven.
Wat kunnen noties als postfordisme en precariteit aan het licht brengen als ze gerelateerd worden aan de huidige condities van en het denken over de stedelijke ruimte en over kunst en de kunstwereld? In de context van de stad dringt zich de ‘creatieve stad’ op als postfordistisch stedelijk model bij uitstek waarbij creativiteit en cultuur de motor moeten zijn voor economische ontwikkeling. De creatieve stad is ook een entrepreneurial city waarin citymarketing en gentrificatieprocessen hand in hand gaan, en waarin sociale vraagstukken ondergeschikt worden gemaakt aan vragen vanuit de arbeidsmarkt en waardeproductie. Met name Matteo Pasquinelli gaat direct in op de rol van de creatieve scene in het tot geldelijk gewin maken van en speculatie rond (im)materiële infrastructuren. De architect/activist Santiago Cirugeda maakte een poster met een selectie van stedelijke interventies die zijn bureau Recetas Urbanas de afgelopen jaren ontwikkelde en die erop gericht zijn binnen de precariteit van de stedelijke omgeving de publieke ruimte te herwinnen voor de stadsinwoners.
Nicolas Bourriaud stelt dat de wezenlijke inhoud van het politieke programma van de hedendaagse kunst geen aanklacht is tegen de ‘politieke’ omstandigheden die inherent zijn aan de actualiteit, maar eruit moet bestaan “de wereld in een precaire toestand te houden”. Sonja Lavaert en Pascal Gielen interviewden in Rome Paolo Virno over onder andere esthetica en sociale strijd, de disproportie van de kunst en de noodzaak instellingen uit te vinden voor een nieuwe publieke sfeer. Gielen beschrijft in een ander artikel hoe de internationale kunstscene het postfordistische waardestelsel belichaamt en uitleeft, en vraagt zich af in hoeverre haar informaliteit en vrijheidsethos geëxploiteerd en biopolitiek beheerd kunnen worden. Vanuit het hart van de kunstscene verweert Jan Verwoert zich tegen het imperatief tot creatief en sociaal performen, en roept op tot een andere ethiek, die wij ons allen ter harte zouden kunnen nemen.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte