Brian Holmes, Marcelo Expósito's Entre Sueños. Op zoek naar het nieuwe lichaam

Open 17
Een precair bestaan
Kwetsbaarheid in het publieke domein.
Sinds enige jaren is er een internationaal discours gaande rond het begrip ‘precariteit’ of ‘precairheid’, aangezwengeld door Europese sociale bewegingen en filosofen als Paolo Virno. Precariteit verwijst naar de relatie tussen tijdelijke en flexibele arbeidsarrangementen en een bestaan zonder voorspelbaarheid en zekerheid, die de levenscondities van steeds grotere groepen in de samenleving bepaalt.
Precariteit doet zich op vele plekken van de samenleving tegelijk voor, als gevolg van de neoliberale, postfordistische economie, waarin de nadruk ligt op de immateriële productie van informatie en diensten en een continue flexibiliteit, ook in de creatieve sector: kunst, cultuur- en communicatiebedrijven, waarin sprake is van flexibele productie en outsourcing van werk, kenmerkend voor de diensteneconomie.
In dit nummer van Open wordt ingegaan op precairheid in een culturele en sociale context, onder meer door in te gaan op het functioneren van de kunstscene, en op de condities van de precaire stad en publieke ruimte.
Met bijdragen van Nicolas Bourriaud, Brian Holmes, Ned Rossiter/Brett Neilson, Jan Verwoert, Paolo Virno, Pascal Gielen/Sonja Lavaert, Gerald Raunig, Recetas Urbanas en Merijn Oudenampsen.
Toen ik mijn laptop aanzette om dit artikel te gaan schrijven, trof ik bij mijn binnenkomende e-mails het laatste nieuws uit Griekenland, waar betogers die hun woede uitten over de moord op de jongen Alexandros Grigoropoulos avond na avond slaags waren geraakt met de politie. De kogel door het hart van de jongen had huizenhoge, alom even nijpende als onzichtbare maatschappelijke problemen naar de dringende actualiteit van de straat gestuwd.
De tekst stelt het volgende: “De jeugd rebelleert omdat zij willen leven. In alle betekenissen van het woord. Ze willen onbelemmerd leven, ze willen scheppingsruimte, emancipatieruimte, speelruimte. Ze willen niet hun puberteit lang twaalfurige dagen van school en extra lessen maken, niet hun jonge volwassenheid spenderen aan de zinloze jacht op een universitaire graad – het paspoort voor een glorieuze baan van 48 uur à 800 euro per week op een saai kantoor (…) Wij snakken ernaar aan onze eigen, autonome toekomst te bouwen (...) Als je werkelijk wilt leven is een overslaande vonk genoeg om je werktuiglijk de aanval te laten openen op alles waarvan je denkt dat het je in de weg staat.”1
De corrupte politiek en de stagnerende economie van Griekenland zijn uniek, aldus de veiligheidsbewakers. Maar de neoliberale revolutie heeft in Europa en elders in de ontwikkelde wereld voor een hele generatie precaire werk- en leefomstandigheden meegebracht. Onderwijl zijn de stadskernen schitterende schouwspelen geworden en is de explosieve groei van ongelijkheid uitsluitend bekeken vanuit het standpunt van de elites. Het huidige debacle van het transnationale geldsysteem staat ervoor in dat de ‘unieke’ situatie van Griekenland zich van land naar land zal voortplanten. Deze vonk vanuit Zuid-Europa is lichamelijk voelbaar, zoals het leven zelf, zoals kunst dat in het beste geval is.
Terwijl de spanning oploopt en de demonstraties uitbreken rijst de vraag hoeveel musea en studieprogramma’s de moed zullen hebben het oeuvre van activistische kunstenaars te exploreren die zich rechtstreeks hebben beziggehouden met de gevoelens, aspiraties en krachtenbundeling van deze ‘precaire’ generatie. Diegenen die bereid zijn de scheidslijn tussen politiek en kunst uit te wissen zullen veel interessants ontdekken in het werk van de Spaanse videokunstenaar Marcelo Expósito, die in de laatste vijf jaar onder de titel Entre Sueños (Tussen waken en dromen) een meerdelige schets van de nieuwe sociale strijd heeft vervaardigd. Anders dan een conventionele documentaire die de historische feiten staaft, registreert deze videografie de ontluikende historische impulsen via de gebaren en de verhalen, of zelfs de fantasieën, van diegenen die op straat hun eigen geschiedenis proberen te maken.
De serie opent met Primero de Mayo (la cuida-fábrica) (Eén mei (de stadsfabriek)), 2004, een verstrekkend video-essay over de transformatie die de arbeidsmarkt en haar structurering in Noord-Italië hebben ondergaan, culminerend in de acties van het Chainworkers-collectief en de EuroMayDay-parade in Milaan. Deze vrij complexe ouverture wordt opgevolgd door La Imaginación Radical (carnavales de resistencia) (De radicale verbeelding (verzetscarnavals)), eveneens uit 2004, en een derde video getiteld Tactical Frivolity + Rhythms of Resistance, 2007,2 vervaardigd in samenwerking met Nuria Vila (die de hele serie monteerde). Alle drie brengen een verschuiving in het filosofische concept van de relatie kapitaal/arbeid naar voren aan de hand van de nieuwe vormen van georganiseerd verzet en de historische praktijk van audiovisuele montage. Maar terwijl deze discursieve en formele agenda’s worden gevolgd, gebeurt er onder de oppervlakte iets onbeschrijflijks: de peiling van een onbekend soort leven dat in één doorlopend ritme een afstompende ploegendienst kan draaien, onder de neus van de politie kan dansen, door computergestuurde doolhoven heen kan klikken en voor een kind kan zorgen. De peiling van een nieuw lichaam.
Stadsfabriek
Deze videowerken ambiëren een activistische boodschap uit te dragen en tegelijk de ingewikkelde geschiedenis van artistieke expressie te schilderen. Zo is Primero de Mayo geheel gewijd aan zich organiserende werknemers van winkelketens en freelancers; maar de video opent met tekstregels van de literaire auteur W.G. Sebald, een fragment uit de beroemde stomme film Berlin: Die Sinfonie der Großstadt en een zwart-wit opname van Glenn Gould aan de piano, merkwaardig genoeg ook zonder geluid. Pas even later horen we Goulds elegant gefraseerde uitvoering, als orkestratie van de gebaren van een flexwerkster die in een Italiaans winkelcentrum op kinderen past. In deze eerste paar seconden wordt de centrale vraag gesteld. Als die filmmontage uit de jaren twintig van de vorige eeuw een harmonieuze muziekpartituur trachtte te ontwikkelen bij de botsende maatschappelijke verhoudingen van de industriestad, op welke relatie mogen we dan heden ten dage hopen tussen de virtuoze opvoeringen van artiesten en de verregaand vastliggende routines van werknemers die gevangen zijn in de productiesystemen van de postindustriële metropool?
De video toont documentair materiaal van de Fiat autofabriek in Lingotto, Turijn, met de spectaculaire racebaan op het dak waar klanten een proefrit konden maken in een net van de lopende band gerolde auto. Daarna volgen beelden van hetzelfde gebouw omgevormd tot congrescentrum en recreatiecomplex, zinnebeeld van de overstap naar communicatieve arbeid. De collectieve werkdiscipline van de fabriek is uiteengespat in de extreem geïndividualiseerde economische verhoudingen die inmiddels overal gemeengoed zijn. Hier haast zich de flexwerkster om de activiteiten in de speelhoek van de zaak bij te benen, achter peuters op plastic auto’s uit China aanrennend. Het consumentisme profileert zich als een afmattend spelletje waarvan zelfs de oppassers de regels niet kennen. Toch rijpt midden tussen het speelgoed en de ballonnen een droom: de oude socialistische droom dat artistieke expressie rechtstreeks zou kunnen worden ingezet in de emancipatiestrijd.
De filosoof Paolo Virno geeft een nieuwe verwoording aan deze droom in fragmenten uit een lezing, waarin hij de gelijkenis beschrijft tussen een virtuoze vertolking en communicatieve arbeid. Geen van beide leidt tot een afgemaakt object of afgeronde werkzaamheid; beide vallen terug op geïmproviseerde gedeelten uitgevoerd voor publiek. Maar datzelfde geldt voor politieke activiteiten. De linguïstische en performatieve omslag van de economie vervaagt volgens Virno de grens tussen arbeid, innerlijke bespiegeling en politieke actie. Een toestand die weliswaar verwarrend is, maar nieuwe krachten binnen ieders bereik brengt. Hij spreekt geheimzinnig van een onzichtbare notatie, een verborgen partituur: het te delen potentieel van een ‘algemeen intellect’ dat de veelsoortige activiteiten van de hedendaagse economie van informatie voorziet of zelfs orkestreert.
Is dit puur mysticisme? Het leven dat zich aftekent in de metropool lijkt niet door politieke virtuositeit maar door fijnmazige controlemethoden te worden gestuurd: combinaties van motivatieonderzoek, actief toezicht op de werkplek, geïndividualiseerde verleiding en kredietrapporten van de banken. De managers en de adverteerders trekken aan de touwtjes. Activisten dienen dat gebied te bezetten en te ondermijnen. In enkele fascinerende passages wordt getoond hoe de oprichters van de Chainworkers-groep in Milaan een ongekende campagne op touw zetten: een mobilisatie van al die mensen met snertbaantjes die uw supermarkt bemannen, uw post sorteren, uw pizza bezorgen – en uw muziek spelen, uw feestje herbergen, uw kinderen vertroetelen, en waarschijnlijk ook uw reclameboodschap schrijven.
Chiara Birattari klikt door de plaatjesvoorraad van een bedrijf op zoek naar de illegaal te downloaden ideale foto van een getatoeëerde rockmuzikant uit het kraakpand waar de beweging zetelt. Ze vindt er een waarop hij dozen sorteert bij een opslagloods in de exurbane woestenij. ‘Zelfstandig of precair?’ staat op het pamflet dat ze aan het ontwerpen is. Alex Foti vertelt uitgebreid over zijn verlangen mensen te verenigen die nooit hadden gedroomd van een verbond: de kinderen in uniformen, de werknemers van winkelketens, die opgroeiden met strips en snacks en Amerikaanse cultuur.
Het interview wordt onderbroken door scènes van een verrassingsactie die hij heeft gecoördineerd in een immens winkelcentrum – een omgeving waar de vrijheid van meningsuiting of omgang streng is uitgebannen, het archetype van wat Virno betitelt als ‘onbegrensde publiciteit zonder publieke sfeer’.
Opeens waaieren spandoeken uit op de bovenste verdieping; flyers zweven door het koninkrijk van het handelsartikel. Een draagbare geluidsinstallatie breekt door de muzak heen met krachtige rock en politieke toespraken, terwijl activisten de potige veiligheidsmensen op een afstand houden om een uitzicht te openen op andere mogelijkheden. Verbazend genoeg houdt de actie een uur lang stand. De video eindigt in de straten van Milaan met de wilde capriolen van de Primero de Mayo precario manifestatie, die tijdelijke werkkrachten verenigde in een betoging voor betere arbeidsvoorwaarden. ‘Rechten of rellen’ luidt de slogan op het knalroze shirt van een demonstrant. Hij lacht verlegen onder het oog van de camera, kijkt dan vrijmoedig in de lens en tikt de woorden op zijn shirt aan.
Met de lancering van de EuroMayDay parades in 2003 en 2004, begonnen deze nieuwe protestbewegingen de problemen aan te kaarten rondom leven en arbeid in het stedelijk gebied. In een onthutsende neoliberale omgeving waarin werknemers middels geautomatiseerde orders de urbane woestenij in worden gestuurd, wenden activisten hun communicatieve vaardigheden aan om letterlijk de partituur te veranderen, de orkestratie van het dagelijks leven te verstoren, een positieve zet te doen in het eeuwige verloren spel dat het bedrijfsleven het volk heeft opgelegd. Ziehier de uitdaging van emancipatie in onze huidige tijd: de autonomie van het volk en de ‘rellen voor rechten’ zijn aangewezen op het communicatieve bereik van precaire uitingen binnen het gehavende netwerk van de metropool.
Wervelende ritmes
De twee hierop volgende videowerken tonen dat emancipatie eigenlijk een van generatie op generatie doorgegeven dagdroom is. “Veranderingen voltrekken zich allereerst in de verbeelding”, aldus de openingstekst van Tactical Frivolity. In de verte weerklinkt gezang, vervolgens komt een extravagant schepsel in beeld, gekleed in zilver en roze met enorme vleugels, een plumeau in haar geheven hand en een gasmasker bungelend op haar heup, rondtollend voor de ogen van de politie. Een abrupte overgang naar archiefmateriaal van betogende suffragettes en de eerste feministes die menigten toespreken; opnieuw een abrupte overgang naar de ooglens van een kinetoscoop uit 1900, waar we een flikkerend beeld doorheen zien van een vrouw die op een podium een modernistische Butterfly Dance uitvoert. Haar witte jurk wervelt golvend door de lucht in driedimensionale arabesken, terwijl sambagetrommel door de betovering heen zindert. Een... twee... drie: een daverend ritme luidt de overgang in naar het heden, naar de straat.
Het tweede en derde werk van Entre Sueños, die een eenvoudiger discursieve structuur aanhouden dan Primero de Mayo, duiken beide onder in een specifieke gebeurtenis: het ‘Carnival against Capital’ op 18 juni 1999 en de ontwikkeling van de esthetica van het ‘pink bloc’-protest tijdens de op 26 september 2000 in Praag gehouden betogingen tegen het IMF en de Wereldbank. Tactical Frivolity + Rhythms of Resistance, die ik hier kort wil weergeven, schakelt tussen video-opnamen van de gebeurtenissen in Praag en terugblikkende interviews met de deelnemers. Wat deze onthullen, is hoeveel bewust verwoord verlangen nodig is voor de collectieve gebaren die een politieke boodschap weten over te brengen aan de gepolariseerde samenlevingen.
De Britse protestbewegingen, die zich in een uitzonderlijk repressieve omgeving ontwikkelden, verzonnen de meest doeltreffende vormen van verzet tegen de neoliberale overheersing. Maar zoals activiste Kate Evans uitlegt, vielen die niet terug op geweld maar op vrouwelijke provocatie. Bij de in 2000 door London Reclaim the Streets georganiseerde Mayday demonstratie, waarvan wijd en zijd werd verwacht dat het de eerste toepassing van de nieuwe wet op terrorisme zou worden, “was daar Rosie, in haar belachelijke uitmonstering, met een minuscule roze bikini en een hoofdtooi en een grote roze pauwenstaart, en in haar hand een plumeau waarmee ze de politie kietelde”. Rosie zelf vervolgt: “Ik dacht bij mezelf: goed, als de wet een terrorist van me maakt, dan kan ik beter de belachelijkste terrorist zijn die er rondloopt.”
Kate vertelt over de reis naar Praag in twee grote kampeerwagens gevuld met elf vrouwen, twee mannen en grote hoeveelheden roze materialen. Beelden in het Convergence Center te Praag bieden een kijkje in de voorbereidingen van een grotere groep (merendeels leden van de Peoples’ Global Action) die de ‘pink line’ vormde, een van de drie gehanteerde benaderingen om de besprekingen van de Wereldbank en het IMF stil te leggen. Samba weergalmt in onze oren, en op dit punt start een volgende reeks interviews, waarin verteld wordt dat deze subversieve muziek haar oorsprong vindt in carnavalsbands van zwarte Brazilianen in de jaren zeventig van de vorige eeuw. “De ritmes die we gebruiken zijn afkomstig uit rituelen van de candomblé-religie, dus eigenlijk worden die gebruikt om natuurgoden in te roepen,” legt Nicky uit. “Op het moment dat er een pauze valt, wordt de menigte gek. Dus ik denk dat die momenten, die wisselingen van ritme, echt een soort kracht hebben.” De Praagse betogingen vormden in hun geheel zo’n pauze, en deelnemers aan het ‘pink bloc’ gebruikten het ontwapenend potentieel van de verrassing om het congresgebouw binnen te dringen, de vergaderingen een halt toe te roepen en in Europa een nieuwe cyclus van breed protest te ontketenen.
Kate Evans, die haar kind de borst geeft tijdens het interview, is zich volledig bewust van de mogelijke ambiguïteit van haar tactiek: “Ik heb een beetje moeite met het idee dat de meisjes in luchtige kostuumpjes ronddansen en de jongens niet,” legt ze uit, “omdat ik niet precies weet hoe bevrijdend dat werkt voor mensen die niet doorhebben dat het ironisch bedoeld is.” Deze feministische blik op de esthetica van kwetsbaar protest paart een gefundeerde actiegerichtheid aan gedegen onderzoek naar de manieren waarop de mobilisatie van burgers de alledaagse belevingswereld kan veranderen.
Deze videowerken vormen een directe inspiratiebron voor mensen die hun lichaam in de strijd willen werpen voor een nieuwe orkestratie van de stedelijke dynamiek, zonder in de uitgezette vallen van autoriteiten en media te lopen. Tegelijkertijd worden gezichtspunten nagetrokken door de hele vorige eeuw heen. Wie zich interesseert voor avant-gardekunst herinnert zich misschien nog de vraag die Peter Wollen opwerpt in Raiding the Icebox: “Welke fysieke beweging zou aansluiten bij een productieproces dat een andere, getransformeerde rationaliteit vertoont – en uiteraard een getransformeerde genderscheiding en seksualiteit?”3 Marcelo Expósito en Nuria Vila hebben hierop één antwoord gegeven. Het lijkt alsof marginale artistieke en activistische experimenten uit het verleden weer zijn ontwaakt in het heden, maar nu veel breder en diepgaander belichaamd door mensen die zich bewust zijn van de ontstellende weerstand waarop iedere emancipatiebeweging stuit. De estafetteloop zal nu worden overgedragen aan een jongere generatie. De video besluit met sambaritmen en door een ooglens gefilmde beelden van verklede betogers, waarna tot besluit een nieuwe ouderwetse uitvoering van de vlinderdans in beeld komt. Dit keer zijn de wervelende sluiers felroze gekleurd.
1. Anoniem, “The Revenge of Life,” 14 dec. 2008, zie indy.gr/analysis/the-revenge-of-life.
2. Voor een lijst van de videowerken en nadere informatie zie www.hamacaonline.net/autor.php?id=69; voor een gratis download van Tactical Frivolity zie www.archive.org/details/tacticalfrivolity.
3. Peter Wollen, Raiding the Icebox: Reflections on Twentieth-Century Culture (Bloomington/IN: Indiana University Press, 1953), p. 56.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte