Gerald Raunig, Speed!

Open 17
Een precair bestaan
Kwetsbaarheid in het publieke domein.
Sinds enige jaren is er een internationaal discours gaande rond het begrip ‘precariteit’ of ‘precairheid’, aangezwengeld door Europese sociale bewegingen en filosofen als Paolo Virno. Precariteit verwijst naar de relatie tussen tijdelijke en flexibele arbeidsarrangementen en een bestaan zonder voorspelbaarheid en zekerheid, die de levenscondities van steeds grotere groepen in de samenleving bepaalt.
Precariteit doet zich op vele plekken van de samenleving tegelijk voor, als gevolg van de neoliberale, postfordistische economie, waarin de nadruk ligt op de immateriële productie van informatie en diensten en een continue flexibiliteit, ook in de creatieve sector: kunst, cultuur- en communicatiebedrijven, waarin sprake is van flexibele productie en outsourcing van werk, kenmerkend voor de diensteneconomie.
In dit nummer van Open wordt ingegaan op precairheid in een culturele en sociale context, onder meer door in te gaan op het functioneren van de kunstscene, en op de condities van de precaire stad en publieke ruimte.
Met bijdragen van Nicolas Bourriaud, Brian Holmes, Ned Rossiter/Brett Neilson, Jan Verwoert, Paolo Virno, Pascal Gielen/Sonja Lavaert, Gerald Raunig, Recetas Urbanas en Merijn Oudenampsen.
“Voor de tijd die nu aanbreekt, oftewel de toekomst, heeft men het begrip 'postfordisme' uitgevonden, een 'na-woord' dat halsstarrig bij de uitgang van het verleden lijkt te blijven staan en schuchter aan de deur klopt van wat gaat komen, omdat zijn oude thuis niet meer bestaat.” Aldus beschrijft Hans-Christian Dany de drempel van het fordisme naar het postfordisme in zijn boek over de cultuurgeschiedenis van de amfetamine, in 2008 verschenen bij uitgeverij Nautilus in Hamburg. En terwijl het 'postfordisme' zich nu al tamelijk lang vastklampt aan het verleden en toch ietwat nieuwsgierig om het hoekje probeert te kijken, naar de toekomst, worden er vele andere benamingen gevonden voor de maatschappelijke veranderingen sinds de jaren 1960: postindustriële samenleving, dienstverleningsmaatschappij, informatiemaatschappij, netwerkmaatschappij, cognitief kapitalisme, kenniseconomie, et cetera. Vanuit welk perspectief de benamingen ook gekozen zijn: de versnelling, het tempo, de snelheid van al de stromen die erdoorheen gaan, bepalen de aard van 'de toekomst', waarvan wij de drempel allang overschreden hebben.
Niet voor niets heet Dany's boek Speed. De sociale veranderingen hebben ook enorme invloed op de functie en het gebruik van de goedkope drugs die in het jargon van de gebruikers met de verzamelnaam 'speed' worden aangeduid: 'speed' in de zin van ‘drug’ impliceert in het postfordistische kapitalisme niet meer, zoals in de voorgaande eeuw, de ambivalente versnelling als pepmiddel voor het dagelijks werk enerzijds en tegendraads medium van nieuwe subculturen anderzijds. Merkwaardig genoeg wordt de term steeds eenduidiger in positieve zin gebruikt, en als een element van zelfzorg opgevat. Het gecontroleerde druggebruik wordt meer en meer geaccepteerd als onderdeel van een goed georganiseerde zelfrelatie, waarin de roes en de bewustzijnsverruiming worden benut om beter te functioneren. In de cocktail van neoliberaal-gouvernementele subjectvorming wordt de drugscategorie 'speed' tot een van de vele elementen van een algemeen verbreide vorm van zelforganisatie.
Het codewoord 'speed' wordt echter beslist niet meer alleen gehanteerd in verband met druggebruik, maar is in toenemende mate op alle sectoren van productie en reproductie van toepassing. En in de productie heeft speed niet alleen betrekking op de versnelling van de materiële arbeidsprocessen, maar ook en vooral op de immateriële gebieden van het cognitieve, communicatieve en affectieve. Dany beschrijft dit uitvoerig aan de hand van een proto-postfordistische avant-garde, die veertig jaar geleden al nieuwe wegen in de toekomst heeft gebaand: de Factory van Andy Warhol. In deze 'fabriek' worden de tijd en de ruimte van de subjecten diffuus – net als in de overigens totaal verschillende politieke context van de fabbrica diffusa, een concept uit de operaistische woordensmederij in Italië, dat een belangrijke rol speelde in de strijd van de autonomia-beweging in het begin van de jaren 1970. Warhols 'pioniers van de nieuwe arbeid' hebben geen vaste, collectieve werkplek meer en ook geen vast fordistisch tijdschema. Zij fabriceren geen dingen meer, maar sferen: “(…) de meerderheid van de aanwezigen houdt zich onledig met zaken die niet meteen als werk te herkennen zijn, eerder het tegendeel, zodat sommigen denken dat er een party aan de gang is.” Bij deze nieuwe vorm van indienstneming is er geen verschil meer tussen werk en vrije tijd, presteren en freewheelen, fabriek en thuis, nuchter en onder invloed. Het gaat juist om het vervagen van de grenzen tussen de gebieden die vroeger netjes afgebakend waren.
Speed is van een min of meer bewust gekozen randpositie verschoven naar het centrum van de postfordistische productie, en behelst veel meer dan een drug voor gebruikers in de marge. Mensen zijn verslaafd aan allerlei soorten van versnelling, en met name aan het gebruik van versnelde communicatie- en informatietechnologieën. En in die verslaving versmelten de onderdelen van de apparaten die we van oudsher machines noemen met onze eigen machinieke subjectiveringen. Zoals wij de verrichtingen van de technische apparatuur die wij bedienen en die ons bedient overnemen, zo neemt de apparatuur onze vaardigheden, onze techniek, onze kennis over. Het lijkt wel alsof we gewoon een stap verder zijn gegaan in ons machine-worden, van de fordistische industriële omgang met productiesystemen naar de postfordistische informatiegerichte omgang met computers. De 19de-eeuwse gedachte dat de machines een verlenging van bijvoorbeeld onze armen waren, is al een versimpeling, maar helemaal simpel is het idee dat de computer een prothese van ons brein zou zijn. De machine is niet zomaar een verlengstuk van het menselijk lichaam, waardoor de mens beter functioneert. Er is altijd sprake van een wisselwerking, van machinieke stromen die dingen, mensen en socialiteiten doordringen.
Maar wanneer dat zo doorgaat en de stromen tot in het oneindige versneld worden, nota bene aangedreven door ons eigen machiniek verlangen, dan heeft dat ingrijpende gevolgen voor onze leef- en werkomstandigheden. Een paar van de ergste uitwassen zijn het afschuiven van het concrete vuile werk naar de globale periferieën, nieuwe vormen van seksistische en racistische uitbuiting die nauw met elkaar verweven zijn en nieuwe pathologische verschijnselen bij full-speed-subjecten in dit tijdperk van precarisering.
Maar het machinieke verlangen heeft als wensproductie ook een revolutionaire kant. Tegen de nieuwe subjectiveringen, tegen nieuwe vormen van atomiserende individualisering helpt het niet om de machines simpelweg de rug toe te keren, te bestormen of te saboteren; en de gangbare sociale patronen helpen al helemaal niet. Het is volkomen zinloos geworden om terug te verlangen naar een overheid die de samenleving in hokjes deelt, of een gemeenschap die zich van de buitenwereld afsluit. We moeten ons juist afvragen in wat voor machines de versneld-versnellende singulariteiten zich met elkaar kunnen verbinden, in plaats van terug te keren naar de identitaire compartimenten van de samenleving in het raster van het overheidsapparaat. Van welke aard is de nieuwe, bandeloze band van deze singulariteiten, die wel aaneengekoppeld maar niet gelijkgeschakeld worden? Hoe en waar ontstaan offensieve strategieën van versnelling, die communicatie en connectie nieuwe betekenis geven, verbonden door het ontbreken van een band?
Stichting Kunst en Openbare Ruimte