Tom McCarthy, Mexico-stad, Amsterdam

Open 18
2030: Oorlogszone Amsterdam
Een oefening in het onvoorstelbare
De contemporaine sociale werkelijkheid van Amsterdam, waarin de debatten rond sommige maatschappelijke ‘issues’ slechts weinig creatieve ontwikkeling vertonen, kan door het fictieve element van een oorlog in Amsterdam in 2030 in een radicaal ander daglicht worden gesteld. Via Amsterdam als testcase gaat dit nummer over vragen en problematieken die de hedendaagse Westerse stad in het algemeen aangaan: angst & veiligheid, privacy & biopolitiek, controle & militarisering, globalisering & virtualisering, commercialisering en neoliberalisme. Brigitte van der Sande, curator van het project ‘2030:War Zone Amsterdam, trad op als gastredacteur van dit nummer.
Met bijdragen van: Brigitte van der Sande, Willem Schinkel, Dirk van Weelden , Stephen Graham, Frank Furedi, John Armitage, Tom McCarthy, Wietske Maas en Matteo Pasquinelli, Eyal Weizman, Gert Jan Kocken en het Israëlische duo Adi Kaplan & Shahar Carmel.
Halverwege de jaren negentig woonde ik in Amsterdam. Ik bivakkeerde destijds in een kraakpand dat van alle gemakken was voorzien. Mijn onderbuurman was een Servische kunstenaar die performances gaf waarin hij met zijn handen over ramen klauwde. Het was misschien niet helemaal toevallig dat er in mijn kamer één ruit ontbrak. Nadat ik het gat had opgemeten en ergens een nieuwe ruit had laten snijden, stapte ik op de tram, maar de tramchauffeur weigerde me mee te nemen en zei in het Nederlands dat ik uit moest stappen. Ik verstond dat natuurlijk niet en een medereiziger vertaalde het voor mij, en voegde er op een wat sussende, uitleggerige toon aan toe dat “als de tram ergens op zou knallen, wij ons aan de glasscherven kunnen verwonden”. De manier waarop hij dat zei en beklemtoonde, liet er geen enkele twijfel over bestaan dat hij met 'wij' de Nederlandse reizigers bedoelde, en niet mij.
Toen de tram weer wegreed en ik hem op de stoep bleef na staan kijken, stelde ik me de enige trambotsing voor waar ooit ik van had gehoord: het tramongeluk in Mexico-stad in 1925 waarbij de kunstenares Frieda Kahlo, die achter een handwerksman zat die een zakje met stofgoud bij zich had, gespiest werd door een metalen paal en onder het goud kwam te zitten uit het gescheurde pakje. Die gebeurtenis vormde het uitgangspunt van haar werk, waarin zijzelf vaak figureert alsof ze door een of andere glorieuze ramp is getransfigureerd in een gepijnigde martelares.
De gewelddadige, katholieke pracht en praal van het Mexico van Kahlo leek die dag mijlenver verwijderd van het risicomijdende, puriteinse Holland. En toch hebben de Nederlanders vanaf het moment dat hun land ontstond onder de dreiging van een ramp geleefd. Het land waarop zij hun huizen hebben gebouwd en waar ze hun trams doorheen laten rijden is van de zee, die het terug wil hebben, afgepakt met behulp van dijken en polders die het basisprincipe hekelen dat je niet onder zeeniveau kunt leven. Ik denk dat Holland bij de meeste niet-Nederlandse kinderen van de wereld, inclusief mijzelf, het eerst tot de verbeelding spreekt door het verhaal van dat jongetje dat toen hij een gat in de dijk zag zijn vinger erin stak en de hele nacht zo bleef staan om zijn stad te redden. Zijn goede burgerzin is een typisch Hollands trekje, vertelde een Engelse timmerman me op een avond in een kroeg, niet lang nadat ik uit de tram was gezet: “Vroeger moest iedere burger, hoe rijk of vooraanstaand ook, ieder jaar twee of drie dagen meehelpen de dijk te verhogen. De gedachte was dat als de dijk het begaf, we allemaal naar de klote zouden gaan.”
Ik vroeg me af op wie dat wij ditmaal sloeg. De puriteinse theologie verdeelt de wereld in wij en zij. In een voorbeschikt universum waarin binnen afzienbare tijd de apocalyps zal plaatsvinden, zijn er enkelen aangewezen – vooraf aangewezen – als de Uitverkorenen, als hen die gered zullen worden, terwijl de anderen, de grote meerderheid let wel, verdoemd zijn. Zo staat het geschreven, en daar kan niets meer aan veranderd worden. Maar als iemand speelt alsof hij tot de uitverkorenen behoort, verwerft hij daarmee de uitverkoren status – een status die, omdat niet de speler maar de schrijver (God) zijn daden bepaalt, zichzelf bewijst, zichzelf bevestigt: een cirkelredenering die even potdicht zit als een polder.
De bar waarin de timmerman me uitlegde dat men vroeger gewoon was gezamenlijk de dijk op te hogen, stond op de Zeedijk, een plek waar vroeger, de naam zegt het al, de oude zeedijk van Amsterdam lag. In de straat barst het van de kroegen die tot diep in de nacht open zijn. Vroeger was er eentje die Mexico-stad heette; De val van Camus speelt zich daar af. In de roman praat de 'rechter-in-penitentie' Jean-Baptiste Clamence, net als mijn timmerman, met een anonieme verteller en vergelijkt de kaart van Amsterdam met zijn concentrische grachten met de topografie van Dantes Inferno. Tegenwoordig staan buiten de kroegen op de Zeedijk de buitenlandse drugsverslaafden rillend en schuifelend op straat te wachten op hun volgende shot. Terwijl hun Nederlandse tegenhangers heroïne op recept krijgen toegediend, worden deze moderne verdoemden rigoureus buiten de polder van de maatschappelijke gemeenschapszin gehouden en staan ze buiten tegen de ramen te klauwen. Voor hen is de apocalyps al begonnen en herhaalt ze zich eindeloos weer: elke dag is één lange, slepende ramp.
Camus' Clamence schrijft zijn eigen val toe aan zijn onvermogen, enkele jaren eerder, handelend op te treden en een vrouw van de verdrinkingsdood te redden: hij is net als zij tot onder zeeniveau gezonken. In de korte tijd dat ik in Amsterdam woonde kreeg mijn beeld van het Nederlandse jongetje met zijn vinger in de dijk merkwaardig Engelse trekjes: als van een jongetje dat zijn vinger uit het gat trekt met een gezicht dat niet meer onschuldig is maar gemeen grijnslacht, als het gezicht van Johnny Rotten met midden in twee maniakale, witte ogen, blinkend als marmeren chrysanten.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte