Willem Schinkel, De voortzetting van de stad met andere middelen

Open 18
2030: Oorlogszone Amsterdam
Een oefening in het onvoorstelbare
De contemporaine sociale werkelijkheid van Amsterdam, waarin de debatten rond sommige maatschappelijke ‘issues’ slechts weinig creatieve ontwikkeling vertonen, kan door het fictieve element van een oorlog in Amsterdam in 2030 in een radicaal ander daglicht worden gesteld. Via Amsterdam als testcase gaat dit nummer over vragen en problematieken die de hedendaagse Westerse stad in het algemeen aangaan: angst & veiligheid, privacy & biopolitiek, controle & militarisering, globalisering & virtualisering, commercialisering en neoliberalisme. Brigitte van der Sande, curator van het project ‘2030:War Zone Amsterdam, trad op als gastredacteur van dit nummer.
Met bijdragen van: Brigitte van der Sande, Willem Schinkel, Dirk van Weelden , Stephen Graham, Frank Furedi, John Armitage, Tom McCarthy, Wietske Maas en Matteo Pasquinelli, Eyal Weizman, Gert Jan Kocken en het Israëlische duo Adi Kaplan & Shahar Carmel.
Nu de politiek steeds vaker bewust buitenspel gezet wordt en allerlei maatregelen die eerder voor een uitzonderingstoestand gelden gelegitimeerd worden, komt de stad steeds verder onder druk te staan. Oorlogsretoriek en marketingstrategieën gaan samen in het formuleren van een stedelijk beleid, dat hoofdzakelijk is gericht op het aantrekken van de creatieve klasse en het integreren van de ‘onderklasse’. Ten aanzien van de toekomst van Amsterdam vraagt socioloog Willem Schinkel zich in een reactie op de slogan I Amsterdam af: wie en waar dan Amsterdam.
Een stedelijke overheid die de ‘creatieve klasse’ – en daar hoort praktisch de hele hogere middenklasse bij – wil aantrekken, werkt met een paradoxaal imagoapparaat. Enerzijds wordt de stad voorgesteld als een creatieve ruimte waarin innovativiteit, vermaak en culturele verheffing samenkomen in wat feitelijk een utopie is: een gelukzalige plaats die niet bestaat. Anderzijds wordt de stad voorgesteld als een dystopie: een ongelukkige plaats waarin criminaliteit, achterstanden en wat al niet meer heersen en waarin flink ingegrepen dient te worden om de stad aantrekkelijk te maken en te houden voor de middenklasse. Ook die plaats bestaat niet, maar het beeld ervan is effectief omdat het beleidsmobiliserend werkt. Wie iets aan ‘de wijken’ wil doen, moet alle semantische registers opentrekken om de situatie ernstig te doen voorkomen, want voor minder dan miljoenen gebeurt het niet in Rotterdam Zuid, in Den Haag Transvaal of in Amsterdam Slotervaart. De creatieve klasse op haar beurt heeft er alle belang bij om bij te dragen aan dystopische beelden van de stad omdat ze, volgens het klassieke patroon van gentrification, goedkoop kan wonen waar ze als pionier in de urbane jungle te boek staat. Het ultieme semantische register is in dit verband dat van de oorlog. Oorlogsretoriek is veelvuldig te horen in hedendaags stedelijk beleid. Het gaat daarin bijvoorbeeld om een ‘frontlijn’ waaraan ‘frontlijnwerkers’ bezig zijn die voldoende ‘slagkracht’ nodig hebben om ‘interventies’ te plegen. Op die manier is aan ‘stedelijke herovering’ te doen, soms zelfs met behulp van ‘stadsmariniers’ of ‘pandbrigades’.
Om het thema ‘Amsterdam at war’ op waarde te schatten, zou ik allereerst stil willen staan bij de hedendaagse – en misschien ook wel de toekomstige – betekenis van het concept oorlog. Daarna bespreek ik de rol van oorlogsretoriek en -metaforiek in de politieke economie van de stad en tot besluit stel ik in dat licht, in kritische dialoog met de hedendaagse stadsmarketing, de vraag ‘who Amsterdam?’
After the cold war: global warming?
Oorlog is in toenemende mate een metafoor. Echte oorlogen zijn meestal ofwel burgeroorlogen, ofwel ongelijke oorlogen tussen hoogtechnologische legers en hoogideologische guerilla’s. De tijd van de oorlog tussen natiestaten lijkt goeddeels voorbij. Dat heeft enerzijds te maken met de schaal van potentiële vernietiging die in de twintigste eeuw bereikt is. Een oorlog zou te kort duren om ‘oorlog’ te zijn of om een winnaar te hebben. Dat is wat verwoord werd met het dubbelzinnige acroniem ‘MAD’: Mutually Assured Destruction. Dat is waarom het einde van de Tweede Wereldoorlog niet vrede bracht, maar wat politiek commentator Walter Lippmann een ‘Koude Oorlog’ noemde.1 Vrede werd nu de voortzetting van oorlog met andere middelen. De huidige wereld tendeert naar een multipolaire machtsverdeling, waarin de situatie van de Koude Oorlog onverminderd relevant blijft. Maar het meeste dat voor oorlog doorgaat, is niet meer de oorlog die we sinds de moderniteit kennen. De moderniteit bracht feitelijk orde aan in de oorlogen in het Westen. Na de godsdienstoorlogen in de zestiende en zeventiende eeuw bracht de Vrede van Westfalen (1648) het begin van een systeem van interstatelijke verhoudingen, dat niet zo zeer de oorlog uitbande als wel reguleerde. Oorlogen werden relatief controleerbaar gehouden doordat ze gevoerd werden tussen soevereine natiestaten. Een typisch kenmerk van zo’n natiestaat was dat hij, bij voldoende grieven, een oorlog kon beginnen. Dat is dan ook precies één van de claims die expliciet verwoord worden in de Amerikaanse Declaration of Independence (1776): het recht een oorlog te beginnen.2 De toegenomen vervlechting van moderne natiestaten heeft ertoe geleid dat oorlogen tussen twee natiestaten schaarser geworden zijn. Oorlog is vervangen door diffusere vormen van de aanwending van politiek geweld. Maar het model van de oorlog, dat in meest ‘pure’ zin de politieke tegenstelling tussen ‘vriend’ en ‘vijand’ kenmerkt, zoals politiek filosoof Carl Schmitt die geformuleerd heeft, leeft daarentegen, zij het paradoxaal genoeg in sterk gedepolitiseerde zin, meer dan ooit. Oorlog is een metafoor, een retoriek die reële effecten heeft. Zo konden de Verenigde Staten recent alleen twee ‘ouderwetse’ oorlogen tegen natiestaten (Afghanistan en Irak) voeren omdat het de retoriek van de oorlog gebruikte om een situatie te beschrijven die niet voldeed aan de kenmerken van een oorlog: de ‘war on terror’ was een retorische hercodering van het conflict tussen de VS en terroristen van Al Qaida die uiteindelijk twee oorlogen kon legitimeren. Maar er zijn bijvoorbeeld ook een ‘war on poverty’ (Lyndon B. Johnson, 1964) en een ‘war on drugs’ (Richard Nixon, 1969). In de stedelijke politiek die gericht is op wat ooit bekend stond onder de naam ‘urban crisis’ convergeren dergelijke oorlogen.
Het sociaal-hypochondrische management van het vijandbeeld
Oorlogsretoriek leidt feitelijk tot een verplaatsing van oorlog wat Jacques Rancière van ‘politiek’ naar ‘politie’ noemt. Onder ‘politie’ verstaat hij het rationele management van de samenleving, het distribueren en legitimeren van plaatsen en rollen. Politie is zo het supplement van politiek, het postpolitieke regeermoment dat het noodzakelijke medium van politiek is, waarbij politiek door Rancière begrepen wordt als datgene wat breekt met de orde van de politie, de plaats van datgene dat geen plaats heeft, het ‘part of no part’.3 Daarmee is een rationeel management van het vijandbeeld ontstaan, dat zich niet aan het propagandamodel houdt, maar aan het politiemodel. De vijand wordt geen vijand, maar een pathologisch verschijnsel dat ‘geïncludeerd’ moet worden. En juist de poging tot inclusie bewerkstelligt een permanente exclusie in die zin dat er een permanent strijdperk van stedelijke politie mee wordt aangeduid. In een tijd waarin politiek zich postideologisch afficheert met idealen die niet verder reiken dan het instandhouden van economische groei en het bewaken van ‘leefbaarheid’ en ‘veiligheid’ is politiek niets meer of minder dan de – over heel het politieke spectrum gedeelde – legitimatiemachine voor de selectieve pathologisering van de urbane populatie. Een machine die zich op zijn beurt legitimeert via de zinspeling op die urbane populatie, namelijk via het populistische argument van het opkomen voor ‘de mensen in de wijken’.
De postpolitieke context hiervan is te zien als de conditie (de zwakke conditie) die ik met het symbool ‘sociale hypochondrie’ heb geduid.4 Dat symbool sluit aan op een lichamelijkheidsmetaforiek waarmee het sociale en politieke leven door de geschiedenis heen is beschreven. Net als het menselijk lichaam was de samenleving naar organicistisch beeld een geheel dat uit delen bestond. Een voorbeeld van zo’n lichamelijke voorstelling van de samenleving is Plato’s beeld van de polis. Bovenaan, aan het hoofd van het sociaal lichaam, stond de logos ofwel de filosofen-regenten. Daaronder bevond zich de nobele inborst, de thymos, bron van de hogere strevingen. Op die plek in het sociaal lichaam bevonden zich de wachters. En net als in het menselijk lichaam zag Plato de onderste regionen van het sociaal lichaam als bron van de lagere strevingen, de eros. In de polis stond die gelijk aan het gewone volk. Tegenwoordig hebben we een maatschappijbegrip dat nog steeds kenmerken heeft van een oud lichamelijkheidsdenken. We denken over de samenleving als een geheel dat uit individuele delen bestaat, we zijn bezorgd om ‘cohesie’ en ‘integratie’ – typisch lichamelijkheidsterminologie – en we dichten de samenleving een boven- en een onderkant toe. Er is namelijk zoiets als een ‘maatschappelijke ladder’. Over de onderkant van de maatschappij wordt, als over iedere onderkant, negatief gesproken. Het problematiseren van de onderkant van de maatschappij, dat is dus, net als bij Plato, een erotisch denken. De belangrijkste erogene zones van de maatschappij, die bevinden zich onderaan het sociaal lichaam. Daarom zijn de hedendaagse beschavingsoffensieven vormen van zedenpolitiek, die tot doel hebben de erotiek van de onderste regionen te disciplineren conform de normen en waarden van de goede maatschappelijke zeden. Die erotische zelfbetasting van het maatschappelijk lichaam is een typische vorm van sociale hypochondrie. Sociale hypochondrie ontstaat op het moment dat dat maatschappelijk lichaam niet langer onderweg is naar een eind-doel, maar met zichzelf opgescheept zit. Het gelooft niet langer werkelijk in de Vooruitgang of in het Laatste Oordeel – het heeft integendeel de Vooruitgang ontmaskerd als het Laatste Vooroordeel. Het is dus een lichaam met geamputeerde benen, het gaat niet meer ergens naartoe en zit stil, richt de aandacht op zichzelf, gaat zichzelf betasten en vindt dan allerhande kwaaltjes en ziektes. De meest algemene noemer waaronder die bekend staan is zonder twijfel die van de ‘integratie’. Maar ‘integratiebeleid’ is in de afgelopen jaren steeds verder gelokaliseerd. Het is zich gaan richten op de grote stad, en in de stad op de wijk of de buurt. De stad is, zoals bij Plato de polis, maar ook later, zoals bijvoorbeeld Richard Sennett heeft laten zien, even vaak als organisme gezien.5 En de stad is tegenwoordig het lichaam waarop quasi-militaire operaties uitgevoerd worden. De ‘frontlinie’ van beleid, die bevindt zich in de stad. De loopgraven van de politieke economie van de stad liggen in de buurten die door armoede gekenmerkt worden. Armoede komt daarbij vaak samen met etniciteit in die zin dat diegenen die een ‘niet westerse etniciteit’ hebben relatief bij de armsten horen en tevens verreweg de belangrijkste focusgroepen van integratie-, burgerschaps-, leefbaarheids-, veiligheids- en sociale cohesiebeleid zijn. Eén van de meest prevalente vijandbeelden is dus dat van de vreemdeling. De figuur van de hostis, zowel de gast als de vijand,6 bevat in één woord de tegenwoordig belangrijkste configuratie van vriend (‘samenleving’) en vijand (de vreemdeling die, in een ruimtelijke metafoor, ‘buiten de samenleving staat’). Maar voordat de vreemdeling als vijand wordt geconcipieerd binnen populistische retoriek, grijpt stedelijk beleid aan op de figuur van de ‘niet geïntegreerde’, die meer in het algemeen de ‘niet geciviliseerde’ kan zijn, de niet op de moderne economie aangepaste: de alleenstaande moeder (veelal ‘Antilliaans’), de thuiszittende moeder (veelal ‘Marokkaans’), de schooluitvallende jongere (meestal ‘jongen’). Een vijand is er dus in zekere zin, maar dat is niet de vijand die zo diametraal antagonistisch tegenover de vriend staat, zoals in de politieke theorie van Carl Schmitt. Het is veeleer de vijand die tegelijkertijd gast is. De vreemdeling die nabij genoeg is om compleet geïncludeerd en geassimileerd7 te worden, de persoon die nog geciviliseerd moet worden tot hij een autonoom, tolerant subject is. De ‘suitable enemy’,8 weliswaar een ‘enemy within’ maar vooral bedreigend vanwege zijn pathologische afwijking. Als er oorlog gevoerd wordt in de stad, is het de strijd in de ‘frontlinie’ van stedelijk beleid waarin de transformatie van die vijand op het spel staat. Die oorlog is er één om de erogene zones van de stad, de ‘inside outsider’s spaces’,9 die ‘veiligheidsgebieden’ of ‘hot spots’ die het ‘putje’ van de stad behuizen, de onderkant die niet verdwijnt zolang er ook een bovenkant is en die dus een quasi-permanent object van politie dreigt te worden.
Oorlog in de stad: geen militarisering maar depolitisering
Een op het management van die groepen ingestelde politie, om dus met Rancière te spreken, stelt zich in de positie te brengen wat constitutief is voor de democratie: betrokken burgers, veiligheid, een sociale band. Dat is waarom het geen politiek is die de hedendaagse stad kenmerkt. Stedelijk beleid bijvoorbeeld op het gebied van wat momenteel modieus ‘sociale samenhang’ heet, produceert wat als voorwaarde voor politiek gezien wordt – een productieproces dat zelf noodzakelijkerwijs vooraf gaat aan het politieke. De utopische hoop die spreekt uit Rancières notie van ‘politiek’ (politiek als het antagonistische spreken van hen die geen stem hebben) laat ik hier voor wat ze is. Het gaat me om de toenemende dominantie van een postideologische vorm van populatiemanagement (‘politie’) die een steeds sterker ruimtelijk en lokaal karakter heeft. Michel Foucault heeft in zijn colleges aan het Collège de France beschreven hoe ‘police’ in Frankrijk van de zeventiende tot de negentiende eeuw iets heel anders betekende dan tegenwoordig. Er werd een ensemble aan technieken mee aangeduid, die betrekking hadden op uiteenlopende sferen als openbare orde, stedelijke hygiëne, gezondheid, publieke administratie, et cetera. In meest algemene zin werd ‘politie’ omschreven als het administratieve bestuur van een gemeenschap.10 Feitelijk al het ‘goede’ gebruik van de macht van de staat werd als ‘politie’ gezien.11 Rancières begrip van politie verwijst terug naar Foucault’s analyse daarvan.12 En wanneer Rancière de politie zelf omschrijft als “not so much the ‘disciplining’ of bodies as a rule governing their appearing, a configuration of occupations and the properties of the spaces where these occupations are distributed” heeft dat misschien een nog te eng economische focus.
De ruimtelijke focus is niettemin evident. Evenals in Foucault’s analyse heeft ‘politie’ betrekking op een zeker milieu van de gemankeerde gemeenschap. Het hedendaagse politiebegrip is bovendien weer aan het transformeren op zo’n manier dat het weer dichter in de buurt lijkt te komen van het eerdere begrip dat Foucault beschreven heeft. ‘De’ politie is tegenwoordig onderhevig aan een uitdijende hoeveelheid functies en kent een uitdijende hoeveelheid functionarissen. Dat wordt met name in de stad duidelijk. Niet alleen opereert de politie van tijd tot tijd in ‘publiek-private partnerschappen’,13 ze kent ook een toenemende inschakeling van ‘stadswachten’ en burgers. Stadswachten hebben arrestatiebevoegdheden gekregen en burgers worden ingeschakeld als wat Jane Jacobs ‘ogen op de straat’ noemde,14 zij het ditmaal ook als ‘ogen van de staat’. Burgers worden, vaak met veel eigen initiatief ingeschakeld als buurtvader of als ‘burger in blauw’, compleet met (blauw) uniform. In het algemeen wordt de burger ‘geresponsabiliseerd’. De neoliberale nadruk op de ‘eigen verantwoordelijkheid’ gaat probleemloos samen met een conservatief-communitaristische nadruk op ‘gemeenschap’. Het is die combinatie, die ‘neoliberaal communitarisme’ genoemd kan worden,15 die het individu situeert in een milieu dat gemanaged kan worden. Met name op het gebied van ‘veiligheid’, dat zonder problemen overgaat in een problematisering van ‘vuiligheid’ (bijvoorbeeld volgens de ‘broken windows’ ideologie die in Nederland zijn vertaling vindt in ‘schoon, heel en veilig’ en ‘rust, reinheid en regelmaat’), is die responsabilisering het verst gevorderd.16 Maar die evolutie van ‘de’ politie is eenvoudigweg onderdeel van een bredere ontwikkeling van politiek naar politie. Ik zou onder ‘politie’ dan ook willen verstaan een geheel van praktijken en principes dat als object het ruimtelijk management van populaties heeft.
Het toenemende ruimtelijke optreden van ‘de politie’ vindt plaats op basis van technieken die onderdeel van deze ‘politie’ zijn. De analyse van ‘criminogene ruimten’, de actuariële inschatting van individuele risico’s op basis van geaggregeerde data, de ‘aanpak’ van een mengeling van ‘overlast en criminaliteit’ die het domein van de criminaliteit in effect uitbreidt en daarmee de stedelijke dystopie versterkt en haar object van politiecontrole verder fixeert. Dat alles wordt in toenemende mate gevat in termen van een ‘gebiedsgerichte aanpak’ waarbij zowel een ‘persoonsgerichte aanpak’ als een ‘groepsgerichte aanpak’ onderscheiden worden op basis van commercieel beleidsadvies. Daarbij ligt het verschil tussen de laatste twee ‘aanpakken’ met name in de grootte van het in de aanpak meegenomen milieu (alleen familie of ook verder). Bestuurlijke maatregelen als gebiedsverboden, collectieve winkelontzeggingen en openbaar vervoer verboden komen daar nog bij.
Een onmiddellijk effect van het ontstaan van een dergelijke politie is een depolitisering van de verhouding tussen geprivilegieerden en niet-geprivilegieerden. Of nog fundamenteler: een depolitisering van het politieke antagonisme per se, een sublimering van de spanning die ‘het politieke’ genoemd kan worden.17 De depolitisering noemde Schmitt ook wel een neutralisering van het politieke antagonisme, omdat de ‘vijand’ nu rationeel gemanaged wordt en niet langer op hetzelfde vlak verschijnt als de ‘vriend’.18 De vijand wordt gemoraliseerd en – puur kantiaans gedacht paradoxalerwijs – gepathologiseerd. Wetenschappers die zich als ‘social pathologists’19 gedragen zoomen in op de stad en kaderen zones af die door ‘multiproblematiek’ gekenmerkt worden. Beleidsmakers trekken erop uit om áchter de voordeur en ín de baarmoeder in te grijpen. Steeds intiemere sferen – in Sloterdijks terminologie als psychosociale ruimtebubbels ofwel ‘autogene vaten’20 – worden opengebroken om pathologische discontinuïteiten met de sfeer van het statistisch normale te doorbreken. Het lokaliseerbare private, de oikos, wordt de exclusieve focus van een politiewerk dat daarmee het publieke, de polis, maar daarmee ook de kritische bevraging van fundamentele economische distributies, dreigt te vergeten. De publieke sfeer is een republikeinse hoop die juist in de neoliberaal communitaristische nadruk op ‘eigen verantwoordelijkheid’ en ‘civil society’ ontmaskerd wordt als depolitiserende afleidingstactiek: tússen markt en staat, en dus onder acceptatie van die positie, van ga daar je utopisch spelletjes spelen, zodat noch markt, noch staat aan wezenlijke kritiek onderhevig zijn. Onderwijl woedt een stille oorlog aan het politiefront die met iedere ‘innovatieve beleidsinterventie’ een verdere depolitisering bereikt. Het politieke, dat kan nog slechts in de groteske vervorming van vragen over ‘privacy’ aan de orde komen.
Op cultureel vlak vindt zo een depolitisering plaats op grond van wat politicoloog Wendy Brown analyseert als het idee van ‘tolerantie’ dat als civiliserend machtsinstrument gebruikt wordt.21 De identificatie van wat ‘liberaal’ en ‘westers’ is met ‘tolerantie’ legitimeert een intolerantie op basis van de tolerantie22 die nooit politiek weersproken wordt, omdat de spreker zich buiten de orde van de tolerantie zou plaatsen. Stedelijke gebieden waar de ‘barbaren’ (Wendy Brown) leven die niet voldoen aan het idee van westerse maar niettemin universele tolerantie worden met ‘zero tolerance’ retoriek ‘aangepakt’. Op economisch vlak vindt vervolgens een depolitisering plaats door het economische – klassenposities bijvoorbeeld – om te coderen tot het culturele – tot ‘gedragscodes’, ‘straatcultuur’ of ‘cultuur’ sec. Daarmee wordt de Möbius-strip van de depolitisering voltooid want de culturele overcodering van het economische brengt het beheer van de stedelijke bevolking (politie; ‘beleid’) steeds terug bij de oppositie tussen het gevorderde en het achtergeblevene, het mobiele en het stationaire (de ‘achterstand’).
De uitzondering als regel: de stad als oorlogszone?
De militarisering van de stad is door verschillende stadssociologen beschreven. Mike Davis laat bijvoorbeeld zijn hoe Los Angeles meer en meer lijkt op een gebied ‘under siege’. De angst voor criminaliteit leidt tot een ‘Fortress L.A.’, hetgeen volgens Davis een vernietiging van de publieke ruimte betekent.23 Nog sterker ziet Davis in een recent boek de autobom als het paradigma van de nieuwe – stedelijke – oorlogvoering.24 Maar de ‘oorlog’ die de Nederlandse stad in toenemende mate kenmerkt, is waarschijnlijk niet een gemilitariseerde oorlog. Het gaat veeleer om de constructie van asymmetrische vijandbeelden door middel van politie. De ‘vijand’ wordt daarbij gemanaged, zowel in de zin van een ‘containment’ (de Koude Oorlog-doctrine) als in de zin van een prepressie: een preventie die feitelijk een aanpassing en repressie van ongewenste levensvormen behelst. Waarom focust deze politie-vorm van populatiebeheer zich nu zo sterk op ruimte in het algemeen en de stad in het bijzonder? Omdat tijd niet meer een ideologische categorie is. De modernistische Grote Verhalen, niet in het minst het marxisme, waren getemporaliseerde schema’s van toekomstige emancipatie.25 Zulke narratieven hebben aan omvattende plausibiliteit ingeboet en hebben plaatsgemaakt voor lokale vormen van populatiemanagement die niet langer door politiek maar door politie gekenmerkt worden. Dat is waarom we vaker horen dat ‘de klok op even voor twaalf staat’. De enige tijd die ertoe doet is het ‘nu’; there’s – literally – no time like the present. De moderniteit bereikt daarmee zijn eindbestemming. Moderniteit, dat was altijd al de enige tijd die zichzelf karakteriseerde via het modo, het ‘nu’. De nieuwe urbane oorlogstoestand wordt gekenmerkt door een morele legitimatieretoriek die behelst dat de problemen nú zo hemeltergend zijn dat bijzondere, zelfs uitzonderlijke maatregelen vereist zijn. De noodtoestand wordt retorisch aangekondigd. Giorgio Agamben heeft beschreven hoe de soevereine uitzonderingspositie het dominante paradigma van hedendaagse politiek is geworden.26 Daarmee beschrijft hij een ontwikkeling waarin politiek steeds vaker door bestuur buitenspel gezet wordt. Dat leidt volgens Agamben tot de productie van wat de Romeinen de homo sacer noemden, de vogelvrije die zich buiten de gemeenschap bevindt die zich door het recht kenmerkt. De uitzondering en de hors la loi verklaring zijn echter niet de absolute, onbevuilde categorieën die Agamben vooronderstelt. De politie van ‘marginalen’ in de stad neemt steeds vaker de vorm aan van de quasi-uitzondering, waarbij urbane zones in en uit de sfeer van het recht bewegen en subjecten gedeeltelijk tot homo sacer getransformeerd worden voor de implementatieduur van een bepaald beleidsinstrument.27 De insluitende uitsluiting van de homo sacer is in realiteit diffuser dan Agamben haar doet voorkomen.
Precies de veralgemenisering van de uitzonderingstoestand zet de definitie van de gemeenschap gebonden door het recht (bíos) vis-à-vis het door uitsluiting ingesloten naakte leven (zoè) voortdurend op het spel. De gemeenschap is zo in een permanente staat van beleg. Een ‘staakt het vuren’ is in die situatie de opheffing van de gemeenschap zelf. Dus ‘global warming’ is niet het enige dat, zoals kunstenaar/schrijver Dan Perjovschi in 2007 in het New Yorkse MOMA aantekende, na de ‘cold war’ komt. Oorlog dreigt in de toekomst een urbane conditie te zijn, een fase waar de stad in en uit kan glijden, een uitzondering die de regel dreigt te worden.
Conclusie: ‘who Amsterdam’ in 2030?
De huidige slogan van de Amsterdamse city marketing is ‘I Amsterdam’. Daarin is perfect de paradoxale combinatie van neoliberaal communitarisme verwoord. Enerzijds het narcistisch-cartesiaanse primaat van het ‘ik’ of liever het ‘ik ben’. Dat ‘ik ben’ krijgt geen andere kwalitatieve invulling dan die van een naadloze overlap met de stad. Het ‘ik ben’ is onlosmakelijk verbonden met ‘Amsterdam’ en daarmee wordt aangegeven dat het ‘ik’ alleen kan zijn wanneer het zich voegt naar de regels van de stad. De organicistische hunkering naar de naadloze overlap tussen individu en collectief is hier ingezet als marketinginstrument. En als iedere marketingcampagne wordt een fictie gepresenteerd van een overlap die niet frictieloos bestaat. En als ik dan mag speculeren over de stand van zaken in 2030: achter het imago van de stad gaat een permanente strijd schuil om de criteria van inclusie in het ‘gemarkete’ beeld van de stad. Die neemt de vorm aan van een ‘perpetual war’, maar zeker niet op de manier waarop Noam Chomsky die ziet. Deze oorlog die, als iedere oorlog in een tijd van globalisering, een burgeroorlog is, wordt niet als zodanig (h)erkend omdat hij gevoerd wordt in de vorm van politie, als stedelijk beleid gericht op populatiebeheer. Die wordt wellicht, voor zover dat toeristen niet afschrikt, met de bellicose retoriek van de stedelijke dystopie gevoerd, maar het is geen ‘oorlog’ in enige bekende zin. Het is geen gevecht om het ‘getto’, dat Nederland niet heeft en ongetwijfeld over twintig jaar niet zal hebben. Kenmerk van een getto is dat je er niet uit weg kunt; wat geproblematiseerd wordt als nadelig voor de leefbaarheid van stadswijken is integendeel de hoge verhuissnelheid. Eerder zal Amsterdam in 2030 nieuwe technieken van de ruimtelijke fixatie van een object van assimilatiegerichte politie uitgevonden hebben. Het is daarbij heel goed denkbaar dat het individuele lichaam via biometrische indicatoren, een rol zal gaan spelen. Het outsourcen van de politiek gaat immers gepaard met een outsourcen van de controle op het individu. Populatie- en locatiespecifiek zullen we mogelijkerwijs het optuigen van een nieuwe vorm van surveillance zien. Niet langer van panoptische surveillance, maar van zelfveillance: een vorm van zelfcontrole waarin het lichaam zowel controlerende als gecontroleerde instantie is.28 De irisscan voor de ‘frequent flyer’ op het vliegveld is het kosmopolitische voorbeeld daarvan. Het equivalent in de voor die kosmopoliet verder onzichtbare strijd tegen de degeneratie van de stedelijke gemeenschap is wellicht het implantaat dat signaleert wie (behorend tot arme, etnisch minoritaire en/of criminele subpopulaties) zich waar in de stad begeeft. Dat incorporeert de uitzonderingstoestand ín het biologische leven, dat dan op de ene tram tot de bíos van de gemeenschap behoort, maar op de andere tot de zoè van het naakte leven waarvoor delen van het recht om statistische redenen (de afwijking van de ‘normale populatie’) opgeheven zijn. Zelfveillance assembleert individuen uit dividuen. Personen die als dividuen (bit by bit) verspreid zijn over verschillende controlesystemen, worden tot in-dividu geassembleerd zodra een attributie van naakt leven plaatsvindt. Drager van die attributie (een zelfidentificerende chip bijvoorbeeld) zijn zijzelf – een zelf, voor zover als het zichzelf controleert.29 Het zelf van dat individu is daarmee een effect van de controle erop – die het zelf uitvoert (zoals ook pas met de zelfcontrole aan de metrotourniquet ‘(in)eligibility’ duidelijk wordt). De controle produceert het gecontroleerde zelf, omdat de controle een signaal betekent dat tot een contingente samenvoeging van data leidt – in de ene wijk betekent dat bijvoorbeeld dat een persoon ‘illegaal’ verblijft; in de andere niet. De urbane ‘oorlog’ die ik me in Amsterdam in 2030 kan voorstellen, is er zo een. Aan de achterkant van het gebod ‘I Amsterdam’ zullen de eerste schermutselingen van die onzichtbare strijd zichtbaar worden. Voor de kunst lijkt het me zaak zich tegen de gesublimeerde creativiteit van de ‘creatieve klasse’ te keren en zich niet te identificeren met de identificatie ‘I Amsterdam’. Het moet er denk ik veeleer om gaan creatief te vragen wie en ook: waar dan, Amsterdam?30
1. Walter Lippmann, The Cold War. A Study in U.S. Foreign Policy (New York: Harper Row, 1947).
2. The Declaration of Independence (New York: Bantam Books, 1998 *) p. 58.
3. Jacques Rancière, Disagreement. Politics and Philosophy (Minneapolis: University of Minnesota Press, 1999) pp. 28-30.
4. Zie: Willem Schinkel, Denken in een tijd van sociale hypochondrie. Aanzet tot een theorie voorbij de maatschappij (Kampen: Klement, 2007).
5. Richard Sennett, Flesh and Stone. The Body and the City in Western Civilization (New York: W.W. Norton, 1994).
6. Zie: Jacques Derrida, Over gastvrijheid (Amsterdam: Boom, 1998).
7. Vergelijk: Loïc Wacquant, Urban Outcasts. A Comparative Sociology of Advanced Marginality (Cambridge: Polity, 2008).
8. Vergelijk: Loïc Wacquant, ‘Suitable enemies. Foreigners and immigrants in the prisons of Europe’, in: Punishment & Society (1999), 1(2), pp. 215-222.
9. Keith J. Hayward, City Limits: Crime, Consumer Culture and the Urban Experience (Londen: Glasshouse Press, 2004).
10. Michel Foucault, Sécurité, territoire, population. Cours au Collège de France, 1977-1978 (Parijs: Seuil/Gallimard, 2004), pp. 320-321.
11. Ibid., p. 321.
12. Jacques Rancière, (1999): op. cit., p. 28.
13. Zie bijvoorbeeld in internationaal vergelijkend opzicht: Trevor Jones en Tim Newburn (red.) Plural Policing. A Comparative Perspective (Londen: Routledge, 2006).
14. Jane Jacobs, The Death and Life of Great American Cities (New York: Vintage, 1961). p. 35.
15. Zie: F. van Houdt en W. Schinkel, ‘The double helix of cultural assimilationism and neoliberalism: interpreting recent transformations of the concept of citizenship in the Netherlands’. Forthcoming (2009).
16. Vergelijk hierover: David Garland, The Culture of Control: Crime and Social Order in Contemporary Society (Chicago: Chicago University Press, 2001).
17. Zie bijvoorbeeld: Claude Lefort, Essais sur le politique: XIXe-XXe siècles. Paris: Seuil, 1986); Sheldon Wolin, Politics and Vision. Continuity and Innovation in Western Political Thought (Princeton: Princeton University Press, 2004).
18. Carl Schmitt, ‘Das Zeitalter der Neutralisierungen und Entpolitisierungen’, in: Idem, Der Begriff des Politischen (Berlijn: Duncker & Humblot, 2002), pp. 79-95.
19. C. Wright Mills, ‘The Professional Ideology of Social Pathologists’, in: Irving Louis Horowitz (red.), Power, Politics and People: The Collected Essays of C. Wright Mills (New York: Oxford University Press, 1969), pp. 525-552.
20. Zie: Peter Sloterdijk, Sphären I: Blasen. Frankfurt/M.: Suhrkamp, 2000), pp. 60-61.
21. Zie: Wendy Brown, Regulating Aversion: Tolerance in the Age of Identity and Empire (Princeton: Princeton University Press, 2006), p. 13vv.
22. Zie hierover tevens: Willem Schinkel, op.cit. (2007); Willem Schinkel, De gedroomde samenleving (Kampen: Klement, 2008).
23. Mike Davis, City of Quartz: Excavating the Future in Los Angeles (Londen: Verso, 1990).
24. Mike Davis, Buda’s Wagon: A Brief History of the Car Bomb (Londen: Verso, 2007).
25. Zie bijvoorbeeld: Edward W. Soja, Postmodern Geographies: The Reassertion of Space in Critical Social Theory (Londen: Verso, 1989)
26. Giorgio Agamben, Homo Sacer. Sovereign Power and Bare Life (Stanford: Stanford University Press, 1998).
27. Zie: Willem Schinkel en Marguerite van den Berg, ‘City of Exception. Revanchist Urbanism and the Urban Homo Sacer’. Forthcoming (2009).
28. Willem Schinkel, ‘De nieuwe technologieën van de zelfcontrole: van surveillance naar zelfveillance’, in: Marguerite van den Berg, Marcel Ham en Corien Prins (red.): In de greep van de technologie. Hoe we kwetsbaarder en onafhankelijker worden (Amsterdam: Van Gennep, 2008), pp. 171-187.
29. In 2007 was in het nieuws dat Mexico Zuid-Amerikaanse migranten die de zuidelijke grens van Mexico overtrekken zou gaan voorzien van een chip om hun bewegingen in de gaten te houden. Het bleek uiteindelijk niet om biochips te gaan, maar om chipkaarten.
30. Vgl. Peter Sloterdijk, Sphären I: Blasen. Frankfurt/M.: Suhrkamp, 1998), p. 644: “wo sind wir, wenn wir im Ungeheuren sind?”
Stichting Kunst en Openbare Ruimte