John Armitage, In de steden voorbij de stad. Een interview met Paul Virilio
.
Open 18
2030: Oorlogszone Amsterdam
Een oefening in het onvoorstelbare
De contemporaine sociale werkelijkheid van Amsterdam, waarin de debatten rond sommige maatschappelijke ‘issues’ slechts weinig creatieve ontwikkeling vertonen, kan door het fictieve element van een oorlog in Amsterdam in 2030 in een radicaal ander daglicht worden gesteld. Via Amsterdam als testcase gaat dit nummer over vragen en problematieken die de hedendaagse Westerse stad in het algemeen aangaan: angst & veiligheid, privacy & biopolitiek, controle & militarisering, globalisering & virtualisering, commercialisering en neoliberalisme. Brigitte van der Sande, curator van het project ‘2030:War Zone Amsterdam, trad op als gastredacteur van dit nummer.
Met bijdragen van: Brigitte van der Sande, Willem Schinkel, Dirk van Weelden , Stephen Graham, Frank Furedi, John Armitage, Tom McCarthy, Wietske Maas en Matteo Pasquinelli, Eyal Weizman, Gert Jan Kocken en het Israëlische duo Adi Kaplan & Shahar Carmel.
Op verzoek van de redactie van Open interviewde cultuurtheoreticus John Armitage de Franse urbanist en filosoof Paul Virilio (Parijs, 1962). Een gesprek over de toekomst van de stad.
Virilio's futuristische essays over de oorlogsgebieden, architectuur en kritische theorie, die vaak zijn opgevat als radicale ideeën over stadsplanning en de militarisering en organisatie van grondgebied, zijn verschenen in een groot aantal boeken, tijdschriften en tentoonstellingscatalogi. Een thema dat daarbij telkens weer terugkeerde was de kwestie rond de kritische ruimte, een kwestie die hij aan de orde stelde in zowel de tentoonstelling ‘Bunkerarcheologie’ (1975) in het Musée des Arts Décoratifs als in ‘Terre Natale, Ailleurs commence içi’, een tentoonstelling die hij in 2009 samenstelde met Raymond Depardon voor de Fondation Cartier pour l'Art Contemporain. Virilio's onderzoek naar de invloed van nieuwe informatie- en communicatietechnieken en de gevolgen van mobiele telefonie, videocamera's en internet houdt zich vooral bezig met de daaruit voortvloeiende aanpassingen van steden zoals Amsterdam, en inspireert nu tal van interdisciplinaire onderzoekers op het gebied van de kunsten en de mens- en sociale wetenschappen. Het interview van John Armitage met Paul Virilio is onderdeel van een fascinerende discussie die vooral ingaat op Virilio's L'Université du désastre (2007) en Le Futurisme de l'instant: Stop-Eject (2009)1 – en is van belang voor iedereen die zich interesseert voor de relatie tussen kunst en stedelijke onrust, de geopolitiek van de openbare ruimte, snelheid en de huidige technologische revolutie.
John Armitage: Professor Virilio, voor we het gaan hebben over uw conceptualisering van de eigentijdse stad zou ik graag eerst met u willen ingaan op het begrip oorlogsgebied, dat toch de drijvende kracht achter uw theoretische inzet is geweest om onze kennis over technologie en de stad uit te breiden.
Paul Virilio: Ik ben in de allereerste plaats een kind van de oorlog. Maar ik ben ook een stadskind. Daarbij komt dat de Tweede Wereldoorlog, de oorlog van mijn jeugd, niet alleen een stedelijke oorlog was, maar ook een hypertechnische oorlog, een oorlog van transportmiddelen, gepantserde wagens, luchtbombardementen op steden, de ontwikkeling en het gebruik van telecommunicatie, radio, radar en zo meer. Ik ben kortom een kind van een oorlog waarin technologie van doorslaggevend belang was bij de vernietiging van steden. Dat laatste is heel belangrijk omdat de stad zoals we weten van meet af aan de uitgelezen plek voor technologie was. Technologie ontstond niet in de eerste plaats op het veld of in de bergen. Technologie ontstond vooral in de steden, door de ontwikkelingen in de kunst en nijverheid en door het werk van kunstenaars en handwerkslieden. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog concentreerden de technologie en de moderne industrie zich in de moderne steden en hun buitenwijken. Met als gevolg dat juist de moderne steden vernietigd moesten worden in de Tweede Wereldoorlog.
JA: In hoeverre voegt uw positie als criticus van de kunst van de techniek iets toe aan ons begrip van oorlogen, technologie en steden?
PV: Dat zal ik uitleggen: net zoals je kunt zeggen: 'Ik ben criticus en houd me bezig met schilderkunst' of beeldende kunst, beeldhouwkunst, of zelfs met architectuur, kun je ook zeggen: 'Ik ben criticus en richt me op de kunst van de technologie'.2 Toch is mijn reactie of antwoord op uw vraag eigenlijk dat het onderzoek naar en de verklaring voor oorlogen, technologie en steden, in mijn ogen althans, sterk met elkaar samenhangen.
JA: In dat geval kunnen we misschien beginnen met de centrale thema's rond uw concept van de stad. Hoe ligt volgens u bijvoorbeeld de relatie tussen steden en de staat, tussen steden en de politieke macht? Als ik het goed heb begrepen overstijgt volgens u de real time van informatie- en communicatietechnieken, van internet, mobiele telefonie enzovoorts, inmiddels de werkelijke ruimte van de stad. Maar wat zeggen dit soort ontwikkelingen over de toekomst van wat we geografisch gebonden of geopolitieke steden kunnen noemen, of over het lot van de Global City, de wereldstad, zoals de stadssociologe Saskia Sassen dat in haar boek noemt?
PV: In mijn ogen zijn steden in de allereerste plaats plekken of locaties. Maar laat me benadrukken dat in het Westen althans steden ook plekken of bakens van de staat zijn. Steden waren in de eerste plaats stadstaten. Pas na de fase van de stadstaat werden steden deel van de natiestaat en tegenwoordig van federaties van natiestaten, zoals de Europese Unie. Steden zijn dus plekken waar de macht zich concentreert. Stedelijke agglomeraties zijn plaatsen waar niet alleen rijkdom, maar ook macht accumuleert. Vandaar dat je een stad kunt beschouwen als een staat-binnen-de-staat, als de oorspronkelijke toestand van de huidige natiestaten. Voordat de steden uitgroeiden tot 'megapolis' en 'megalopolis' functioneerden ze geheel in lijn met de logica van de geopolitiek van stadstaten en natiestaten.
Mijn stelling is echter dat we inmiddels een kritieke grens hebben bereikt als het over steden gaat. Dat komt heel simpel omdat, zoals u al opmerkte, de real time van informatie- en communicatietechnieken inmiddels de werkelijke ruimte van de stad te boven gaat en overstijgt. Vandaar dat we ons er bewust van worden, en dat is écht heel belangrijk, dat het wel eens gedaan zou kunnen zijn met wat u geopolitieke steden noemt. Geopolitieke steden maken plaats voor wat ik in Le futurisme de l'instant 'steden voorbij de stad' noem. Dergelijke steden-voorbij-de-stad zijn geen geopolitieke steden meer, maar 'meteo-politieke' steden, of steden die gegrondvest zijn op een soort atmosferische politiek die samenhangt met de onmiddellijkheid, alomtegenwoordigheid en kortstondigheid van informatie- en communicatietechnieken. Anders dan geopolitieke steden zijn steden-voorbij-de-stad niet verankerd in een stedelijke concentratie, agglomeratie en zelfs accumulatie, maar in de elektromagnetische golven van de steeds snellere informatie- en communicatietechnieken.
Geheel in tegenstelling tot Sassens opvatting van Londen, New York en Tokio als centrale punten binnen de wereldomspannende netwerken van het financiële kapitalisme, als zogenaamde 'postmoderne' global cities of wereldsteden, denk ik dat de versnelling van steden door informatie- en communicatietechnieken, een versnelling die op dit moment op ons afdendert, niet die van Sassens 'wereldstad' is maar die van de stadwereld, de wereld als één stad!
JA: Maar wat is het belang van uw werk over de versnelling van de steden-voorbij-de-stad of de stadwereld, zoals u het noemt? Wat zijn bijvoorbeeld de belangrijkste veranderingen die in de steden-voorbij-de-stad plaatsvinden binnen die zo vertechnologiseerde en onmiddellijke megapolissen van de globalisering?
PV: Het belang van de versnelde steden-voorbij-de-stad hangt samen met de real time, de alomtegenwoordigheid en onmiddellijkheid van informatie- en communicatietechnieken op basis van elektromagnetische golven. Want die elektromagnetische golven zijn de sleutelfactoren achter de 'fotosensitieve inertie', zoals ik het noem in L'Université du désastre: een nieuw regime van zichtbaarheid waarin het tijdsperspectief zo'n verandering ondergaat dat de tijd met de snelheid van de elektromagnetische golven gaat lopen. De tijdsorde wordt een orde van de absolute versnelling, een orde van het licht, wat ik 'luminocentrisme' noem. Daarin kunnen de drie tijden van heden, verleden en toekomst niet langer worden omschreven als een chronologie, maar moeten ze eerder worden gekenschetst als chronoscopie.3 De real time van de interactiviteit voert ons niet alleen naar een soort onstoffelijke 'plek', maar wordt zélf de nieuwe, etherische 'plek' van de stad. Cruciaal daarbij is dat deze ondefinieerbare 'plek' al onze vroegere ideeën over de werkelijkheid en materialiteit van de geopolitieke steden of zo u wilt over specifieke bestaande plekken en specifieke materiële steden aantast. Anders gezegd, de geografie maakt plaats voor wat ik 'trajectografie' noem. Door de fotosensitieve inertie en de trajectografie zullen de inerte eigenschappen van dingen er steeds minder toe doen. Waar thans op wordt aangestuurd is dat wij ons onderdompelen in een fotosensitieve inertie en laten meevoeren in een traject van eindeloze versnelling, en wel in die mate dat deze trajectografie nu de snelheid van het licht heeft bereikt.
Tegelijkertijd wordt identiteit steeds meer vervangen door 'traceerbaarheid', zoals ik het noem. Wat ik daarmee bedoel is dat tegenwoordig alles wat we doen, al onze gebaren worden geobserveerd, opgemerkt en eruit gelicht door gecomputeriseerde trackingtechnieken en -systemen. We worden allemaal in de gaten gehouden door allerlei soorten detectoren, veiligheidscamera's, radars en andere controle- en detectieapparatuur – denk aan de elektromagnetische golven waarmee we boodschappen versturen via onze mobiele telefoon, die terecht ‘cell phone’ is gedoopt. Doordat we het oude traject van de tijdrovende reis hebben verlaten, zijn we bijna zonder het te merken aangekomen op een 'plek' waar gebaren, signalen, bewegingen en golven 'ter plekke' nu luid en duidelijk getuigen van onze toenemende fotosensitieve inertie, een inertie die ons morgen allemaal volledig stil zal leggen.
Dat is een ongehoorde ontwikkeling. Het wil zeggen dat steden voortaan 'instant steden' zijn, precies zoals de architecten van de Archigram-groep dat in de jaren zestig al voorzagen. Maar deze beweeglijke steden, deze technologische steden van de fotosensitieve inertie, zijn immateriële, ja bijna atmosferische 'plekken': steden waarin de structuren van de geopolitieke stad vervangen zijn door trajectografieën, door versnelling en door de traceerbaarheid van alle gebaren.
Om deze en de eerdergenoemde redenen kan ik mij niet vinden in Sassens idee van de wereldstad. En dat komt niet alleen omdat ik mij bezighoud met geautomatiseerde observatiesystemen en volgtechnieken. Het komt ook doordat de toekomstige megapolissen van zo'n 30, 40 of zelfs 50 miljoen of meer inwoners de werkelijke steden-voorbij-de-stad zullen zijn, iets wat non-gouvermentele organisaties als Christian Aid maar ook de Verenigde Naties al hebben laten zien. Want als je zegt dat de wereldstad de toekomst heeft, betekent dat niet alleen een toekomst vol detectoren, camera's, radarsensoren en mobiele telefoons, maar ook een toekomst waarin de megapolis heeft 'gewonnen', om het zo maar te zeggen. We moeten onszelf de vraag stellen: zijn steden met 70 miljoen inwoners – ik denk aan New Delhi over vijftig jaar – een overwinning van de geopolitieke steden of juist een mislukking van de geopolitieke stad? Ikzelf zie de opkomst van zulke megapolissen als de absolute mislukking, het absolute einde van de geopolitieke steden zoals wij die kennen. Want het is niet zo dat dan alleen de geopolitieke steden domweg verdwijnen, en daarmee trouwens ook de geostrategieën, nee, tegelijk verschijnen er spontaan elektromagnetische steden, steden die drijven op de golven, op fotosensitieve inertie, op onmiddellijkheid en alomtegenwoordigheid. Anders gezegd, de wereld zelf wordt een stad, een spontaan oprijzende stad van interactiviteit en fotosensitieve inertie, van vluchtige publieke 'plekken', die zelfs het hele idee van de kapitalistische stad zullen wegvagen. De overname van de reële ruimte door real time informatie- en communicatietechnieken vormt een ongekende breuk en is een van de belangrijkste transformatieve spatio-temporele verschuivingen in de twintigste eeuw.
JA: In hoeverre is deze algemene overname van de reële ruimte door real time informatie- en communicatietechnieken een gevolg van de spatio-temporele breuk toen de vaste, inerte telefoon werd vervangen door de mobiele telefoon? Welke invloed heeft de technologie van de mobiele telefoon op de ruimte van het lichaam en de temporaliteit van de subjectiviteit?
PV: Tegenwoordig zijn steden geen reële plekken meer waar we ons nog daadwerkelijk ophouden. In het domein van real time, in het tijdperk van de technische schermen die onze ontheemde lifestyles vergezellen, zijn steden een reeks lichamelijke en technische trajecten, niet van 'televiewers', maar van 'mobiviewers', zoals ik deze mensen noem in L'Université du désastre.4 Ons leven is niet langer gebonden aan de plek die we thuis noemen, ook niet als we in een grote metropool 'wonen'. Dat komt doordat wij als snelheidsverslaafden postsedentaire mannen en vrouwen zijn geworden die nu overal thuis zijn. Het maakt inmiddels niet meer uit of we in de trein zitten of in het vliegtuig. Dat komt doordat onze 'woonplaats' dankzij de revolutie van de mobiele telefonie overal is. Maar net als nomaden zijn we zowel overal als nergens thuis en, zou ik durven stellen, schijnbaar continu uit koers.
Kijk eens naar doodgewone voetgangers. Verkeren ze niet in een soort toestand van beneveling? Eigenlijk zijn het toevallige choreografen geworden, ik kan het niet anders omschrijven, en daarin lijken ze erg op gehandicapte mensen. Zonder enig zicht op de objecten en de andere voetgangers op straat concentreren zulke mensen zich op het spatio-temporale domein van het 'audio-zichtbare', dat wil zeggen de mensen met wie ze aan de telefoon zijn. Voetgangers zien niets meer van wat er zich voor hun neus afspeelt. De vraag is nu: wat zegt dit soort gebruik van mobiele telefoons over de steden van dit moment? Het zegt in elk geval dat er sprake is van een nieuwe omgang met de ruimte door het lichaam, een nieuwe 'lichaamstechnologie'. Mensen gaan bovendien door deze lichaamstechnologie hun lichaam, hun gebaren anders gebruiken. Door hun meanderende manier van lopen en hun scheve voorkomen maken de huidige voetgangers duidelijk dat ze nu zelfs met hun directe omgeving het contact hebben verloren doordat ze volkomen opgaan in het collectieve fantasma van een ver verwijderde audio-zichtbare gestalte die, denken ze, al hun verlangens zal vervullen, terwijl elk werkelijk menselijk contact voor hen verloren gaat.
Deze eenzame individuen omschrijf ik in L'Université du désastre als 'object-georiënteerd', maar tegelijk als ernstig 'subject-gedesoriënteerd.'5 Voor hen zijn steden geen 'plekken' waarin ze wonen, hun 'thuis' ligt niet langer in de geopolitieke stad. De steden waarin zij 'wonen' of preciezer gezegd door wie ze in feite bewoond worden, zijn steden die óp hen zitten en tegelijkertijd, vanwege al die radiogolven, ín hen. Want anders dan in de negentiende en twintigste eeuw leven we niet langer bínnen steden, maar leven steden binnen in óns. En al kunnen we het hier opnieuw hebben over het idee van de versnelling en de technische revoluties in het transport en de transmissie die we met de negentiende en twintigste eeuw associëren, toch is het even belangrijk om telkens weer te onderstrepen dat de steden niet langer 'van ons' zijn, het zijn niet langer 'ons soort plekken' in de zin van dat we er 'thuis' zijn. Er bestaan ongetwijfeld eerdere voorbeelden van dit soort stedelijke dislocatie. Ons gevoel ergens thuis te zijn is de hele twintigste eeuw door lek geschoten door de telefoon, de radio, de televisie, et cetera. Maar inmiddels zijn we aangekomen in het stadium dat steden, als entiteiten die óp ons zitten, als dingen die we letterlijk méénemen, de metropolis bijna onbewoonbaar hebben gemaakt, terwijl de mensen de hele dag rond pogen te lopen met de complete stad op hun schouders. De mobiele telefoon heeft een revolutie veroorzaakt waardoor steden nu samenvallen met onszelf. Steden zijn een soort slakkenhuis rond ons lichaam geworden. We hebben het dus niet alleen over steden-voorbij-de-stad, maar ook over steden vol transplantaties. Ondertussen zijn andere mensen voor ons niet meer dan obstakels of tegenstanders geworden.
En zo maakt onze lang gekoesterde bewegingsvrijheid, de eerste vrijheid van alle levende wezens, plaats voor een soort kerkering in een fotosensitieve inertie, niet in een kamer of binnen de geopolitieke steden van de twintigste eeuw, maar in steden-voorbij-de-stad, de eenentwintigste-eeuwse stad van de elektromagnetische golven.
JA: Bestaat er verband tussen het verlies van onze bewegingsvrijheid, tussen onze opsluiting in een fotosensitieve inertie en eigentijdse vormen van economische accumulatie in de steden-voorbij-de-stad?
PV: Vele economische analyses van grote steden blijven steken in onderzoek waarin de logica van de grootstedelijke economische accumulatie de boventoon voert. De analisten zitten nog altijd verstrikt in het kwantitatieve domein. Ik daarentegen meen dat wij het tijdperk van de versnelling zijn binnengetreden. Die acceleratie heeft inmiddels trouwens de economische accumulatie allang ingehaald. Versnelling is een van de belangrijkste oorzaken van de huidige wereldomspannende kredietcrisis. De huidige wereldcrisis is in feite de crisis van de versnelling als zodanig. Ik wijs erop dat de kapitaalsector nooit alleen maar op accumulatie draaide, maar ook op acceleratie. De eerste bankiers bijvoorbeeld waren ruiters. De bankiers waren eerst ridder en werden daarna pas reders en zeevarenden. In historische termen had de accumulatie dus aanvankelijk de overhand over de acceleratie. De versnelling met behulp van een paard of een schip stelt niet veel voor vergeleken met het vermogen tot accumulatie dat mettertijd te zien viel in steden als Venetië, Londen en Amsterdam. Maar vandaag de dag is het precies omgekeerd! De economische accumulatie is ingehaald door de acceleratie. Dat komt doordat de lichtsnelheid, de onmiddellijke alomtegenwoordigheid van de elektromagnetische golven allemaal de accumulatie versnellen. De wereldomspannende kredietcrisis van nu is ook een crisis van de acceleratie, want het kapitaal sloeg over de kop doordat ze onophoudelijk bleef versnellen.
JA: Maar wat zijn de gevolgen voor de stad en de stadsbewoners van de huidige economische crisis van de versnelling die veroorzaakt is doordat het kapitaal werd overruled door de niet aflatende acceleratie?
PV: Ik heb al vaker gezegd dat zowel de stad als de aarde zelf te klein zijn om de propaganda en de gevolgen van de zogeheten vooruitgang in de twintigste eeuw te kunnen dragen, met name omdat onze stedelijke en ecologische voetafdruk steeds groter en dieper wordt. Als stedelingen moeten we erkennen dat we nu in een tijd leven waarin we worden geconfronteerd met de gevolgen van de vooruitgang in de twintigste eeuw. De technowetenschap, de geografie, de economie en de politiek lopen stuk voor stuk tegen hun eigen grenzen aan vanwege de beperkingen, niet alleen als gevolg van het nu voltooide globaliseringsproces, maar ook vanwege de grenzen van onze planeet zelf die op dit moment al te duidelijk maakt dat haar geschiedenis, en de onze, een getroebleerd verleden kent. Deze tijd-van-de-gevolgen is een onbetwistbaar feit en is het gevolg van de schade die is veroorzaakt door de propaganda van de vooruitgang in de twintigste eeuw.
Toch voert dit inzicht wat mij betreft niet direct van de huidige mondiale economische crisis van de versnelling naar een oproep tot een nieuw soort ecologische politiek. Natuurlijk is de politieke ecologie erg belangrijk. Maar dat geldt ook voor de ontwikkeling van een politieke economie van de snelheid, vooral als je bedenkt dat het in de politieke economie van de eenentwintigste eeuw niet alleen draait om de accumulatie van rijkdom, maar ook om acceleratie. De versnelling moet ons nu zorgen baren omdat ze is doorgedrongen tot in het hart van de accumulatie van rijkdom in de steden, en de accumulatie van kennis, en tot in de werkelijkheid zelf van ons aller sociale leven dat steeds meer wordt voortgedreven door een nimmer aflatende interactiviteit. Op dit moment zijn wij getuige van een belangrijk historisch verschijnsel dat zelfs door het marxisme nooit is voorzien: dat een politieke economie van de acceleratie nu de politieke economie van de accumulatie voorbij heeft gestreefd. En dus is het nu van het grootste belang om een politieke economie van de snelheid op te bouwen.
JA: Ik snap het verband tussen economische accumulatie en acceleratie en de noodzaak van een politieke economie van de snelheid. Maar hoe verhoudt de acceleratie zich tot de geografische agglomeratie, tot de steden die ondanks alles nog steeds immobiel in de ruimte staan?
PV: Acceleratie en geografische agglomeratie hangen met elkaar samen, zeker als we het over steden hebben, en ze zijn al sinds het Oude Rome met elkaar verbonden. Voor de oude Romeinen was het eenvoudigste symbool voor de stad Rome een cirkel met een kruis erin. Hetzelfde symbool werd gebruikt in de stadsplanning van de Romeinen en heette daar ‘decumanus cardo’, wat betekent: wegen die oost-west en noord-zuid lopen. Maar waar het hier om gaat is dat de stad zelfs al in de Romeinse tijd was opgedeeld in percelen en opstallen, en ook dat het daarbij draaide om het afzetten, markeren en in kaart brengen van beweging, en niet van opstopping of stasis.
Het gevolg is dat zelfs als de Romeinen, en de rest van de mensheid wat dat betreft, besloten om ergens een parlementsgebouw of een amfitheater neer te zetten, ze in feite onze bewegingen een traject oplegden. Een stad bestaat uit beweging. Je kunt geen stad aanleggen zonder eerst de bewegingslijnen uit te zetten, te markeren, in kaart te brengen of te tekenen. Er was in de oude Romeinse steden natuurlijk nog geen sprake van motorisering, zoals tegenwoordig. In die zin waren de Romeinse steden geenszins op techniek afgestemd, zoals onze steden. Toch waren het steden op een fundament van beweging. Dat is ook niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat alle oude samenlevingen 'geanimeerde' samenlevingen waren, samenlevingen in beweging, en wel een beweging van de meest lichamelijke soort, geworteld als ze was in de soldaat te paard. Maar zoals ik al eerder aangaf, is de sociaal dominante factor altijd weer een versnelling. Het belangrijkst was altijd de snélheid van de soldaat te paard. Tegenwoordig maken mensen zich natuurlijke drukker over de snelheid van hun telefoonverbindingen en -gesprekken in de stad. Sinds de geboorte van de stad was het grootste probleem altijd hoe je bewegingen kon uitzetten, markeren, in kaart brengen of uittekenen door middel van bewegende beelden, motorisering en tegenwoordig telecommunicatie. Dus al zei ik eerder dat ik op dit moment onderzoek doe naar het recente vraagstuk van de traceerbaarheid, is het probleem van het traceren, van traceerbaarheid, eigenlijk al zo oud als de wereld. Het vraagstuk van de traceerbaarheid schittert van begin af aan al in de discussie over de stad. Van oudsher hebben kwesties rond de stedelijke mobiliteit de overhand gehad over kwesties rond de stedelijke passiviteit, inertie. Oude samenlevingen waren altijd nomadische samenlevingen, samenlevingen op grond van beweging. Het sedentaire leven van de mens is dus secundair, maar een fractie van de veel langere geschiedenis van een leven dat in beweging geleefd wordt.
JA: Tot slot, ons gesprek over oude Romeinse steden, opstopping, stasis, nomadisme en beweging was erg productief, maar toch wil ik nog iets vragen. Wat gebeurt er met het sedentaire leven in de stad van nu? Wat zijn daarbij de basisbegrippen? Opstopping? Stilstand? Nomadisme? Overheerst op dit moment de menselijke stilstand of de menselijke beweging?
PV: Zoals ik al aangaf zijn de steden-voorbij-de-stad, anders dan de oude Romeinse steden of zelfs de negentiende- en twintigste-eeuwse steden, geen afgeleide van opstoppingen en stilstand, maar van de explosie van de geografische agglomeraties van voorheen, van het uiteenvallen van geopolitieke steden en van de huidige exodus uit de materialiteit van de huidige steden. De steden van straks zijn steden van immaterialiteit, van telefoongesprekken, luchtcorridors en hogesnelheidstreinen, luchthavens, stations en havens als stad. Daarom heb ik het in Le Futurisme de l'instant niet over urbanisme of suburbanisme maar over een geaccelereerd exurbanisme, dat met een reeks technieken, waaronder internet, naar een hogere versnelling schakelt om het urbanisme en suburbanisme van de steden uit de industriële tijd weg te schuiven.6 Exurbanisme lijkt totaal niet op het sedentaire urbanisme uit het recente verleden, want eigentijdse samenlevingen en steden zijn steeds meer nomadisch van aard. De steden-voorbij-de-stad zijn steden vol beweging, steden met migranten, tijdelijke opvang en segregatie door de onlangs herrezen stadstaat. Het zijn steden met buitenlanders die in stalen containers wonen in Rotterdam, Amsterdam en elders. En wanneer het urbanisme en suburbanisme wijkt voor de kritieke ruimte van exurbia en de stedelijke ontworteling dan volgt de outsourcing en vlucht van belangrijke economische ondernemingen. Essentiële bedrijven verlaten mét hun research & development-afdelingen – op dit moment het kostbaarste deel van welke economische onderneming dan ook – de locaties waar van oudsher hun productie gevestigd was. Die industrieën en bedrijven trekken naar het buitengelegen 'centrum' van de steden-voorbij-de-stad, omdat die 'steden' niet meer zijn gegrondvest op een sedentaire vorm van urbanisme, maar op nomadisme of een versnelde stedelijke exodus waarin niemand zich nog ergens thuisvoelt. Denk aan wat ik eerder zei over traceren, markeren, in kaart brengen en uittekenen, en over de allocatie van gebouwen in ruimte en tijd. Dat zijn niet zomaar woorden! In wezen zijn wij op dit moment bezig met het markeren en plannen van de steden-voorbij-de-stad met het doel om de twintigste-eeuwse stad eindelijk achter ons te laten. Waar we naar streven is een exurbanisme dat zowel het einde van het sedentaire urbanisme inhoudt als de 'herhuisvesting' van de hele wereld! Een dergelijke ontwikkeling betekent niets minder dan het einde van de ruraal-stedelijke exodus, althans in de meer ontwikkelde landen, en het begin van de steden-voorbij-de-stad.
We vinden met andere woorden de uitgang die ons naar steden leidt die zijn gebaseerd op beweging. En zoals ik altijd al heb beweerd is zelfs in geopolitieke steden, in steden waar het je thuisvoelen, centra en buitenwijken nog een grote rol spelen, de 'uitgang' – het station, de zeehaven, het vliegveld – altijd van het grootste belang geweest. Daarom heeft Le futurisme de l'instant ook als ondertitel Stop-Eject.7 Want waar we nu mee te maken hebben is een beweging waarbij zowel sprake is van stop als van eject, 'plekken' en steden die uitstoten. Stop-Eject verwijst naar gebeurtenissen van monumentale proporties, een ongehoorde toename van de bevolking bijvoorbeeld, en van real time transmissie en reizen met hoge snelheid, met als gevolg dat op dit moment miljoenen mensen op drift raken in de eenentwintigste eeuw. Toch wordt ons, ook als inwoners van de wereldstad, verteld dat we het achter ons moeten laten, eruit moeten stappen en een banneling of verstotene moeten worden van de wereld van de fysieke en menselijke geografie.
Het essentiële punt is echter, en dat kan ik niet genoeg benadrukken, dat de real time van de wereldomspannende informatie- en communicatietechnieken dominanter is dan de werkelijke ruimte van Sassens zogenaamde wereldstad. Snelheid staat bijvoorbeeld niet alleen voor een bepaalde vorm van macht, een vorm van politieke economie, maar ook voor het eind van de geografie. De onmiddellijkheid van de hedendaagse snelheid leidt daarom ook tot een vorm van 'ruimtelijke vervuiling'. Dat heb ik elders eens omschreven als de 'ouderdom van de wereld' omdat net als bij mensen de tijd steeds sneller lijkt te gaan naarmate de wereld ouder wordt. Maar inmiddels zien we ook dat door steeds snellere vervoers- en telecommunicatiemiddelen de wereld gedwongen wordt om te functioneren onder lukrake omstandigheden, die desalniettemin wezenlijke gevolgen hebben voor de geografie, de geschiedenis en ons besef van real time en werkelijke ruimte. Maar naast de geografie staat er nog veel meer op het spel als afstanden en substanties vervuild raken. Want de onmiddellijkheid van de versnelling luidt ook het einde in van de geschiedenis, niet zoals Francis Fukuyama dat zag, maar in die zin dat we aan het eind zijn gekomen van de natuurlijke geschiedenis en ruimtelijke schaal van aardse zaken, zoals een notie van afstanden die volledig op de mens is afgestemd. Wanneer de vroegere immensiteit van de wereld gereduceerd wordt tot niets meer dan snelheid-ruimte, dan geopolitiek of geostrategie, vervalt ook de menselijke ruimteschaal van de stad en de staat en betreden we het domein van de stedelijke onmiddellijkheid, dat niet alleen veraf staat van de fysieke geografie van de werkelijke wereld, maar ook wordt gekenmerkt door vertechnologiseerde traceerbaarheid en de hedendaagse trajectografie van een feitelijk vrijwel onbewoonbare planeet.
Transcript en vertaling van het Frans naar het Engels: Patrice Riemens
Noten
1. Zie: Paul Virilio, L'Université du désastre (Parijs: Editions Galilée, 2007) en Paul Virilio, Le Futurisme de l'instant: Stop-Eject (Parijs: Editions Galilée, 2009).
2. Virilio kreeg in 1987 de Grand Prix National de la critique architecturale voor zijn werk als geheel uitgereikt.
3. Zie: Paul Virilio, L'Université du désastre, op. cit., hoofdstuk 3.
4. Zie: Ibidem, hoofdstuk 5.
5. Zie: Ibidem, hoofdstuk 5.
6. Zie: Paul Virilio, Le Futurisme de l'instant: Stop-Eject, op. cit., hoofdstuk 1.
7. Zie: Ibidem, hoofdstuk 1.
Dit interview vond op 22 mei 2009 plaats in L'Argoat Bar et Restaurant in La Rochelle. Het zou nooit gevoerd zijn zonder de onbeteugelde nieuwsgierigheid, vriendschap en ruimhartigheid van Paul Virilio, Patrice Riemens en natuurlijk Diinooos! Ik ben hen innig dankbaar.
Transcript en vertaling van het Frans naar het Engels: Patrice Riemens.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte