Lancering van De Collectie
VERSLAG
Lancering van De Collectie
Donderdag 14 januari 2010
Beurs van Berlage, Amsterdam
1.
Welkom en introductie door Karin Laglas (bestuurslid SKOR). ‘De Collectie’ behelst een initiatief om kunstwerken in de zorg te kunnen blijven realiseren. In het boek met dezelfde titel dat vandaag gepresenteerd wordt zijn circa 350 kunstprojecten in de zorg opgenomen, die de afgelopen 25 jaar door SKOR werden gerealiseerd.
2.
Tracy Metz bevraagt Tom van Gestel (senior curator van SKOR) over de kunstprojecten die in het boek zijn opgenomen en de plannen met ‘De Collectie’.
TM: Je hebt je lange tijd voornamelijk met kunstprojecten en kunstenaars bezig gehouden, betekent het verdwijnen van de regeling dat je nu fondsenwerver gaat worden?
TvG: Het vinden van extra fondsen hoorde er tot nu toe in veel gevallen ook al bij, SKOR is nooit de enige financier. En hopelijk zal er voor de nieuwe plannen zoveel enthousiasme zijn dat de sponsoren vanzelf aan de deur staan.
TM: Een leuk aspect van De Collectie is dat we straks ook de kunstwerken in musea kunnen zien.
TvG: Zeker, maar het is niet zo dat de nieuwe werken nu alleen voor de musea gemaakt worden. De relatie tussen kunst en zorg bij dit soort opdrachten is inhoudelijk, dus er zijn nog veel andere relevante plekken te bedenken.
TM: En de werken die al bestaan gaan nu reizen?
TvG: Sommige zijn spijkervast, maar andere kunnen inderdaad elders getoond worden. Het werk op de dia, van Marlene Dumas voor ’t Hooghuys in Etten-Leur, is bijvoorbeeld nu te zien op de tentoonstelling Niet Normaal.
TM: Zal de opdracht aan de kunstenaars veranderen?
TvG: Gedeeltelijk wel. We sluiten helemaal niet uit dat er nog werken gemaakt worden die specifiek voor de locatie zijn, maar deels worden de opdrachten losser. Ik verwacht dat kunstenaars blij zullen zijn met meer ruimte binnen de opdracht.
TM: Je hebt een aantal voorbeelden meegenomen van projecten die in het boek staan.
TvG: Dat klopt. Dit is bijvoorbeeld een werk van Marijke van Warmerdam voor het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht, een werk dat al twee levens leidt: in het ziekenhuis en in het tentoonstellingscircuit. Het volgende werk is van Ann Veronica Janssens voor De Geestgronden in Bennebroek, dit werk is lastiger ergens anders te realiseren, niet alleen door de ingewikkelde techniek maar ook omdat het zo perfect past bij deze locatie.
TM: De vraag rijst natuurlijk hoe autonoom een kunstwerk kan zijn op zulke plekken.
TvG: Zo’n werk moet in de eerste plaats een kunstwerk zijn, maar andersom zou het ook heel raar zijn als het niets met de plek te maken heeft. De rol van de opdrachtgever is hierbij heel belangrijk, hij functioneert voor de kunstenaar als een gids en draagt het onderwerp aan. In het volgende voorbeeld hebben de kunstenaars, Lino Hellings en Yvonne Dröge Wendel, zich erg verdiept in de situatie. Hoewel hun eerste idee was om iets te maken dat de bewoners van het verpleeghuis zou activeren, bleek op een gegeven moment dat bewoners eigenlijk het liefst met rust gelaten wilden worden. De treincoupe die ze hebben gemaakt biedt een omgeving waarin dat kan.
TM: Dan zien we hier een project van Erik van Lieshout voor een psychiatrische instelling – het lijkt me een soort aanvulling op therapie?
TvG: Voor hem was het een manier om met de cliënten in contact te komen: een auto verbouwen met een enorme geluidsinstallatie erin, en daar samen met cliënten mee over het terrein rijden. Het ding ziet er heftig uit, maar het ging prima. Er zijn bij dit soort instellingen natuurlijk gevoeligheden en we hebben ook gevallen van controverse meegemaakt. Bijvoorbeeld het ‘scorebord’ van Andre van Bergen bij een TBS-kliniek in Nijmegen. De instelling zelf was er blij mee dat het werk de problematiek rondom TBS zichtbaar maakte, maar net op het moment dat het werk klaar was had het onderwerp veel negatieve media-aandacht omdat er een aantal keer TBS-ers niet van verlof waren teruggekomen. Het heeft uiteindelijk tot kamervragen geleid.
TM: Ik kan me voorstellen dat er ook ontwerpen zijn die niet tot uitvoering komen, om allerlei redenen. Heb je daar een voorbeeld van?
TvG: Zeker, dit ontwerp bijvoorbeeld van Stan Douglas voor het RIAGG in Zwolle, ik hoop dat het toch nog ergens kan worden uitgevoerd. Douglas liet zich inspireren door Querido, zijn beschrijvingen van de ziektes van havenarbeiders. De directeur van de instelling ging weg, maar zit nu bij Cordaan in Amsterdam, wie weet dat het werk nu hier alsnog een plek kan krijgen.
TM: Hoe belangrijk zijn eigenlijk de mensen bij de instellingen waar jullie mee werken?
TvG: Heel belangrijk uiteraard, en dan niet alleen de directeuren zoals in het voorbeeld van net, maar ook de mensen die de rest van het personeel en de cliënten vertegenwoordigen.
TM: De inhoudelijke relatie tussen zorginstellingen en de kunst is wat met De Collectie centraal blijft staan.
TvG: Die band heeft al een hele lange traditie, veel langer en breder overigens dan die 25 jaar van SKOR die in het boek getoond wordt.
TM: Hierover heb ik een mooi afsluitend citaat van een uitspraak die je deed in een artikel onlangs in het NRC: “Denk aan literatuur, wat zijn de mooiste romans? Dat zijn boeken waar mensen moedige pogingen doen om het leven te leiden. Dood, ziekte en welzijn raken aan existentiële vraagstukken. Daarom biedt de zorg belangrijke thema’s voor de kunst.”
3.
Sjaak van der Geest (medisch antropoloog verbonden aan de UvA) heeft een betoog over ziekte en kunst aan de hand van zijn eigen achtergrond.
Als men antropologen uitnodigt voor een gelegenheid als deze, wil men meestal horen van vreemde verre voorbeelden (trommelaars, vruchtbaarheidsbeelden). Van der Geests ervaringen zijn niet zo romantisch of artistiek, tijdens mijn veldwerk in ziekenhuizen ver weg trof ik deprimerende ruimten met teveel mensen en te weinig medicijnen. Maar antropologen zijn thuisgekomen, we gaan het over Nederland hebben.
Hoe ervaren mensen dingen – geluk, schoonheid, pijn – en hoe kan je die uitdrukken? Wat dekt de inhoud?
Van der Geest wil zich richten op de mensen voor wie deze kunstwerken bedoeld zijn. Collega en hoogleraar medische sociologie Gerard Nijhof schreef een boek over ziekte en pijn, nadat hij zelf darmkanker had overleefd. Het in woorden beschrijven van de ervaring van pijn is heel moeilijk, woorden schieten tekort – pijn verzet zich tegen taal, vernietigt haar zelfs. Dus richten we ons tot de kunstenaar, die met ‘omtrekkende bewegingen’ misschien dichter bij de kern kan komen.
Wat betekent kunst voor deze mensen? In het boek ‘De Collectie’ vraagt Tom van Gestel zich af of kunst een medicijn kan zijn, maar het is duidelijk dat hij hieraan twijfelt. Er staan verschillende bijdragen in van architecten, wetenschappers en schrijvers, maar over de cliënten zelf komen we in dit boek weinig te weten. Waarover wel? Bram Kempers vertelt hoe er sinds de tijd van de religieuze kunst die in opdracht van mecenassen werd gemaakt weinig veranderd is: de kunst wordt van bovenaf ingebracht, in de veronderstelling dat ze troost, hoop en afleiding brengt en het genezingsproces ten goede komt. Het getuigt van een lichte vorm van paternalisme, een regiem van de goede smaak – vergelijkbaar met het ‘regiem van hoop’ dat volgens Abram de Swaan en Albert van Dantzig in de jaren zeventig in het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis werd opgelegd (een publicatie daarover werd door het ziekenhuis vernietigd).
En wat vinden kunstenaars? Voor hen kunnen deze plekken aantrekkelijke locaties zijn met veel bezoekers, zoals het AMC. Maar een groot deel van de AMC-collectie staat in de opslag. In de bijdrage van Marianne Brouwer wordt ingegaan op de positie van de kunstenaar, zij vraagt zich af hoe democratisch de representatie van kunst in deze situaties kan en mag zijn. Zij voert een aantal kunstenaars op die hierover ambivalent zijn en zich in hun projecten heel direct tot cliënten hebben verhouden. Maar in veel gevallen zijn kunstenaars huiverig voor ‘de smaak van gewone mensen’. Cor Wagenaar beargumenteert in zijn bijdrage dat kunst wel kunst moet blijven, onafhankelijk.
Uitspraken over de emancipatie van de patiënt via de kunst zijn wensdromen of bezweringen van een werkelijkheid die heel anders is. ‘De kunstenaar moet bij de patiënt in bed kruipen’, zegt een belangrijk bestuurder. Hij bedoelt daar niet mee dat de kunstenaar dichter bij de gevoelens van de patiënt moet komen, maar dat de kunst aan het plafond bevestigd moet worden. Van der Geests conclusie is dat SKOR – en wij allen – nog een lange weg te gaan hebben met kunst in zorginstellingen. De eerste stap op die lange weg is zich te verdiepen in de vraag: wat doet deze kunst bij de mensen voor we ze bedoeld is? Want dat weten we nog steeds niet.
4.
Suzie Freeman van het collectief Pharmacopoeia vertelt over het kunstwerk Cradle to grave dat deel uitmaakt van De Collectie en te zien is op de tentoonstelling Niet Normaal. Zij begon haar loopbaan als textielontwerper en ontwikkelde een manier om pillen in breiwerk te verwerken. Ze benaderde arts Liz Lee voor advies over het soort pillen dat veilig was om hiervoor te gebruiken. Deze samenwerking resulteerde in een aantal projecten die op hun eigen situaties waren toegesneden: een jurk waarin alle anticonceptiepillen verwerkt zijn die een vrouw in 25 jaar tot zich zou nemen, een positiejurk met sigarettenpeuken (de hoeveelheid komt overeen met wat ze zichzelf toestond te roken tijdens haar zwangerschap, 1 pakje per week) en een meisjesjurk met pillen die op snoepjes lijken. Ze ontdekten hoe vreemd het is dat pillen op snoepjes lijken, terwijl het ‘snoepen’ van pillen (paracetamol of de pillen van grootouders) de belangrijkste oorzaak van vergiftiging bij kinderen is.
Pharmacopoeia ging zich verder verdiepen, in bijvoorbeeld HIV en de medicatie daarvan, dat resulteerde in grotere installaties zoals ‘Table talk’, een lange tafel met twaalf gedekte plaatsen met informatie en persoonlijke verhalen over mensen met HIV. De installaties maken informatie zichtbaar, ze tonen de gegevens van hun onderzoek en geven een beeld van de levensloop van (zieke) mensen. Ze laten ook zien dat men in verschillende landen verschillend omgaat met medicijngebruik. Opvallend was bijvoorbeeld dat artritis in Nederland eerst met intensieve fysiotherapie bestreden wordt, waardoor een Nederlandse patiënt in totaal veel minder pillen gebruikt. Naast de grotere projecten doet het collectief ook kleinere opdrachten, zoals de ontwerpen voor draagbare objecten (horlogeketting, handtas) waarin artritismedicijnen verwerkt zijn – een opdracht van de John Charnley Trust (de uitvinder van de kunstheup).
Cradle to grave werd oorspronkelijk gemaakt voor het British Museum. Voor de Nederlandse versie hebben ze zich gebaseerd op de nationale cijfers van voorgeschreven medicijnen, de installatie laat een overzicht zien van de medicijnen die een gemiddelde man en vrouw zouden gebruiken gedurende hun leven. De man heeft bijvoorbeeld hooikoorts en astma, de vrouw slikt de anticonceptiepil en een maandelijkse doses Ibuprofen tegen menstruatiepijn. En er is een tweede ‘narratieve’ laag aangebracht: familiefoto’s van belangrijke momenten in een mensenleven, momenten die in goede of slechte gezondheid beleefd worden. De installatie voor het British Museum was aanmerkelijk langer, Freeman concludeert dan ook dat Nederlanders tijdens hun leven beduidend minder pillen nemen.
Daarnaast viel haar op dat Nederlanders op hoge leeftijd de betere pillen krijgen voorgeschreven.
5.
Karin Laglas reikt het eerste exemplaar van het boek De Collectie. 25 jaar kunstprojecten in zorginstellingen 1985 – 2009 uit aan Naomi de Rooy, voorzitter van de cliëntenraad van Mentrum. Deze raad heeft zich destijds expliciet uitgesproken vóór een bijzonder maar omstreden kunstwerk van Ilya en Emilia Kabakov, How to meet an Angel.
KL: Na het verhaal van Sjaak van der Geest kan jij misschien zijn vraag voor ons beantwoorden - wat doet kunst voor zieke mensen?
NdR: Wat mij betreft gaat dat om drie dingen. Ten eerste is het enorm belangrijk dat zieke mensen een gerieflijke omgeving hebben, kunst draagt daaraan bij. Lange tijd is gedacht dat de omgeving niet belangrijk was, onderzoek toont nu het tegenovergestelde aan. Ten tweede kan het zelf maken van kunst een helend effect hebben op cliënten. Ten derde is het belangrijk dat er succesvolle kunstenaars zijn die zelf een ziekte (gehad) hebben, zij vormen met hun werk en hun persoon een belangrijke schakel naar maatschappelijke acceptatie en emancipatie van cliënten.
KL: Ik begrijp dat de cliënten bij de totstandkoming van How to meet an Angel betrokken zijn geweest?
NdR: Absoluut, bij de beoordeling en bij het onderzoek naar wat men ervan zou vinden. Wij vonden het heel belangrijk dat het taboe doorbroken zou worden, dat er op deze manier een aanleiding is om over de problematiek te praten. De associatie die cliënten hebben met het werk is lang niet altijd suïcide, mensen zagen de figuur ook als Superman. Er was een discrepantie tussen wat de buurt dacht dat cliënten zouden denken en wat cliënten dachten, de buurt ging eigenlijk voor de cliënten denken.
6.
David Bade, een van de kunstenaars die op de tentoonstelling Niet Normaal vertegenwoordigd is, sluit de middag af met iets wat hij niet echt een performance wil noemen: hij en zijn crew willen de mensen verleiden om op een bijzondere manier naar de tentoonstelling te gaan. Er zijn brancards, een deel van het publiek zal dragen en een ander deel zal gedragen worden. Om circa 20 gedragenen te selecteren stelt Bade de volgende vragen: wie verdient het om gedragen te worden? Wie heeft het afgelopen jaar de blote billen van volwassen mensen gewassen? Wie vindt dat hij teveel hooi op zijn vork neemt? Voor de dragers luiden de vragen: wie zijn er hier directeur? Wie zijn er manager? Tenslotte worden er dragers aangewezen. De draagtocht eindigt bij het kunstwerk van Bade op de tentoonstelling, onderwijl klinkt de muziek van Beraad Geslagen (Lander Gyselinck en Fulco Ottenvanger).
Stichting Kunst en Openbare Ruimte