Daniel J. Solove, De betekenis en waarde van privacy. Pleidooi voor een pluralistisch begrip van het concept privacy
Volgens Daniel Solove, hoogleraar in de rechten aan de Washington University Law School, moeten we het concept privacy opnieuw overdenken. Hij pleit daarbij voor een meer pluralistische kijk op privacy zodat problemen hiermee beter kunnen worden herkend. In zijn laatste boek, Understanding Privacy,1 heeft hij hiervoor een raamwerk ontwikkeld. In dit artikel bespreekt hij ideeën uit dit boek.
Onze privacy ligt onder vuur. Bedrijven verzamelen een ongekende hoeveelheid persoonlijke gegevens en registreren alles wat we in de supermarkt kopen, de boeken die we online bestellen, ons surfgedrag op internet, onze financiële transacties, de films die we zien, de video's die we huren en nog veel meer. Vrijwel elke organisatie en elk bedrijf waar we mee in aanraking komen bezit een enorme lading persoonlijke gegevens van ons. Ook bedrijven waar we nog nooit van gehoord hebben beschikken over een profiel van ons. Op allerlei ons onbekende databases worden digitale dossiers aangelegd over ons leven en onze persoon, die minutieus worden bestudeerd en geanalyseerd om tot een oordeel over ons te komen. Welke producten zijn we geneigd te kopen? Zijn we kredietwaardig? Hoeveel zijn we bereid ergens voor te betalen? Zijn we een goede klant? Zijn we doorgaans meegaand of zijn we geneigd om spullen terug te sturen, te klagen of de klantenservice te bellen?
De overheid is tegenwoordig buitengewoon happig op persoonlijke gegevens. Ze maakt gebruik van de informatie van bedrijven en andere organisaties, zoals bibliotheken. Veel bedrijven geven grif gehoor aan een verzoek om informatie van de overheid. Overheidsinstellingen gebruiken deze persoonlijke gegevens om op grond van iemands gedragspatroon, koopgedrag en interesses vast te stellen of iemand in de toekomst geneigd is over te gaan tot criminele of terroristische handelingen.2 Als een computer van de overheid beslist dat je wellicht een bedreiging vormt, kun je op de lijst belanden van mensen die in de gaten worden gehouden en kun je misschien niet langer zomaar vliegen en liggen er mogelijk nog andere negatieve gevolgen voor je in het verschiet.
Onze privacy wordt niet alleen door dit soort dossiers bedreigd. Overal duiken bewakingscamera's op. Het wordt steeds moeilijker om je een tijdje onbewaakt in de openbare ruimte op te houden. In de Verenigde Staten worden door de National Security Agency op grote schaal telefoons afgetapt. In het Verenigd Koninkrijk houden miljoenen bewakingscamera's bijna alle hoeken en gaten van de openbare ruimte in de gaten.3 Op het werk registreren werkgevers vrijwel alles – ieder telefoontje van hun werknemers, iedere toets die ze aanslaan, iedere website die ze bezoeken.
Naast de overheid en de bedrijven respecteren wijzelf ook steeds minder elkaars privacy – en geven we zelf onze persoonlijke gegevens bloot. De generatie jongeren die op dit moment opgroeit maakt op grote schaal gebruik van blogs en sociale netwerken en zet allerlei intieme details over hun persoonlijke leven online, die iedereen over de hele wereld kan lezen.4 De roddels die op middelbare scholen en universiteiten worden verspreid zijn niet langer vluchtig en van voorbijgaande aard – ze zijn permanent op te zoeken op internet en gemakkelijk te vinden door iemands naam te googelen.
Gezien al deze ontwikkelingen vragen veel mensen zich af of er nog wel zoiets als privacy bestaat. Als er zoveel informatie wordt verzameld, zoveel in de gaten wordt gehouden, zoveel onthuld wordt, kun je dan überhaupt nog op enigerlei privacy rekenen? En als je daar niet meer op kunt rekenen, valt er dan nog iets te beschermen? Veel mensen denken dat de strijd om privacy een verloren zaak is, en dat we er dus maar mee moeten leren leven.
Verwachten mensen nog privacy?
Deze houding is echter niet gestoeld op een begrip van wat privacy feitelijk inhoudt. Wetgeving spitst zich vaak toe op de vraag of we verwachten dat onze privacy ergens gewaarborgd is – en weigert die privacy te beschermen als dat niet het geval is. Alleen zijn verwachtingen niet het soort van zaken waar de wet zich op zou moeten richten. Wetgeving gaat niet alleen over het instandhouden van de bestaande situatie, maar ook over de vraag hoe de toekomst eruit zou moeten zien. De wet zou de privacy moeten beschermen omdat wij dat willen, en niet alleen omdat we verwachten privacy te genieten.
Het begrip privacy wordt vaak eng gedefinieerd, en die strikte opvatting leidt ertoe dat mensen niet zien wanneer onze privacy wordt geschonden. Een voorbeeld. Het is misschien waar dat een groot aantal bedrijven over een heleboel persoonlijke gegevens van je beschikt. Betekent dat dan dat je, wat je privacy betreft, niets meer te zeggen hebt over die data? Mensen die privacy eng opvatten en daarom vinden dat informatie volstrekt geheim moet blijven, zullen stellen dat je je privacy kwijt bent zodra anderen over die informatie beschikken.
Maar privacy is veel meer dan geheimhouding alleen. Het gaat ook om vertrouwelijkheid – er kunnen weliswaar gegevens bij anderen bekend zijn, maar er bestaan ook sociale normen over het vertrouwelijk omgaan met die informatie. Zo weten bibliotheekmedewerkers bijvoorbeeld precies wat we lezen, maar ze begrijpen ook dat ze verplicht zijn die informatie vertrouwelijk te houden. Dokters beschikken over onze medische gegevens, maar ook zij dienen die informatie vertrouwelijk te behandelen.
Privacy gaat ook over gegevensbeveiliging. Degene die over data beschikken zouden verplicht moeten zijn die gegevens goed te bewaken en uit handen te houden van dieven en oplichters. Ze zouden ervoor dienen te zorgen dat de data niet uitlekken.
Een andere kant van privacy is de controle die wij zelf over onze gegevens hebben. Dat bedrijven en de overheid informatie over ons hebben, wil nog niet zeggen dat hun zou mogen worden toegestaan die geheel naar eigen inzicht te gebruiken. We zijn het er snel over eens dat ze die persoonlijke gegevens niet zouden mogen gebruiken om te discrimineren. De wet kan en moet nog veel meer restricties opleggen aan het soort van beslissingen die gemaakt kunnen worden op basis van persoonlijke gegevens.
Degenen die gebruik maken van data over ons zouden verplicht moeten zijn ons te melden over welke gegevens ze beschikken en hoe ze die denken te gaan gebruiken. Mensen zouden iets te zeggen moeten hebben over het gebruik van hun gegevens. Er zou een beter 'gerechtvaardigd gebruik van gegevens' moeten bestaan. Op dit moment staan er onschuldige mensen op lijsten met verdachte terroristen die in de gaten worden gehouden, maar die mensen hebben geen enkele mogelijkheid om dat aan te vechten. Zo worden er ook beslissingen genomen over mensen, zowel op financieel gebied als wat werk betreft, op grond van profielen en informatie waar ze zelf niets van weten.
Privacy gaat dus over veel meer dan geheimhouding alleen. Het gaat over hoe we informatiestromen reguleren, hoe we regelen dat anderen onze gegevens verantwoordelijk gebruiken, hoe we zeggenschap kunnen houden over onze eigen gegevens, hoe we het gebruik dat anderen van onze gegevens kunnen maken moeten inperken.
Sommige mensen zeggen dat de wet niet in staat is het gebruik van onze gegevens aan banden te leggen, maar dat is niet waar. Het auteursrecht is een duidelijk voorbeeld van een wet die voorschrijft hoe informatie gebruikt mag worden en die zeggenschap over die informatie toekent. Ik wil niet beweren dat het auteursrecht het antwoord is als het om privacy gaat, maar het illustreert wel dat de wet het gebruik van gegevens desgewenst aan banden kan leggen.
We kunnen onze privacy beschermen, hoeveel informatie er inmiddels al over ons wordt verzameld, verspreid en gebruikt. En dat zullen we ook echt moeten doen als we onze vrijheid en intellectuele arbeid in de toekomst willen beschermen.
Maar hoe? Een eerste stap is het concept en de waarde van privacy opnieuw te overdenken.
Het concept privacy
Het concept privacy is nogal aan verwarring onderhevig. Commentatoren hebben verzucht dat het concept privacy zó vaag is dat het eigenlijk onbruikbaar is. Als we zeggen dat onze privacy geschonden is, kunnen we vaak niet uitleggen wat daar nu zo erg aan is. De belangen aan de andere kant – vrijheid van meningsuiting, efficiënte klantentransacties en veiligheid – worden vaak veel sneller begrepen. Het gevolg is dat de privacy regelmatig aan het kortste eind trekt. Of erger nog, rechtbanken en beleidsmakers zien vaak niet in wat het belang van privacy zou zijn.
Bij veel pogingen om privacy te definiëren tracht men de vinger te leggen op de gemeenschappelijke eigenschappen van alle zaken die wij als privé beschouwen. Deze methode om tot een concept van privacy te komen kent echter een groot probleem. Als we voor één noemer kiezen die algemeen genoeg is om vrijwel alles te omvatten, neigt het begrip ervoor te veelomvattend of vaag te worden. Als we de noemer echter inperken, bestaat het gevaar dat het begrip te smal blijft.
Er is een uitweg uit dit dilemma: we kunnen privacy op een andere manier conceptualiseren. De filosoof Ludwig Wittgenstein stelde dat sommige concepten het best kunnen worden opgevat als familiegelijkenissen – er vallen dingen onder die 'op vele verschillende manieren met elkaar verwant zijn'.5 Sommige dingen delen een net van gelijkenissen, zonder dat alle één specifieke eigenschap gemeen te hebben. Ze zijn aan elkaar verwant zoals familieleden dat zijn. Je kunt je moeders ogen hebben, je broers haar en je zusters neus, zonder dat jullie allemaal één eigenschap gemeen hebben. Er is geen grootste gemene deler. En toch lijken jullie op elkaar.6 Zo moeten we privacy ook zien. Privacy is niet één ding, maar een veelvoud van verschillende, en toch verwante zaken.
Een van de belangrijkste kwesties bij de ontwikkeling van een theorie over privacy is de vraag hoe je omgaat met de vele standpunten en ideeën over privacy. Privacy is een product van normen, daden en juridische vormen van bescherming. Daardoor is privacy zowel cultureel als historisch contingent. Zo wordt nu bijvoorbeeld algemeen gedacht dat het naakte lichaam privé is, in die zin dat het doorgaans bedekt wordt. Maar dat was zeker niet het geval in het oude Griekenland en Rome. In het gymnasium in het oude Griekenland trainden mensen in hun blootje. In het oude Rome stapten mannen en vrouwen gezamenlijk naakt in bad.7 In de Middeleeuwen baadde men in het bijzijn van anderen en bij sociale gelegenheden.8 Onze ideeën over naaktheid, baden en het verheimelijken van lichamelijke functies, zijn veranderd in de loop der tijden en verschillen per cultuur. Dat geldt ook voor ons huis, want al wordt dat al heel lang gezien als privéterrein, vroeger was dat toch anders privé dan tegenwoordig. Tot de zeventiende eeuw bestond een huis vaak uit maar één grote kamer, waarin men zich lastig kon afzonderen voor private bezigheden zoals seks en andere intimiteiten. Een getrouwd stel deelde meestal het bed met hun kinderen, en met hun gasten als het zo uitkwam.9 Net als het lichaam is ook ons huis niet inherent privé – althans niet in de betekenis die wij daar nu aan toekennen.
Veel theorieën over privacy concentreren zich op de aard van de informatie of kwestie. Ze proberen onderscheid te maken tussen allerlei soorten informatie en kwesties die privé zijn. Maar zoals de voorbeelden over het lichaam en ons huis al aangaven, is geen enkel specifiek soort informatie of zaak inherent privé.
Anderen zijn van mening dat we privacy moeten definiëren door te bekijken in hoeverre iemand op redelijke gronden mag aannemen dat zijn of haar privacy is gewaarborgd. Deze methode definieert privacy op grond van verwachtingen die binnen de samenleving als redelijk worden omschreven. Dat is de methode die doorgaans wordt gehanteerd bij rechtbanken in Amerika en veel andere landen, en ook door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, als ze de privacybelangen willen onderscheiden die beschermd worden door het vierde amendement van de grondwet van de VS en andere wetsartikelen.10
Maar hoe wordt bepaald of die verwachtingen redelijk zijn? Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft zich nooit beziggehouden met empirische bewijzen daarvoor. Ze gokt maar zo'n beetje wat de maatschappij meent te mogen verwachten. Een empirische (eenrichtings-)methode om deze maatschappelijke verwachtingen in kaart te brengen zou de enquête zijn. Maar wat mensen invullen op papier over privacy kan drastisch verschillen van hoe ze zich gedragen. Zo kan iemand die beweert erg gehecht te zijn aan haar privacy ondertussen haar persoonlijke gegevens vrijwillig afstaan in ruil voor net iets meer korting of gemak. Daarom menen sommigen dat we beter kunnen afgaan op gedragsgegevens dan op enquêtes. Er zijn echter verschillende factoren waardoor ook het gedrag van mensen geen betrouwbare indicatie geeft van hun visie op privacy. Vaak staan mensen hun persoonlijke gegevens af aan bedrijven omdat ze in feite geen andere keus hebben, of omdat ze niet weten hoe die informatie in de toekomst gebruikt gaat worden.
En zelfs al zou er een betrouwbare manier bestaan om maatschappelijke verwachtingen te meten, dan nog kan deze ons alleen iets vertellen over de bestaande normen voor privacy. Wetten en beleid aangaande privacy worden echter niet alleen bepaald door tegemoet te komen aan bestaande verwachtingen. Dit punt kan het beste worden geïllustreerd aan de hand van de privacy van communicatie. In het koloniale Amerika was de post vaak niet betrouwbaar. Veel mensen hadden het idee dat brieven die alleen met was waren verzegeld niet echt beschermd waren. Zo beklaagden bijvoorbeeld Thomas Jefferson, Alexander Hamilton en George Washington zich in hun brieven allemaal over het gebrek aan vertrouwelijkheid.11 Ondanks de verwachting dat de post niet erg privé was, kwamen er wetten die streng toezagen op de privacy van brieven. Benjamin Franklin, de koloniale minister van Posterijen in de tijd vóór de Amerikaanse Revolutie, liet postbodes zweren dat ze de post niet zouden openmaken.12 Na de Amerikaanse Revolutie nam het Amerikaanse Congres verschillende wetten aan die de privacy van brieven waarborgden. In 1877 bepaalde het Amerikaanse Hooggerechtshof dat verzegelde pakjes onder het vierde amendement vielen en dus bescherming genoten, en dit ondanks het feit dat mensen deze pakjes aan de overheid gaven om te bezorgen.13 De scherpe bewaking van de privacy van geschreven correspondentie kwam voort uit de wens van mensen deze privé te houden, en was dus niet gebaseerd op de veronderstelling dat brieven dat al waren.
Ook de elektronische communicatie kent zo'n geschiedenis. Er bestond alom bezorgdheid over de privacy van getelegrafeerde berichten in de begintijd daarvan, halverwege de negentiende eeuw. In vrijwel alle staten was bij wet vastgelegd dat telegraafmedewerkers niet ongegrond telegrammen mochten vrijgeven. Ook het onderscheppen van telegrafische berichten was bij wet verboden. In de begintijd van de telefonie waren telefoongesprekken allesbehalve privé. Tot ver in de twintigste eeuw hadden mensen gemeenschappelijke telefoonlijnen, die ze deelden met een aantal huishoudens. Men maakte zich grote zorgen over afluister- en aftappraktijken. Er werden daarop allerlei wetten aangenomen die de privacy van telefoongesprekken moest beschermen. Aan het begin van de twintigste eeuw was het in meer dan de helft van de staten wettelijk verboden om telefoongesprekken af te luisteren.
De moraal van het verhaal is dat onze communicatie privé werd omdat mensen dat wilden. Privacy gaat niet zozeer over wat mensen verwachten, als wel ook over wat ze willen. Privacy is wat wij daar met onze normen en wetten van maken. Vandaar dat wij de wet vragen onze privacy te waarborgen omdat we een gebrek aan privacy ervaren en dat willen rechtzetten, en dus niet omdat we op privacy denken te kunnen rekenen.
Waar zouden we ons dus op moeten richten als we beter willen begrijpen wat privacy is? Ik denk dat een theorie over privacy zich vooral moet concentreren op de problemen die de wet volgens ons zou moeten aanpakken. Volgens John Dewey vormen aan den lijve ondervonden problemen, en niet abstracte universele principes, het startpunt van een filosofische studie. Een theorie over privacy zou zich moeten richten op díe problemen die een behoefte aan privacy creëren. Er ontstaan problemen met privacy als de overheid en bedrijven, instellingen en andere mensen de bezigheden van anderen verstoren. Er bestaan wezenlijke problemen, en toch worden die vaak genegeerd omdat ze buiten ons idee van privacy vallen. Veel problemen worden niet herkend, omdat rechtbanken en beleidsmakers niet inzien dat onze privacy er een rol in speelt. In plaats van te lopen piekeren over privacy in abstracto, zouden we moeten uitgaan van concrete problemen en dan de theorie moeten gebruiken om deze problemen te doorgronden en op te lossen. In mijn nieuwste boek, Understanding Privacy, ontwikkel ik een raamwerk waarmee problemen met privacy kunnen worden herkend en identificeer en analyseer ik zestien van dergelijke problemen.
Er zijn vier basisclusters van schadelijke handelingen: (1) informatievergaring, (2) informatieverwerking, (3) informatieverspreiding en (4) schending. Elk van deze clusters bestaat uit verschillende verwante subgroepen van schadelijke handelingen.
Ik heb deze groepen verwerkt in een model dat begint met het subject op wie de data betrekking hebben, het individu dus dat het meest direct te maken krijgt met de handelingen uit de taxonomie. Verschillende entiteiten (vaak mensen, bedrijven en de overheid) vergaren informatie over dat individu. Het vergaren van die informatie kan op zich al een schadelijke bezigheid zijn, hoewel niet alle informatievergaring schadelijk is. Degene die de gegevens verzamelen (de 'databeheerders') verwerken die vervolgens, d.w.z. ze slaan de data op en combineren, bewerken, onderzoeken en gebruiken ze. Ik noem dat 'informatieverwerking'. De volgende stap is 'informatieverspreiding': de databeheerders geven de informatie door aan anderen of geven de informatie vrij. Tijdens het proces van informatievergaring, informatieverwerking en informatieverspreiding komen de gegevens steeds verder buiten de invloedssfeer van het individu te staan. De laatste cluster van handelingen is 'schending', waarbij direct inbreuk wordt gemaakt op de privacy van het individu. Na een beweging weg van het individu, gaan schendingen juist weer recht op de man af, en het gaat daarbij ook niet altijd om informatie. De relatie tussen de verschillende clusters is uitgewerkt in bijgaand schema.
De eerste cluster van handelingen die met privacy van doen hebben is de informatievergaring. Surveilleren is het observeren, afluisteren of vastleggen van iemands activiteiten. Ondervragen behelst verschillende vormen van vragen stellen of informatie loskrijgen.
Een tweede cluster van handelingen betreft de manier waarop informatie wordt opgeslagen, bewerkt en gebruikt, door mij samengevat als 'informatieverwerking'. Samenvoegen is het combineren van allerlei verschillende gegevens over iemand. Identificeren is het koppelen van informatie aan één individu. Onveiligheid is nalatigheid in het beschermen van opgeslagen informatie waardoor die informatie kan uitlekken of in verkeerde handen vallen. Secundair gebruik is wanneer de vergaarde informatie voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor ze vergaard was, zonder toestemming van het subject. Uitsluiting is het verzuim het subject te informeren over de gegevens die anderen over hem of haar hebben, beheren en gebruiken. Deze handelingen hebben niets meer te maken met het verzamelen van informatie, omdat de informatie al vergaard is. De handelingen betreffen de wijze waarop er met die informatie wordt omgegaan en hoe ze gebruik wordt.
De derde cluster van handelingen gaat over het verspreiden van informatie. Vertrouwelijkheid schenden betekent dat men zich niet houdt aan de belofte om iemands informatie vertrouwelijk te houden. Openbaar maken is het onthullen van waarheidsgetrouwe informatie over een persoon, waardoor men anders naar diegene gaat kijken. Te kijk zetten gebeurt wanneer iemand anders' naaktheid, leed of lichaamsfuncties worden getoond. Toeëigenen is gebruikmaken van de identiteit van het subject om de belangen en doeleinden van een ander te dienen. Vertekenen is het verwerken van valse of misleidende informatie over een persoon. Informatieverspreidende handelingen hangen altijd samen met het verbreiden of doorgeven van persoonlijke gegevens of met de dreiging dat te gaan doen.
De vierde en laatste cluster van handelingen behelst de inbreuk op het persoonlijke leven van mensen. Bij dergelijke schendingen gaat het anders dan bij de voorgaande drie clusters niet altijd per se om persoonlijke gegevens (al is dat regelmatig wel het geval). Inbreuk maken staat voor invasieve handelingen die iemands rust of eenzaamheid verstoren. Inmengen in beslissingen is de bemoeienis met iemands beslissingen in de privésfeer.
Privacy is niet één ding, maar een groot aantal verschillende, aan elkaar verwante dingen. Beleidsmakers en anderen hebben veel te lang een enge, kortzichtige kijk op privacy gehad en bleken niet in staat om vele wezenlijke problemen met privacy te onderkennen. Hopelijk leidt een meer pluralistische kijk op privacy ertoe dat problemen met privacy beter herkend en opgelost zullen worden.
Het sociale belang van privacy
Een ander probleem met de gangbare opvatting van privacy is het belang dat er aan wordt toegekend. In het traditionele liberalisme wordt privacy vaak gezien als een recht van het individu. De rechtskundige theoreticus Thomas Emerson stelt bijvoorbeeld dat privacy 'gebaseerd is op de aanname van individualisme, dat de maatschappij er is om de waarde en de waardigheid van het individu te bevorderen (...). Het recht op privacy (...) is in wezen het recht om niet deel te nemen aan het collectieve bestaan – het recht de gemeenschap buiten te sluiten.'14 Of zoals een gerechtshof het formuleerde: 'Privacy is inherent persoonlijk. Het recht op privacy erkent de soevereiniteit van het individu.'15
Als privacy uitsluitend in individualistische termen wordt bezien, wordt het vaak weinig waarde toegekend bij de utilitaristische afweging van belangen waarmee beleidsmakers doorgaans conflicten oplossen waarbij verschillende belangen in het geding zijn. Als individuele belangen worden afgewogen tegen het algemeen belang, wint dat laatste vaak. De belangen die het vaakst op gespannen voet met privacy staan – vrijheid van meningsuiting, klantentransacties en veiligheid – worden van groot belang geacht voor de hele samenleving. Privacy daarentegen wordt gezien als een vluchtstrook waar alleen het individu wat aan heeft.
Toch valt er ook wel iets te zeggen voor een utilitaristische opvatting van privacy. De pragmatische filosoof John Dewey heeft de meest coherente theorie geformuleerd over hoe de bescherming van individuele rechten het algemeen belang dient. Volgens Dewey kunnen individu en maatschappij niet strikt gescheiden worden. Het individu wordt gevormd door de samenleving en de belangen van zowel het individu als de samenleving zijn eerder met elkaar vervlochten dan strijdig met elkaar: 'We kunnen onszelf alleen beschouwen als tot op zekere hoogte sociale wezens. Daarom kunnen we het idee van onszelf en ons eigen belang ook niet los zien van ons idee van anderen en hun belang.'16 Dewey vindt het terecht dat individuele belangen worden beschermd omdat ze bijdragen aan de samenleving als geheel. Met andere woorden, individuele rechten zijn geen troefkaarten, maar beschermingsmaatregelen van de samenleving tegen haar eigen opdringerigheid. De samenleving maakt ruimte voor het individu omwille van de maatschappelijke voordelen die deze ruimte biedt. Daarom, stelt Dewey, moet de waarde van rechten worden beoordeeld op grond van 'de bijdrage die ze leveren aan het welzijn van de gemeenschap'.17 Anders leggen de individuele rechten het bij elke utilitaristische afweging af tegen de meeste maatschappelijke belangen en zou het onmogelijk zijn om op te komen voor de rechten van het individu. Vandaar, zegt Dewey, dat we altijd moeten aandringen op een 'maatschappelijke onderbouwing en een maatschappelijke legitimatie' van burgerlijke vrijheden.18
Ik ben het met Dewey eens dat de bescherming van het individu van maatschappelijk belang is. Er ontstaat een hoop frictie in de maatschappij en we komen voortdurend met elkaar in botsing. Een deel van wat een samenleving tot een oord maakt waar het prettig toeven is, is de mate waarin ze mensen beschermt tegen inmenging van anderen. Een samenleving zonder privacybescherming zou verstikkend zijn, en waarschijnlijk zouden de meeste mensen daar niet in willen leven. Bij de bescherming van individuele rechten besluiten we als samenleving een stapje terug te doen om de voordelen te kunnen plukken van het soort van vluchtstroken dat dan ontstaat waarin het individu kan opbloeien.
Spiros Simitis schrijft: 'Privacyoverwegingen komen niet langer voort uit bepaalde individuele problemen, maar getuigen steeds vaker van conflicten die iedereen aangaan.'19 Privacy is kortom niet het bazuingeschal van het individu tegen de belangen van de samenleving, maar de bescherming van het individu op grond van de normen en gedragswijzen die in die samenleving zelf voorhanden zijn. Privacy is niet simpelweg een manier om individuen te vrijwaren van sociale controle, maar is zelf een vorm van sociale controle die voortkomt uit de waarden en normen binnen een samenleving.
We beschermen de individuele privacy als samenleving omdat we beseffen dat een goede samenleving ons beschermt tegen al te veel inmenging en buitensporige interesse in andermans leven. Je hoort niet bij je buren naar binnen te gluren of andermans huis in te sluipen. Privacy is dus geen restrictie die van buitenaf aan een maatschappij wordt opgelegd, maar een interne dimensie van die maatschappij.20 Daarom is privacy van maatschappelijk belang. Zelfs als privacy het individu beschermt, doet het dat omwille van de samenleving. Het individuele recht op privacy kan dan ook niet worden afgezet tegen het grotere maatschappelijke belang. Bij privacykwesties gaat het om een afweging van maatschappelijke belangen aan beide kanten.
Omdat het bij privacy gaat om de bescherming tegen vele verschillende soorten schendingen en problemen, hangt het belang van de privacy van het probleem of de schending in kwestie af. Niet alle problemen met privacy zijn gelijkwaardig, sommige zijn schadelijker dan andere. Er valt aan privacy daarom geen abstract belang toe te kennen. Het belang ervan kan sterk uiteenlopen, afhankelijk van het soort probleem of schending dat in het geding is. We moeten daarom een pluralistischer opvatting ontwikkelen over het begrip privacy en het belang ervan. Privacy is een reeks beschermende maatregelen tegen een reeks problemen. Deze problemen houden niet allemaal op dezelfde manier verband met elkaar, maar vertonen wel overeenkomsten. Het is van maatschappelijk belang ons tegen elk van die problemen teweer te stellen, en dat belang wisselt naar gelang de aard van het probleem.
Een einde aan de verwarring
Als we privacy gaan zien als een pluralistisch begrip met een maatschappelijk belang, zal dat hopelijk bijdragen aan het ophelderen en concretiseren van een concept dat veel te lang in nevelen is gehuld. De hierdoor ontstane verwarring heeft ertoe geleid dat beleidsmakers niet adequaat hebben weten te reageren op de talloze nieuwe aanslagen op onze privacy als gevolg van de technologische ontwikkelingen – van de opkomst van bewakingscamera's tot omvangrijke datasporen die we achterlaten op internet en in de elektronische handel. Door een helderder beeld te hebben van de betekenis en de waarde van privacy, zal de lastige taak om onze privacy te beschermen in het informatietijdperk, ons veel beter afgaan.
Noten
1. Daniel J. Solove, Understanding Privacy (Cambridge?Mass.: Harvard University Press, 2008). Meer informatie over dit boek is te vinden op understanding-privacy.com.
2. Robert O'Harrow, No Place to Hide (New York: Free Press, 2005).
3. Jeffrey Rosen, The Naked Crowd: Reclaiming Security and Freedom in an Anxious Age (New York: Random House, 2004).
4. Daniel J. Solove, The Future of Reputation: Gossip, Rumor, and Privacy on the Internet (New Haven: Yale University Press, 2007).
5. Ludwig Wittgenstein, Filosofische Onderzoekingen § 65 (Meppel: Boom, 1976, Ned. vertaling Hans W. Bakx).
6. Zoals Wittgenstein opmerkt, zijn sommige dingen niet aan elkaar verwant door één gemeenschappelijke eigenschap, maar delen ze 'een gecompliceerd net van gelijkenissen die elkaar overlappen en doorkruisen; nu eens fundamentele gelijkenissen, dan weer gelijkenissen in details.' Ibidem, § 66.
7. Simon Goldhill, Love, Sex, and Tragedy: How the Ancient World Shapes Our Lives (Chicago, University of Chicago Press, 2004), p. 15, 19.
8. Witold Rybczynski, Home: A Short History of an Idea (New York: Penguin Books, 1986), p. 28, 30.
9. David H. Flaherty, Privacy in Colonial New England (Charlottesville: University Press of Virginia, 1972), p. 45.
10. H. Tomás Gómez?Arostegui, ‘Defining Private Life Under the European Convention on Human Rights by Referring to Reasonable Expectations’, in: California Western International Law Journal, jrg. 35, nr. 2, mei 2005.
11. Daniel J. Solove, The Digital Person: Technology and Privacy in the Information Age (New York: New York University Press, 2004), p. 225.
12. Ibidem.
13. Ex Parte Jackson, 96 U.S. 727, 733 (1877).
14. Thomas I. Emerson, The System of Freedom of Expression (New York: Vintage Books, 1970), p. 545, 549.
15. Smith v. City of Artesia, 772 P.2d 373, 376 (N.M. Ct. App. 1989).
16. John Dewey, Ethics (1908), in: The Middle Works, deel 5 (red. Jo Ann Boydston, 1978), p. 268.
17. John Dewey, Liberalism and Civil Liberties (1936), in: The Later Works, deel 11 (red. Jo Ann Boydston, 1991), p. 374.
18. Ibidem, p. 375.
19. Spiros Simitis, ‘Reviewing Privacy in an Information Society’, in: University of Pennsylvania Law Review, 707, 709 (1987), p. 135. In een analyse van de problemen bij de ontwikkeling van privacywetgeving door de overheid toont Priscilla Regan aan hoe noodzakelijk het is om privacy te zien in termen van de maatschappelijke voordelen daarvan. Zie: Priscilla M. Regan, Legislating Privacy: Technology. Social Values, and Public Policy (Chapel Hill/NC: The University of North Carolina Press, 1995) p. xiv. ('analyse van de beleidsvorming in het congres geeft te zien dat er weinig aandacht bestond voor een mogelijk breder maatschappelijk belang van privacy.')
20. Robert C. Post, ‘The Social Foundations of Privacy: Community and Self in the Common Law Tort’, in: California Law Review, jrg. 77, nr. 5 (1989), p. 957, 968. (Post stelt dat de maatschappij door middel van privacy fatsoensnormen poogt te bevorderen.)

Stichting Kunst en Openbare Ruimte