Ilse van Rijn
Sven Lütticken, Idols of the Market: Modern Iconoclasm and the Fundamentalist Spectacle. New York, Sternberg Press, 2009, ISBN 978-1-933128-26-9, 248 blz., €19,00
Met het oogmerk het iconoclasme te historiseren tot het punt waarop zijn potentieel voor de huidige situatie zichtbaar wordt, bundelde Sven Lütticken vijf van zijn lijvige essays onder de titel Idols of the Market: Modern Iconoclasm and the Fundamentalist Spectacle. Liever dan academisch noemt hij het boek niet alleen essayistisch maar ook interventionistisch. Op de vraag hoe je door middel van een publicatie in kunt grijpen in een problematiek die de laatste jaren precair en complex gebleken is, geeft Lütticken in zijn introductie een helder antwoord: kritisch denken is een noodzakelijke voorwaarde voor interventie. Echter, het is van belang die kritiek niet te institutionaliseren en tevens de inefficiëntie ervan te belichten. Denk voorbij de ‘idols of the market’, zo pleit Lütticken. Zo is het productiever ‘to re-imagine religion’ dan te vervallen in een hysterisch atheïsme, dat zijn fundament vindt in een harde kritiek op het protest tegen beelden als de Deense cartoons, die door tegenstanders ervan zowel als afgodisch en als blasfemisch worden beschouwd. Een westers Verlicht denken en een duivels monotheïsme – met name de islam – en de opposities daarvan worden door dergelijke genadeloze stellingnames slechts versterkt. Het opnieuw denken van religie wordt mogelijk door het bewust creëren van de nu vaak nog incidentele overlappen tussen academische, artistieke en activistische contexten, waarvan Idols of the Market tegelijkertijd resultaat en voorbeeld is. Dergelijke samenwerkingsverbanden voorzien tevens in de vrijheid voor het urgente heroverwegen van het beeld.
Teneinde het beeld opnieuw te lezen concentreert Lütticken zich in de vijf essays die de hoofdstukken vormen op contemporaine vormen van iconoclasme waarbij hij filosofische, economische en theologische ‘excursies’ niet schuwt. Deze uitweidingen leiden tot stuk voor stuk virtuoze teksten, waarin de pointes even divers zijn als de soms onverwachte referenties en wendingen. Zo stipt de auteur in het eerste essay ‘Myths of Iconoclasm’ de weinige malen aan dat de islam en zijn protagonisten serieus worden genomen in westerse filosofische werken, variërend van Montesquieus Lettres Persanes tot Hegels geschriften. Om vervolgens via de opvattingen van Nietzsche over God, die ex-papegaai, die de filosoof dood verklaart in plaats van non-existent, het verschil tussen ‘mythos’ en ‘logos’ te onderbouwen en in Nietzsche zelf het persistente voortbestaan van de mythe aan te wijzen. De schijnbare heropleving van religie is een historische mythe die vormgeeft aan een sociale en culturele realiteit, zo vervolgt Lütticken. De vraag is of God niet een spookverschijning is, een teken en een onzichtbaar beeld dat zich ophoudt in het mediaspektakel in plaats van in de dagelijkse realiteit. Zich baserend op Freuds Moses and Monotheism betoogt hij in antwoord op zijn eigen vraag dat het fysieke iconoclasme een evenknie kent in het spirituele, conceptuele iconoclasme dat het rijk was van grote denkers en kunstenaars. Slechts een dialectiek tussen deze beide varianten van het iconoclasme bewerkstelligt de dynamiek die de grote historische momenten, zoals de Reformatie, kenmerkte. Hierdoor kon, en kán het beeld opnieuw worden gedefinieerd. Vandaag getuigt het werk van Gert Jan Kocken van een dergelijke dialectiek, aldus de auteur. De verhoogde materialiteit van Kockens beelden leidt tot wat in Lüttickens bewoordingen visueel iconoclasme heet.
Hoe soms duizelingwekkend en bewust anachronistisch ook de weg naar deze tussentijdse conclusie, in zijn poging het beeld anderszins te lezen verliest Lütticken de relevantie van zijn amplificaties voor een artistieke en kunsttheoretische praktijk nimmer uit het oog. En vice versa: welke aanknopingspunten bieden de moderne theorie en kunst om te bemiddelen in het gevecht tussen de fundamentalismes, zo vraagt hij zich af.
De schrijver benadrukt het herhaaldelijk: de moderne kritiek op het visuele in de kunst richt zich niet tegen beelden als zodanig, maar tegen de geïnstrumentaliseerde visualiteit in gereglementeerde representaties. Asger Jorn streefde naar een ‘smashing the frame that suffocates the image’; kunstenaar Natascha Sadr Haghighian vroeg zich recentelijk af: ’How does one erase the images that create invisibilities?’ Een antwoord vinden we, aldus Lütticken, in ‘From one Spectacle to Another’, in Sean Snyders werk. Snyder suggereert dat een materialistische analyse van representaties niet voorbij kan gaan aan de details binnen de huidige beeldproducties. De kunstenaar focust op het gebruik van fotografie en video in de huidige ‘War on Terror’ en concludeert dat het Pentagon zowel als Al Quaeda en verwante groeperingen die de beelden produceren, reproduceren en verspreiden zich amper bewust zijn van de status van het beeld. Het is aan kunstenaars als Snyder, meent Lütticken, om hierop te reflecteren en de symptomen te lezen. Immers, een symptoom is een tijdelijk spoor van gemiste bevrijdende momenten, zoals revoluties of pogingen daartoe, dat nog altijd opnieuw kan worden geactiveerd. Zoals Snyder door middel van een hernieuwde ontmoeting met het beeld dit opnieuw kan waarnemen, zo moeten we ons eveneens de religie opnieuw toe-eigenen. Onder het motto ‘if there is a future, *, it has already happened’ kunnen we Paulus en de vroege christenen als tijdgenoten beschouwen, niet vanwege hun dogma’s, maar vanwege de onverbiddelijke houding waarmee ze weerstand bieden aan wat is of is geweest.
De neiging religie te associëren met fanatisme en Weltflucht moet worden verworpen, aldus leidt Lütticken zijn essay ‘Attending to Things (some more Material than Others)’ in. Zijn de kritiek op afgoderij en iconoclasme slechts symptomen van een transcendentalistische aversie tegen materie? Het esthetische denken is altijd, impliciet of expliciet, politiek, zo benadrukt hij in navolging van Jacques Rancière. De stelling weerhoudt de auteur van Idols of the Market er niet van om terug te grijpen op zijn stokpaardje, het marxisme en de latere lezingen ervan, om eens te meer de geproduceerde waarde aan te tonen van artikelen en van kunstwerken, hoe immaterieel en conceptueel deze ook mogen zijn. Wat schijnbaar voor zichzelf sprekende objecten zijn, zoals ‘branded consumer goods’, moeten ‘dingen’ worden, ‘matters of concern’ die open staan voor discussie en zodoende ‘anders’ kunnen worden geproduceerd en gebruikt. Sinds 9/11 zijn het ‘Westen’ en de ‘islam’ verworden tot ‘super brands’ die de consumenten van het fundamentalistische spektakel tot slaaf maken en betoveren. Wat moet gebeuren: “turn the oppressive ‘facts’ of life into forms” aldus Lütticken. Zij die deel hebben aan dit project kunnen ware representanten worden genoemd van de kritiek op afgoderij. En op die van het monotheïsme, mochten zij dit willen. Zoals religie haar seculiere zijden kent, zo is het hyperkapitalisme niet gespeend van abstracties en wordt elke abstractie vandaag meer en meer geconcretiseerd. Worden deze materialisaties van het immateriële onze huidige ‘product* of thought’?
Een alleszins genuanceerde kritiek op de polarisatie tussen het ‘Westen’ en de ‘islam’ spreekt uit het laatste hoofdstuk, ‘Veiled Revelation’. Gestes van onthullen zijn deel van de Verlichtingsretoriek, zo herinnert ons Lütticken. Waar het sluieren, op zijn beurt, enerzijds een mystificerende handeling verraadt – van vrouwen, sociale relaties en van de islam – daar wordt het ‘abstraherende’ gewaad tevens ingezet om de liberale westerse waarden te onthullen, de westerse schijnbaar ongehinderde nadruk op zichtbaarheid. Paradoxaal genoeg creëert het sluieren, zoals andere iconoclastische gestes, nieuwe beelden. Deze vertonen een soms verrassende overeenkomst met het esthetische modernisme en voeren in hun spel met zichtbaarheid een spectaculaire representatie van ‘Otherness’ ten tonele.
De ‘excursies’ waar de auteur ons in zijn introductie voor waarschuwde blijken de even zovele ingangen door middel waarvan hij in staat is gebleken een complex thema te benaderen en te nuanceren. In het goed gedocumenteerde Idols of the Market: Modern Iconoclasm and the Fundamentalist Spectacle betuigt Sven Lütticken zich wederom een intelligent en belezen schrijver, die bovendien aanzet tot nieuwe vormen van samenwerken tussen voorheen gescheiden contexten, of wat opposanten heetten te zijn.
Stichting Kunst en Openbare Ruimte